Gedachten

Wat het solipsisme bedoelt, is helemaal juist, het laat zich alleen niet zeggen, maar het toont zich.

Ludwig Wittgenstein in Tractatus Logico-Philosophicus (1921)

Iedereen die op feestjes met filosoferen begint, bedenkt wel een keer een variant van het solipsisme, de overtuiging dat alleen het eigen subjectieve bewustzijn echt bestaat en dat al het andere alleen maar ‘in je hoofd zit’. Daarbij moet je nog oppassen want volgens Schopenhauer behoren mensen die een radicaal solipsisme aanhangen in het gekkenhuis te zitten. Overigens zou Schopenhauer weleens gelijk kunnen hebben, in zoverre dat een psychose vaak samengaat met hallucinaties of wanen, ervaringen of gedachten die niet echt bestaan, maar alleen voor de psychoticus zelf.
Voor veel filosofen is een theorie per definitie onjuist als daar een solipsisme in aan te wijzen of uit af te leiden is. Maar Wittgenstein zegt dat het solipsisme waar is. Volgens hem vallen de grenzen van de wereld samen met de grenzen van de taal en aangezien het míjn taal is, zit de wereld dus in mijn hoofd. Het denken van Wittgenstein wordt vaak in twee delen gesplitst. Je zou kunnen zeggen dat de gedachte dat een taal in één hoofd kan zitten, behoort bij de Wittgenstein uit de eerste periode. Later zal Wittgenstein steeds meer gaan beseffen dat taal alleen te begrijpen is als gebaseerd op een gedeelde levensvorm.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Voor de weinigen die nog in de archieven rondkijken, dringt zich het idee op dat ons leven het warrige antwoord is op vragen waarvan we vergeten zijn waar ze gesteld werden.

Peter Sloterdijk in Regels voor het mensenpark (1999)

Dit zijn de laatste woorden van een geruchtmakende rede van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk (1947). Er was een ‘affaire’ geboren toen een aantal, volgens Sloterdijk door Habermas gesouffleerde, journalisten en denkers hem verweten een soort pleidooi voor eugenetica te hebben gevoerd. In doorgaans serieuze media werd gesteld dat Sloterdijk had gepleit voor een doelbewuste genetische selectie en manipulatie van mensen, onder leiding van een filosofische elite. Het merkwaardige is dat Sloterdijk nu juist uitgaat van het feit dat de ‘antropotechnieken’ al overal worden toegepast – en dat het dus voor filosofen zaak is om daar over na te denken. En – zoals het een filosoof betaamd – stelt hij dat onze oude denkcategorieën niet meer voldoen, en introduceert hij een paar nieuwe. Zo denkt hij dat de tijd van de humanisten – en hun boeken als ‘dikke brieven aan vrienden’ – voorbij is en dat de tijd van de archivarissen is aangebroken. Uit zijn lezing blijkt dat Sloterdijk zelf Plato nog wel op zijn nachtkastje heeft liggen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Nooit komt er een einde aan de voortdurende wisseling van de elementen, die nu eens door Liefde allemaal tot één samenkomen en dan weer, stuk voor stuk, door de vijandschap van Haat van elkaar wegvliegen.

Empedokles in De Elementen 24 (17)

Omstreeks 492 v.Chr. werd in Akragas (tegenwoordig Agrigento) op Sicilië de arts-filosoof Empedokles geboren. Hij speelde in zijn geboortestad ook een politieke rol en werd daarin zo populair dat hij het koningschap aangeboden kreeg, dat hij overigens weigerde.
Hij is vooral beroemd geworden omdat hij na Thales (water), Herakleitos (vuur), Anaximenes (lucht) en Xenofanes (aarde) meende dat de wereld is opgebouwd uit alle vier deze elementen. Door de Liefde (Filotes) worden deze elementen met elkaar verbonden en zo ontstaan alle dingen, maar ook levende wezens als ‘mengingen’ van de elementen. Zo bestaan de beenderen van mensen uit vier delen vuur, twee delen water en twee delen aarde. De Haat daarentegen brengt alle dingen weer tot hun elementen terug.
De Liefde heeft ook in de lichamen van mensen ‘een vaste woonplaats’. Daar zorgt ze dat mensen een ‘vriendelijke gezindheid’ hebben en ‘daden van verbondenheid’ verrichten. Maar sommige fragmenten suggereren dat Liefde in de elementen zit en het bijzondere aan de leer van Empedokles is dan ook dat volgens hem alle dingen door Liefde ontstaan.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een psychoot doorleeft vragen die andere mensen alleen bij wijze van kroeggesprek hebben of waarmee filosofen zich beroepshalve bezighouden: hoe weet ik dat er iets buiten deze isoleercel bestaat? Leef ik alleen in mijn eigen droomwereld? Moet hier voor e

Wouter Kusters in Twentsche Courant Tubantia, 19 juni 2005

De dan twintigjarige Wouter Kusters krijgt een psychose en gaat daarna op zoek naar beschrijvingen en duidingen van de ervaring van waanzin. Tot zijn teleurstelling vindt hij zelfs bij Louis Althusser, de Franse filosoof die in een vlaag van gekte zijn vrouw vermoordde, niet eens een beschrijving van de gebeurtenis zelf, laat staan een werkelijke doordenking van de psychotische ervaring. Althusser beperkt zich tot een psychoanalytische zelfanalyse. ‘Dan moet ik zelf maar beschrijven wat die ervaring inhoudt,’ denkt Kusters. Het resultaat is Pure waanzin (2004), waarin hij op nuchtere wijze zoekt naar ervaringsverslagen en filosofische interpretaties van wat een psychoot doorleeft. Het boek bevat bovendien naast elkaar reconstructies van zijn eigen ervaringen en de verslagen van zijn verzorgers en behandelaars. Zo beschrijft hij een extatische belevenis in de isoleercel: ‘Ik word overspoeld door de aanwezigheid van alles en raak in verrukking; sprakeloos en woordeloos. Uit deze verrukking word ik losgerukt als een ploegje verplegers langskomt.’ Later leest hij in zijn dossier dat die verplegers op dat moment van bewustzijnsverbreding over hem schrijven dat hij juist een bewustzijnsvernauwing heeft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De mens is een schobbejak! … En een schobbejak is hij, die hem daarom een schobbejak noemt.

Fjodor Michajlovitsj Dostojevski in Misdaad en straf (1866; vertaling Jan Meijer)

F.J.J. Buytendijk (1887-1974), een van de pioniers van de Nederlandse psychologie, raadde zijn studenten aan om niet te veel academisch-psychologische boeken te lezen. Er werd gefluisterd dat hij dat zelf ook niet deed. Om inzicht te krijgen in de mens was het volgens hem veel beter om veel (goede) romans te lezen, waarbij Dostojevski als een van de grootsten gold. Voor Buytendijk is de bron van ‘werkelijk psychologisch inzicht en psychologische vorming’ dezelfde als die van de goede roman. In De psychologie van de roman – studies over Dostojevski (1962) noemt hij deze bron ‘de ervaring omtrent de mens’. Het begrip ‘ervaring’ heeft zich volgens Buytendijk in de ontwikkeling van de ‘wetenschappelijke’ psychologie verengt tot het toepassen van methoden en technieken die vooral geschikt zijn voor ‘geïsoleerde psychologische processen’. Buytendijk wil echter, net als romanschrijvers als Dostojevski, de mens begrijpen vanuit ‘de eenheid van de persoonlijkheid en het wijsgerig inzicht in het wezen van de mens’. Overigens komt die wens voort uit wat hij de ‘nood’ van de mens in de praktijk van het leven noemt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Denkers

Thema's