Skip to content

Gedachten

Verhoeven

Want dát is nu juist karakteristiek voor de filosoof: het gevoel ‘verwondering’. Er is inderdaad geen ander begin van de filosofie dan dit.

Socrates in Theaetetus (155d)

Het is wel vaker gezegd, en ook door anderen (zoals Thomas van Aquino) dat de filosofie begint met verwondering. In zijn Inleiding tot de verwondering (1967) gaat Cornelis Verhoeven (1928–2001) echter nader in op het Griekse begrip archè, en zo gelezen noemt hij wat hier wordt gezegd ‘zeer radicaal: het sluit elk ander beginsel van het filosoferen met grote beslistheid uit’ (p. 36). Heidegger benadrukt dat ‘archè’ is afgeleid van een werkwoord dat ‘leiden’ betekent. De verwondering is dus niet een ‘begin’ waarna we overgaan tot de orde van de dag en het ‘wonder’ oplossen in filosofische waarheden, nee het is het beginsel, het principe, het fundament van het filosoferen. En Verhoeven vraagt zich vervolgens af: ‘is er wel één wijsgeer die regelrecht en eerlijk vanuit de verwondering … denkt en schrijft zonder de omweg van een methode en zonder sofistiek?’ Zelf heeft Verhoeven manmoedige pogingen gedaan.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het vaderschap is een oefening in belangeloosheid …

Cornelis Verhoeven in De resten van het vaderschap (1975)

Het is een cliché, maar een kind is een geschenk, volgens filosoof Cornelis Verhoeven (1928–2001). Het vertegenwoordigt een deel van wat hij de ‘lyrische meerwaarde’ noemt: ‘alles wat in het bestaan verrassend is en anders dan wij kunnen bedenken.’ Het onttrekt zich aan ons willen en denken, en we kunnen er alleen ontvankelijk tegenover staan. Volgens Verhoeven verlangen wij naar die lyrische meerwaarde, in weerwil van onze belangen of enig nut dat wij ervan zouden kunnen hebben. Veeleer zijn die slechts een ‘ingedampt en droog sediment’ daarvan.
Dat maakt het vaderschap tot een ‘oefening in belangeloosheid’. Het biedt ons de kans tegemoet te komen aan het ‘elementaire menselijke verlangen tegen het eigen belang in te gaan’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Leven is uiteindelijk zwichten …

Cornelis Verhoeven in De resten van het vaderschap (1975)

Toen Cornelis Verhoeven (1928–2001) nog ‘gewoon’ leraar klassieke talen was, had hij al de P.C. Hooftprijs gekregen voor zijn filosofische essays (in 1978). Uiteindelijk werd hij toch nog hoogleraar wijsbegeerte, aan de Universiteit van Amsterdam. In de bundel overpeinzingen waaruit het citaat afkomstig is, staan twee bijzonder persoonlijke stukken: over de dood van zijn vader en over de geboorte van zijn zoon. Misschien dat Verhoeven daarom in een stemming was die hem tot een bijna lyrische ‘verantwoording’ bracht, die begint met de woorden: ‘Pogingen om nuchter te blijven zijn tot mislukken gedoemd.’ Waar wij in ons leven, ‘lang voor dood en ouderdom’ uiteindelijk voor ‘zwichten’, is de ‘lyrische meerwaarde van het bestaan’. Het gaat daarbij niet om de buitengewone creativiteit die aan een enkeling is voorbehouden of om een of ander ‘opgewonden idealisme’, maar om ‘een gegeven dat zich in de lauwe soberheid van een gewoon en ten dode opgeschreven bestaan met onweerstaanbare kracht aandient’. Die ‘lyrische meerwaarde’ ervaart hij bijvoorbeeld aan de wieg van zijn kind: ‘Bij het zien van een wonder praten we niet, maar zeggen we: kijk.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik denk, dat iets hogers niet te bereiken is dan het punt waarop het denken overgaat in alleen maar kijken.

Cornelis Verhoeven in De resten van het vaderschap (1975)

Hoewel hij uiteindelijk toch nog hoogleraar wijsbegeerte werd, had Cornelis Verhoeven (1928–2001) al in 1978 de P.C. Hooftprijs gekregen voor zijn filosofische essays, toen hij nog ‘gewoon’ leraar klassieke talen was. Het boekje waaruit het citaat afkomstig is, bevat een aantal fraaie proeven van die bekwaamheid, maar ontleent een bijzondere kracht aan de twee zeer persoonlijke stukken waarmee het begint: over het sterven van zijn vader en over de mijmeringen bij de wieg van zijn kind. Het eerste heeft de vorm van een pijnlijk eerlijk dagboek, het tweede meer die van een conventioneel essay, al begint het dan ook met de verzuchting: ‘Urenlang zou ik bij haar wiegje kunnen zitten om naar haar te kijken.’ Het lukt hem zeker niet altijd om ‘alleen maar te kijken’. Een ‘zwerm van bijgedachten gonst’ meestal rond zijn hoofd. ‘Minstens tien sprekers vertroebelen de eenvoud van mijn gedachten.’ Die sprekers in zijn hoofd zeggen cynische dingen als dat de geboorte van een kind toch in het niet valt bij de schokkende ‘grote wereld’ of juist mierzoete dingen als dat het leven een wonder is. Als die stemmen even zwijgen, ervaart hij ten volle: ‘Kijken is het hoogste wat er is.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top