Skip to content

Gedachten

Hume

De natuur zelf geneest mij van deze filosofische melancholie.

David Hume in Traktaat over de menselijke natuur (1739-1740)

Wanneer de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) probeerde met een kosmische blik naar mens en universum te kijken, werd hij geplaagd door ‘filosofische melancholie’: hij begon aan alles te twijfelen en wist niet meer wat de zin van het leven of van denken was. Hij ontdekte echter dat de natuur iets kon waartoe het menselijk verstand niet in staat was: de natuur verdreef de wolken van twijfel en genas hem van deze aandoening door hem af te leiden en hem levendige indrukken te geven via zijn zintuigen. ‘Ik dineer, speel backgammon, converseer en ben vrolijk met mijn vrienden. En wanneer ik na drie of vier uur vermaak zou terugkeren naar die speculaties, dan zouden ze zo koud, geforceerd en belachelijk lijken dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen om er nog mee door te gaan.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Terwijl wij redeneren over het leven, is het leven voorbij; en ook al kijken ze er verschillend tegenaan, de dood behandelt de dwaas en de filosoof op dezelfde manier.

David Hume, ‘The Sceptic’ (1742), in Selected essays (1993)

Volgens de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) hoeven we weinig van de filosofie te verwachten als het gaat om ons streven naar geluk. Want ‘als we nadenken over de korte duur en de onzekerheid van ons leven, hoe verachtelijk lijkt dan al ons streven naar geluk’. In feite wordt het menselijk leven meer bepaald door ‘fortuin’ of mazzel, dan door de rede. Het is eerder een ‘saai tijdverdrijf dan een serieuze bezigheid’, en wordt eerder bepaald ‘door een specifiek humeur dan door algemene principes’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De filosoof is geen redekunstenaar, maar de wetgever van de menselijke rede.

Immanuel Kant in Kritik der reinen Vernunft (1781)

In zijn ‘Kritiek van de zuivere rede’ probeerde Immanuel Kant (1724–1804) de twee grote stromingen uit zijn tijd met elkaar te verzoenen. Aan de ene kant had je de empiristen, zoals Hume, die meenden dat onze kennis uitsluitend gebaseerd is en/of moet zijn op ervaring. Aan de andere kant had je de rationalisten, zoals Descartes, die ervan overtuigd waren dat de meest fundamentele kennis werd gevonden door zelfreflectie. Bovendien wilde Kant kunnen begrijpen hoe Newton onveranderlijke natuurwetten kon afleiden uit toevallige waarnemingen.
Volgens Kant geldt voor de wiskundige, de natuurkundige en de logicus wel dat zij ‘redekunstenaars’ zijn. Zij maken gebruik van de rede, maar begrijpen haar niet werkelijk. Daarvoor is een leermeester nodig die hen als ‘werktuigen’ inzet om het wezenlijke doel van de menselijke rede te bevorderen: de filosoof. Dit ‘einddoel’ van al onze kennisverwerving is volgens Kant ‘de algehele bestemming van de mens’ en de filosofie die hierover gaat is de ethiek. Tot hoofddoel van filosofie en wetenschap bestempelt Kant ten slotte de ‘algemene gelukzaligheid’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hij is gelukkig van wie de omstandigheden passen bij zijn gemoed; maar hij is voortreffelijker die zijn gemoed aanpast aan iedere omstandigheid.

David Hume in An Enquiry Concerning the Principles of Morals (1751)

Terugkijkend op zijn leven schrijft de Schotse verlichtingsfilosoof David Hume (1711–1776) in My own life dat zijn ‘tweede onderzoek’ (na het bekende Enquiry Concerning Human Understanding) ‘van al mijn geschriften – zowel de historische als de filosofische en literaire – onvergelijkelijk de beste’ is. Als empirist meende Hume dat alle kennis uiteindelijk uit de ervaring voortkomt. Ook in zijn onderzoek naar de principes van de moraal gaat hij voornamelijk empirisch te werk. Hij vraagt zich af wat wij eigenlijk doen als wij een moreel oordeel vellen. Daarbij denkt hij dat wij mensen of hun daden prijzenswaardig of laakbaar noemen op grond van een zeker innerlijk gevoel waar de natuur onze hele soort mee heeft behept.
De geleerden zijn het er niet over eens of Hume’s theorie zuiver beschrijvend blijft, of dat er ook een normatieve ethische theorie uit te destilleren is. Op grond van het citaat zou je dat laatste denken. ‘Voortreffelijkheid’ (excellence) is immers een waardebeladen term. Hume’s uitspraak doet denken aan de klassieke stoïcijnen. Je hebt geen invloed op de omstandigheden, je kunt hoogstens mazzel hebben dat ze passen bij je gemoed (temper, humeur of temperament). Maar werkelijk gelukkig is degene die zijn stemming of inborst weet te laten passen bij wat hem overkomt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De vriendschap is een kapitaal waarvan de rente nooit verloren gaat.

Johann Georg Hamann in ‘An J.G. Lindner, 1756’ (1905)

Kierkegaard noemde de Duitse filosoof Johann Georg Hamann (1730–1788) ‘zonderling’ (maar dat bedoelde hij als een compliment!). Hamann was afkomstig uit Koningsbergen, de stad waar Immanuel Kant – letterlijk – zijn hele leven doorbracht en wordt gerekend tot de ‘geloofsfilosofen’, samen met onder anderen Schleiermacher en Herder.
Onder invloed van David Hume stelde Hamann zich op het standpunt dat de filosofie moet uitgaan van de zintuiglijk ervaren werkelijkheid. Met name Hamann’s opvatting dat wij als mensen eerst en vooral geboren worden in een ‘taalwerkelijkheid’, die vervolgens ons denken bepaalt, is opmerkelijk. In zijn nadruk op de fundamentele betekenis van ons spraakvermogen, wijst hij vooruit naar 20ste-eeuwse taalopvattingen van bijvoorbeeld Wittgenstein, maar ook van de structuralisten.
Zijn visie op de vriendschap als kapitaal, sluit aan bij een andere, nog recentere, opvatting (van bijvoorbeeld managementgoeroe Stephen Covey) dat wij mensen bij elkaar een ‘emotionele bankrekening’ hebben. Als je te veel van het kapitaal ‘opneemt’ (door gunsten te vragen of iemand te benadelen), kan dat ten koste gaan van de vriendschap, en dan lopen de rente-inkomsten ook terug …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

We treffen onszelf aan in een gonzende wereld, te midden van een democratie van medeschepselen, terwijl de orthodoxe filosofie ons slechts (…) voert naar eenzame substanties, die elk niet meer dan een illusoire ervaring ondergaan.

A.N. Whitehead in Process and reality (1927-1928)

Hoewel de ‘grootste filosoof van de twintigste eeuw wiens naam begint met een W’ (Latour) zijn schatplichtigheid aan de groten die hem voorgingen (in zijn geval vooral Locke, Hume en Descartes) benadrukt, heeft Alfred North Whitehead (1861–1947) zonder dat dat veel denkers is opgevallen een van de origineelste metafysica’s uit de wijsgerige geschiedenis opgesteld. De van oorsprong wis- en natuurkundige Whitehead is vooral bekend van de met Bertrand Russell geschreven Principia Mathematica en in bescheiden kring ook als grondlegger van de procesfilosofie (en de procestheologie).
Een van de belangrijkste wendingen die Whitehead doorvoert is die van de blikrichting van de filosoof als filosoof. De moderne filosofie wil de hele wereld beschrijven in termen van subject en predicaat, substantie en kwaliteit of particuliere en universele proposities. Maar daarmee ‘doen ze onze onmiddellijke ervaring geweld aan, die wij uitdrukken in ons handelen, onze hoop, onze sympathieën, onze doelen, en die wij ondergaan ook al ontbreekt het ons aan woorden om haar te kunnen analyseren’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top