Skip to content

Gedachten

Nietzsche

Als je je ‘waarom?’ van het leven hebt, dan verdraag je vrijwel ieder ‘hoe?’

Friedrich Nietzsche in Afgodenschemering (1889)

De titel van een van de laatste werken die Friedrich Nietzsche (1844-1900) schreef voordat hij mentaal instortte, Götzen-Dämmerung, is een toespeling op de opera Götterdämmerung (‘Godenschemering’) van Richard Wagner. Ooit hadden ze diep respect voor elkaar gehad, maar Nietzsche was ervan overtuigd geraakt dat Wagner de muziek ‘ziek’ had gemaakt. De ondertitel van Nietzsches werk luidt ‘Of hoe men met de hamer filosofeert’, wat hem de bijnaam ‘de filosoof met de hamer’ opleverde.
Het citaat staat in het hoofdstuk ‘Spreuken en pijlen’, met daarin uitsluitend dit soort aforismen. Het is een eigen leven gaan leiden in boeken over de rol van zingeving en transcendentie in het menselijk leven. Maar eigenlijk blijkt uit de tweede zin, die er zelden bij wordt geciteerd, op welke ‘afgod’ Nietzsche hier zijn pijlen heeft gericht: ‘De mens streeft niet naar geluk; dat doen alleen de Engelsen.’ Dat is een sneer naar de zogenaamde ‘utilisten’, zoals Bentham en Mill, die de morele waarde van een handeling afmaten aan de bijdrage die deze leverde aan het grootste geluk voor het grootste aantal mensen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er waart een spook door de westerse wereld – het spook van de religie.

Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen (2009)

Met deze zin begint het magistrale boek van de Duitse cultuurfilosoof en romanschrijver Peter Sloterdijk (1947). Het is een directe verwijzing naar de openingszin van Het communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich Engels uit 1848. Overigens zagen die natuurlijk een ander spook rondwaren: het communisme. Maar anders dan het communisme, dat nieuw was, is het huidige spook van de religie er een dat steeds weer opnieuw opduikt. En de teruggekeerde religie wordt door ‘machthebbers van het oude Europa’ feestelijk verwelkomd met een ‘pompeus’ feest waar uiteenlopende gasten bijeenkomen, van de paus tot islamitische geleerden, Amerikaanse presidenten en Kremlinkrijgsheren, en zelfs Duitse sociologen (een sneer naar Habermas). Het enige wat het feest verstoort, is het ‘zomeroffensief van de goddelozen van 2007’, ‘waaraan we twee van de oppervlakkigste pamfletten van de recente geestesgeschiedenis te danken hebben, namelijk van Christopher Hitchens en van Richard Dawkins’.
Zelf pleit Sloterdijk niet voor een terugkeer van de oude religie maar voor een ‘antropotechnische wending’. Met een eigenzinnig beroep op filosofen als Nietzsche, Wittgenstein en Foucault stelt Sloterdijk dat de mens allereerst een wezen is dat geen genoegen neemt met het leven zoals het gegeven is. Mensen zijn voortdurend bezig om hun leven te veranderen, en dat ‘moet’ ook, maar ze kunnen dat niet alleen. Ze hebben elkaar en ‘antropotechnieken’ nodig: rituelen, technieken, oefening, training enzovoort.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De ware weg loopt over een koord dat niet meer hoog in de lucht is gespannen maar vlak boven de grond. Het is eerder zo dat mensen erover struikelen dan dat ze erover lopen.

Franz Kafka in Betrachtungen über Sunde, Leid, Hoffnung und den wahren Weg

Dit is het eerste aforisme van een reeks die Franz Kafka (1883–1924) op grond van zijn aantekeningen zelf samenstelde en rangschikte. In Je moet je leven veranderen brengt Peter Sloterdijk dit citaat in verband met een scène uit Aldus sprak Zarathoestra. Daarin beschrijft Friedrich Nietzsche hoe Zarathoestra een dodelijk ten val gekomen acrobaat als zijn eerste leerling aanneemt. De acrobaat heeft namelijk van het gevaar zijn beroep gemaakt en ‘daar is niets verachtelijks aan’. Hoewel hij nu met zijn beroep te gronde gaat, wil Zarathoestra hem ‘met zijn handen begraven’. De acrobaat is precies de figuur die model staat voor de poging van mens ‘Übermensch’ te worden, wat je misschien beter kunt vertalen als ‘voorbij-mens’ dan supermens. Zoals Nietzsche ook al heeft gezegd dat de mens een koord is geknoopt tussen mens en Übermensch.
Maar voor Kafka is het vinden van de ware weg zelf al moeilijk genoeg. Mensen hoeven niet de hoogte in om gevaarlijk te leven: ‘bestaan als zodanig is een acrobatische prestatie, en niemand kan met zekerheid zeggen welke opleiding de voorwaarden levert die ons in staat stellen ons in deze discipline te bewijzen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De tijd komt van de verachtelijkste mens, die zichzelf niet meer verachten kan.

Friedrich Nietzsche in Aldus sprak Zarathoestra (1883-1885)

In de proloog van Friedrich Nietzsches (1844–1900) visionaire ‘roman’ over de profeet van de Übermensch heeft hoofdpersoon Zarathoestra het over ‘de laatste mens’. Daarbij gaat het over de mens die niet langer ontevreden is met zichzelf en dus ook het (platoonse) verlangen naar zelfoverstijging niet meer kent. Volgens Martha Nussbaum voorspelt Nietzsche hier dat in de toekomst ‘de herkenbare menselijkheid uit de menselijke moraal zal verdwijnen, juist doordat het platonische verlangen naar zelfoverstijging verdwijnt’, althans in de Europese burgerlijke democratie. De zelfgenoegzame burgers menen dat zij het summum van menselijke ontwikkeling zijn en streven niet meer naar verbetering. Juist dat maakt dat zij niet alleen de laatste, maar ook de laagste mensen zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat een reden om te leven wordt genoemd is tegelijk een uitstekende reden om voor te sterven.

Albert Camus in De mythe van Sisyfus (1942)

‘De filosofie kent maar één werkelijk serieus probleem: de zelfmoord.’ Dat is het beroemde of beruchte begin van De mythe van Sisyfus, waarin de Franse filosoof en roman- en toneelschrijver Albert Camus (1913–1960) de consequenties probeert te schetsen van de ervaring van het absurde.
Hij stelt vast dat niemand bereid is zijn leven te geven voor het ontologisch godsbewijs of de stelling dat de aarde om de zon draait. Maar hij moet ook erkennen dat er veel mensen sterven omdat zij de zin van het leven niet zien. Terwijl er paradoxaal genoeg anderen zijn die zich laten doden omdat zij geloven in een of ander heilig idee. Nietzsche heeft ooit gezegd dat een filosoof alleen maar achting verdient als hij zelf het voorbeeld geeft waar het gaat om de consequenties van zijn overtuigingen. Dat betekent, zo merkt Camus fijntjes op, dat het nogal ‘belangrijk’ wordt wat je als filosoof antwoordt op de vraag of het leven het al dan niet waard is te worden geleefd …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

273. Wie noem je slecht? Degene die steeds wil beschamen. 274. Wat is het meest menselijke voor jou? Iemand schaamte besparen.

Friedrich Nietzsche in Die fröhliche Wissenschaft (1955)

Nietzsche maakt onderscheid tussen de ‘kleine’ schaamte en de ‘trotse’ schaamte. De eerste soort schaamte is de macht die mensen doe vasthouden aan een slavenmoraal. Deze schaamte is in strijd met de natuurlijke, vitale krachten die de mens ertoe brengen zichzelf te overstijgen. Maar ook de ‘harde mens’ kent schaamte, maar dan trotse schaamte, die hem beschermt tegen de zwakheid. Bij de harde mens is de innerlijkheid ‘een kwestie van schaamte en iets kostbaars’ (Jenseits von Gute und Böse). Deze ‘beschermende, isolerende schaamte is een harde noodzaak, uit angst de ander door grote openheid en mildheid te beschamen’ (Van Raalten, Schaamte en existentie). Iemand die een ander beschaamt is namelijk slecht, omdat dergelijke schaamte zwak maakt en de ander in zijn eer aantast. De trotse schaamte daarentegen beschermt niet alleen tegen zwakheid, maar zet ook aan tot handelen waarmee men eer kan inleggen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wanneer de veroordeling vaststaat, is er geen vrijheid, dus geen individualiteit en daarmee is oordeelsvorming – wat de eigenlijke betekenis is van het woord kritiek – uitgesloten.

F. van Raalten in Eenzaamheid & communicatie (1982)

Voor Van Raalten is de wijsgerige antropologie ‘een verhandeling over de verhouding van de mens tot zichzelf en over de ervaringen die een mens in die verhouding met zichzelf opdoet’. Individualiteit is zelf echter het hoogste principe van onze cultuur, de ‘rechten van de mens’ bijvoorbeeld zijn vooral rechten van de mens als individu. Dat betekent dat individualiteit zelf het criterium wordt om te bepalen of we juist spreken over de verhouding van de mens tot zichzelf. Denkers die de (waarde van de) individualiteit van de mens afwijzen, zullen dus alles wat een wijsgerig antropoloog als Van Raalten zegt over eenzaamheid en communicatie bij voorbaat verwerpen. Van Raalten denkt daarbij bijvoorbeeld aan een marxist (de mens wordt bepaald door zijn positie in de samenleving) of een behaviorist (alleen gedrag is reëel), maar ook aan een positivist als Comte (alleen de natuurwetenschap levert kennis) of een naturalist als Nietzsche (de mens is een soort instrument van de wil tot macht). In al die gevallen is een gesprek eigenlijk niet meer mogelijk, omdat van te voren vast staat dat je bijdrage aan het gesprek zelf bepaald wordt door krachten waar je geen vat op hebt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zijn Excellentie Mussolini is niet alleen de Europese staatsman bij uitstek, maar van de hele wereld, en ik ben er echt trots op dat ik kon ontdekken dat iets van Nietzsche’s filosofie tot uitdrukking komt in de krachtdadigheid van deze hooggeprezen presi

Elisabeth Nietzsche

Een van de beruchtste vrouwen in de geschiedenis van de filosofie is zonder twijfel Elisabeth Nietzsche (1847-1935), de zus van Friedrich. Op haar begrafenis was de Führer zelf aanwezig, met wie ze ook correspondeerde, en die vlak voor haar dood nog een substantiële bijdrage had geschonken voor een Nietzsche-auditorium. Het denken van Nietzsche is lange tijd voor velen besmet geweest vanwege de omarming door het nazisme, iets waarvoor Elisabeth zich sterk heeft ingezet. Ze ging daarin heel ver, tot en met het ‘aanpassen’ van de ideeën van haar broer. Ook verhinderde ze lange tijd de publicatie van Nietzsches autobiografie Ecce Homo omdat het enkele voor haar ongunstige passages bevatte.
Elisabeth heeft met haar echtgenoot Bernhard Förster aan het begin gestaan van een raszuiver ‘Nueva Germania’ in Paraguay. Met veertien Duitse gezinnen begon de fascistische kolonie in 1886, maar de Germaanse pioniers hadden geen geluk met financiering, oogsten, weer en inheemse ziekten. Förster pleegt zelfmoord, en Elisabeth gaat terug naar Duitsland. Journalist Ben MacIntyre (Vergeten vaderland, 1994) treft er in de jaren negentig van de twintigste eeuw nog een klein, door inteelt bepaald restant van de oorspronkelijke idealisten.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een gedachte komt wanneer ‘hij’ wil, en niet wanneer ‘ik’ wil.

Friedrich Nietzsche in Jenseits von Gut und Böse (1886)

Er zijn ‘onschadelijke zelf-observatoren’ met als bijgeloof dat er zoiets bestaat als een ‘onmiddellijke zekerheid’, zoals ‘ik denk’ (Descartes) of ‘ik wil’ (Schopenhauer). Maar we moeten ons volgens Nietzsche (1844-1900) eindelijk eens van die ‘verleiding door woorden’ losmaken. Het is een bijgeloof, want een onjuiste voorstelling van de feiten, dat logici zeggen dat het subject ‘ik’ de voorwaarde is voor het predicaat ‘denk’. ‘Hét’ denkt en dat het daarbij om een ‘ik’ gaat, is slechts een aanname. Maar eigenlijk moet je nog een stap verder gaan, want met dat ‘het’ ben je de gebeurtenis van het denken ook al aan het uitleggen. Men denkt veel te simpel dat je vanuit de vaststelling dat denken een handeling is, moet afleiden dat er dan iets moet zijn dat handelt. Vroeger zochten natuurkundigen ook naar de ‘kracht’ in een stukje materie, een atoom. En ga maar na: waar komen je gedachten vandaan? Je bent er alleen maar verantwoordelijk voor ‘waar ze naar toe gaan’: welke woorden je ervoor kiest en of je ze uitspreekt of niet.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als ik mij afvraag waaruit ik kan opmaken of een bepaald probleem voorrang verdient boven een ander, dan luidt mijn antwoord dat wij moeten afgaan op de daden waar het ons toe aanzet.

Albert Camus in De myte van Sisyfus. Een essay over het absurde (1942)

Albert Camus (1913-1960) kende niemand die bereid was zijn leven te geven voor het ontologische godsbewijs of de vraag of de zon om de aarde draait of andersom. Hij opent zijn ‘essay’ met de stelling dat de filosofie maar ‘één werkelijk serieus probleem’ kent, namelijk de zelfmoord. De vraag naar ‘de zin van het leven’ is daarom voor hem de belangrijkste vraag van de filosofie. En er staat voor Camus ook nogal wat op het spel, want hij heeft van Nietzsche begrepen dat een filosoof uiteindelijk alleen een achtenswaardig denker is als hij zelf het goede voorbeeld geeft.
Zelfmoord kan vele redenen hebben, en we hoeven van Camus niet alleen te denken aan de voor de hand liggende, zoals het verteerd worden door verdriet. Misschien heeft een vriend van de wanhopige op de dag van de zelfmoord wel op een onverschillige toon tegen hem gesproken. In ieder geval is suïcide een bekentenis van een individu, namelijk dat hij het leven een ‘bespottelijke gewoonte’ is gaan vinden. Daarmee is een verband gelegd tussen zelfmoord en het absurde. Dat laatste omschrijft Camus onder andere als het gevoel een vreemdeling te zijn in een duister universum waar je geen enkele illusie meer rest.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top