Skip to content

Gedachten

Ik

Een organisatie is te definiëren als ‘een groep mensen verbonden door een idee’.

Jos Kessels in De jacht op een idee. Visie, strategie, filosofie (2009)

Om mensen samen te brengen heb je, volgens organisatiefilosoof Jos Kessels (1948) een idee nodig, een visie, doel of ambitie. De idee is het hart van de organisatie, ‘dat wat haar levend maakt en energie geeft’. Om ons aan een idee te verbinden moet het helder en overtuigend zijn én legitiem of rechtmatig. ‘Onheldere ideeën hebben geen kracht, onrechtmatige geen gezag.’
Volgens Kessels geldt ook voor een individueel persoon dat hij ‘een groep mensen verbonden door een idee’ is. Je bent een verzameling persoonlijkheden bijeengehouden en geïntegreerd door ‘de idee van een ik, een vermoeden van wie je eigenlijk, in wezen bent’. Als dat laatste ontbreekt, ben je geen mens uit één stuk meer of een stevige onderneming, maar een gefragmenteerd geheel. En dat maakt handelen lastig, want dan schreeuwen al die zelfbeelden of deelbelangen door elkaar. ‘Je mist samenhang, betekenis en richting.’ Op dit punt deed volgens Kessels Socrates zijn ‘heilzame en lastig te verdragen werk’ door zijn gesprekspartners te ondervragen over hun ideeën en zichzelf, naar de denkbeelden die hun handelen bepaalden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ieder ‘ik’ is de vijand en zou de tiran willen zijn van al de andere.

Pascal in Gedachten (1669)

Veel filosofen beginnen met zelfreflectie en stuiten dan op een bewustzijn dat vooronderstelling is van die zelfreflectie. Dat geldt niet alleen voor Descartes met zijn ‘ik denk dus ik ben’. Er zijn ook filosofen die beginnen met de ander of het andere, die in eerste instantie getroffen zijn door iets wat zich buiten hen bevindt of hen ‘overstijgt’. Een recent voorbeeld van dit genre is Emmanuel Levinas die een volledige filosofie van de Ander-met-hoofdletter-A heeft ontwikkeld. Daarin verwijst deze joodse denker regelmatig naar de woorden van de geniale wiskundige en christelijk filosoof Blaise Pascal (1623–1662). ‘Het ik is hatenswaard’, zegt deze laatste, en wel om twee eigenschappen. Om te beginnen is het ik op zichzelf onrechtvaardig, en wel omdat het ‘zichzelf tot middelpunt van alles maakt’, ook dus tot fundament van de filosofie, en daarmee de vijand is van alle andere ikken. Daardoor is het ten tweede ook bijzonder lastig voor anderen, juist omdat het al die andere ikken aan zich wil onderwerpen. Zo ziet Pascal niemand die ‘zich niet boven heel de rest van de wereld verheft en niet meer houdt van zijn welzijn, en van de voortduring van zijn geluk, en van zijn leven, dan van heel de rest van de wereld’. Vroeger heette dat een zonde, nu bijvoorbeeld ‘neoliberalisme’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

‘Zich-zelf goed kennen’ betekent noodlottigerwijs tegenover zichzelf het gezichtspunt innemen van iemand anders.

Jean-Paul Sartre in Het Ik is een Ding (1936)

Het ‘Mij’ blijft ons als zodanig onbekend en dat komt omdat het zich als een object aan ons toont. In dat geval is de observatie de enig mogelijk methode om het te kennen, maar ‘het is te zeer aanwezig om er een gezichtspunt tegenover in te kunnen nemen dat waarlijk van buitenaf is. Als men achteruit gaat om afstand te nemen, vergezelt het ons in dit terugwijken.’ Om te weten te komen of ik lui ben of ijverig, moet ik dat aan mensen in mijn omgeving vragen of andere feiten verzamelen en die ‘even objectief’ proberen te interpreteren ‘als wanneer het om een ander ging’. De ‘intimiteit’ staat me juist in de weg om het Mij te kennen, maar het gezichtspunt van de ander is noodzakelijkerwijs onjuist. Het Ego is oorspronkelijk ‘in één klap’ gegeven, maar met de introspectie valt het uiteen in fragmenten. ‘De intuïtie van het Ego is dan ook een eeuwig en altijd bedrieglijke luchtspiegeling, want zij geeft alles prijs en tegelijk niets.’ We kunnen dus ook nooit onszelf zijn, maar alleen onszelf worden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een gedachte komt wanneer ‘hij’ wil, en niet wanneer ‘ik’ wil.

Friedrich Nietzsche in Jenseits von Gut und Böse (1886)

Er zijn ‘onschadelijke zelf-observatoren’ met als bijgeloof dat er zoiets bestaat als een ‘onmiddellijke zekerheid’, zoals ‘ik denk’ (Descartes) of ‘ik wil’ (Schopenhauer). Maar we moeten ons volgens Nietzsche (1844-1900) eindelijk eens van die ‘verleiding door woorden’ losmaken. Het is een bijgeloof, want een onjuiste voorstelling van de feiten, dat logici zeggen dat het subject ‘ik’ de voorwaarde is voor het predicaat ‘denk’. ‘Hét’ denkt en dat het daarbij om een ‘ik’ gaat, is slechts een aanname. Maar eigenlijk moet je nog een stap verder gaan, want met dat ‘het’ ben je de gebeurtenis van het denken ook al aan het uitleggen. Men denkt veel te simpel dat je vanuit de vaststelling dat denken een handeling is, moet afleiden dat er dan iets moet zijn dat handelt. Vroeger zochten natuurkundigen ook naar de ‘kracht’ in een stukje materie, een atoom. En ga maar na: waar komen je gedachten vandaan? Je bent er alleen maar verantwoordelijk voor ‘waar ze naar toe gaan’: welke woorden je ervoor kiest en of je ze uitspreekt of niet.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top