Leven

Als niets ertoe doet, zou het er ook niet toe moeten doen dat niets ertoe doet.

Irvin D. Yalom in Existential psychotherapy

Een van de levenshoudingen die de existentieel psychotherapeut Irvin D. Yalom soms aantreft bij patiënten is een ‘kosmische visie’. Zij kijken van grote afstand naar het gedoe van de andere mensen, die ook slechts ‘broodkruimels op de rok van het universum’ zijn, en vragen zich af waarom zij zich zo druk maken om nietigheden. Bij sommige filosofen leidt dit ‘globale’ of ‘galactische’ gezichtspunt tot een pessimistische filosofie, zoals bij Arthur Schopenhauer. Hoewel ook Yalom niet gelooft in een zin van het universum, vindt hij dit gebrek aan betrokkenheid toch ook niet gezond. Hij ziet er onder andere een ‘logische inconsistentie’ in. Want als het allemaal niets uitmaakt wat je doet, maakt het ook niet uit dát het niets uitmaakt. En dus hoef je je niet uit het leven terug te trekken, maar kun je er ten volle van genieten.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

De vrije mens denkt aan niets minder dan aan de dood; zijn wijsheid bestaat niet in overdenking van de dood, maar van het leven.

Spinoza in Ethica (IV, stelling 67)

Volgens Spinoza draait het voor de enkeling en de staat maar om één ding: je bevrijden van de slavernij der emoties om tot inzicht in de vrijheid te komen. Als wij erin slagen om de slechte passies, zoals haat, zelfoverschatting én zelfonderschatting, lust, schuldgevoelens en zelfverwijt, van ons af te schudden, worden we zowel lichamelijk als geestelijk gezonder. Volgens Theun de Vries (Spinoza – Biografie, 1991) vallen deugd, levenswil en sociaal bewustzijn bij Spinoza samen in het begrip ‘vrijheid’. Niet als ‘vrije wil’ om te doen waar je zin in hebt, maar in ‘zelfherkenning’ in de noodzakelijkheid: ‘Datgene zal vrij heten, wat alleen uit noodzakelijkheid van zijn eigen natuur bestaat …’ Hoop en vrees spelen dan geen rol meer, ook niet de vrees voor de dood. En als je vervolgens probeert wijzer te worden door het leven te overdenken, kom je wat Spinoza betreft uit op het adagium: bene agere et laeteri (goed te doen en blij te zijn).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het leven is te kort om slechte koffie te drinken.

Wilhelm Schmid in Gelatenheid – Wat we winnen wanneer we ouder worden (2014, 2015)

Wie ouder wordt, kan zich hopeloos ergeren aan de eigen vergeetachtigheid of de onmisbaarheid van een leesbril. Die ergernis kan vervolgens omslaan in wanhopige vragen als: hoeveel jaren heb ik nog? De Duitse levenskunstfilosoof Wilhelm Schmid (geb. 1953) stelt daar de gelatenheid tegenover, een houding die het ouder worden draaglijker moet maken. In een klein boekje over dit thema doet hij een poging om de ‘tien stappen naar de gelatenheid’ te destilleren uit zijn eigen waarnemingen, ervaringen en overwegingen.

De vierde stap is ‘het beleven van genoegens en geluk’, en daar is het citaat uit afkomstig. Op gevorderde leeftijd kunnen met name de ‘bescheiden genoegens’ compensatie zijn voor eventuele ongemakken die met deze levensfase gepaard gaan, zoals ‘van een espresso nippen die lichaam en ziel verwarmt en de geest vleugels geeft’. Misschien moet je er niet te veel van drinken, maar gelatenheid wil zeggen dat je ‘zo’n genieting door je heen laat stromen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat geldt voor een toneelstuk, geldt ook voor het leven: het gaat er niet om hoe lang het duurt, maar hoe goed de opvoering is.

Seneca in De goede dood, geciteerd in Marja Havermans in Sterven als een stoïcijn – Filosofie bij ziekte en dood (2019)

In 2016 krijgen filosofe Marja Havermans en haar man Paul te horen dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft. Over wat dat voor hen beiden betekent, schrijft zij na zijn dood het aangrijpende boek Sterven als een stoïcijn. Behalve een liefdevol verslag van de laatste maanden van haar echtgenoot laat het ook zien hoe zij beiden (tot op zekere hoogte) baat hebben bij de stoïcijnse filosofie.

Een van hun leidsmannen is de Romeinse filosoof Lucius Annaeus Seneca (± 4 v. Chr.–65 n. Chr.). Het citaat dat zij als motto voor haar boek koos, gaat nog verder: ‘Het maakt niets uit op welk punt je stopt. Stop waar je wilt, zorg alleen voor een goede slotscène.’ Dat betekent voor Paul dat hij ervoor kiest om toch pijnlijke behandelingen te ondergaan, hoewel de kans op herstel klein is. Die verlenging van zijn leven betekent veel voor hem en zijn gezin. Dat neemt niet weg dat die laatste maanden ook een oefening zijn in sterven. Havermans krijgt een hart onder de riem van Seneca: ‘Prijs de man, spiegel je aan de man die niet met tegenzin sterft terwijl hij intussen wel graag leeft.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Sommigen weigeren de lening van het leven te aanvaarden om de schuld van de dood te vermijden.

Otto Rank in Will therapy (1930)

De existentieel psychotherapeut Irvin D. Yalom schrijft in zijn boek over doodsangst (Tegen de zon inkijken), waar hij zelf ook aan lijdt, dat sommige mensen geneigd zijn zich zo ongevoelig mogelijk te maken en niet van het leven te genieten uit angst dat ze dan te veel te verliezen hebben. Hij verwijst in dat verband naar het citaat van Otto Rank, de eerste betaalde kracht van de psychoanalytische beweging van Sigmund Freud.

Hij brengt daar een belangrijke dynamiek naar voren, namelijk die tussen ‘doodsangst’ en ‘levensangst’. Elk mens streeft ernaar zichzelf te ontwikkelen, uit te groeien tot een individu dat zijn of haar potentieel kan verwezenlijken. Maar dit brengt ook nieuwe ‘levenszorgen’ met zich mee. Want wie vrij is, is ook verantwoordelijk voor wat hij of zij doet. En wie vrij is en zelf zin aan het leven moet geven, is daarin ten diepste eenzaam. Om met deze levensangst om te gaan, zoeken mensen troost in versmelting met een ander. Maar de dreiging die ander te verliezen, kan weer doodsangst oproepen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Richt je leven zo in, dat je er volmondig ja tegen kunt zeggen

Wilhelm Schmid in Filosofie van de levenskunst – Inleiding in het mooie leven (2000, 2001)

Volgens Schmid is dit de ‘existentiële imperatief’, het gebod van de levenskunst. Daarmee zet je elke stap in je leven in het perspectief van je totale bestaan. ‘Existentieel’ betekent in dit verband ook dat je dit gebod alleen zelf en voor jezelf van kracht kunt laten zijn.

De oorspronkelijke uitspraak luidt: ‘Gestalte dein Leben so, das es bejahenswert ist.’ In de Nederlandse vertaling gaan wel wat bijkomende betekenissen verloren (hoewel dat vrijwel onvermijdelijk is). Gestalten kun je ook vertalen als ‘vormgeven’, en dat woord sluit wat beter aan bij het woord levens-kunst. Volgens het woordenboek betekent bejahen (behalve ‘bevestigend antwoorden’) ‘positief staan tegenover’ of ‘aanvaarden’. De Nederlandse uitdrukking ‘volmondig ja … zeggen’ gaat een stapje verder dan de bron. Wat Schmid bedoelt, is dat je je leven zo moet vormgeven dat het de moeite waard is om er positief tegenover te staan.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Beschouw elke dag als een leven op zichzelf.

Seneca in Epistulae, ep. 101, par. 10

Volgens Seneca heeft het geen enkele zin om plannen te maken, want ‘elke dag en elk uur openbaart ons dat we niets voorstellen’. Hij geeft het voorbeeld van Cornelius Senecio, een voornaam en kundig Romeins edelman. Hij was rijk aan het worden, maar leefde eenvoudig en lette op zijn gezondheid. Op zekere dag had hij urenlang, tot laat in de avond, aan het bed gezeten van een vriend die ernstig ziek was. Na wat gegeten te hebben kreeg hij echter een zware aanval van angina, die hem noodlottig werd. Dus nadat hij ‘alle plichten van een deugdzaam en gezond mens had volbracht’, zegt Seneca, ‘stierf hij’. Dat betekent, schrijft hij aan Lucilius, dat het dwaas is om van alles van tevoren te plannen, want ‘we zijn niet eens de eigenaar van de dag van morgen’. Daarom moeten we volgens hem elke dag als een leven op zichzelf zien. Als je je aldus voorbereidt op wat komen gaat en zorgt dat je dagelijks leven telkens een afgerond geheel is, vind je gemoedsrust.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je kunt het leven niet op het spel zetten als een dobbelsteen die je weer opgooit.

Antiphon

Antiphon geldt wel als de eerste psychotherapeut, omdat van hem wordt gezegd dat hij een schild op zijn huis liet aanbrengen waarop hij claimde dat hij ‘gekwelden’ met woorden kon genezen. Er is niet bekend hoe hij dat precies deed, maar uit de enkele fragmenten van zijn geschriften die bewaard zijn gebleven, blijkt wel zijn wijsheid en psychologisch inzicht. Zo stelt hij vast dat er mensen zijn ‘die niet hun eigen leven leiden’, maar bij wie het is alsof zij zich met veel geestdrift voorbereiden op een ander leven, waarvan niet duidelijk is welk leven dan wel. Terwijl ze dat doen, zegt Antiphon, gaat de tijd verder en is hun huidige leven voorbij. Misschien moeten we de voorstanders van ‘een leven lang leren’ af en toe vragen: waarvoor eigenlijk?

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Het besef dat al onze ervaringen gedoemd zijn verloren te raken is de aangewezen manier om het leven naar waarde te schatten, mededogen met anderen te voelen en diepe liefde te koesteren.

Irvin D. Yalom in Tegen de zon inkijken (2008)

Mede door zijn studie van de filosofie komt de psychiater en existentieel psychotherapeut Irvin D. Yalom tot de conclusie dat ieder mens zijn houding moet bepalen ten opzichte van vier fundamentele ‘levenszorgen’: sterfelijkheid, vrijheid/verantwoordelijkheid, isolement en zinloosheid. Zelf heeft Yalom het meest last van doodsangst. Op latere leeftijd verzamelt hij in Tegen de zon inkijken (2008) alle manieren die hij in de loop der jaren heeft gebruikt om die te bezweren.

Uiteindelijk meent hij dat het besef dat we sterfelijk zijn weliswaar zeer beangstigend kan zijn, maar dat we dat besef juist niet moeten onderdrukken. Door dat besef kunnen we ‘die duisternis met onze levensvonk laten versmelten, en het zal ons leven zo lang we dat nog hebben alleen maar krachtiger maken’. Onder meer in de steungroepen van terminale patiënten, die hij jarenlang begeleidde, heeft hij ervaren dat mensen nog laat in hun leven aanzienlijke positieve veranderen kunnen doormaken. ‘Het is nooit te laat. Je bent nooit te oud.’

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Niemand geeft aan anderen zijn geld weg, iedereen doet dat wel met zijn tijd en zijn leven.

Michel de Montaigne in De hele wereld speelt komedie (2001)

De maatschappij wil het liefst dat je je met hart en ziel inzet voor een relevante beroepsopleiding en daarna voor je werk of je werkgever. Kasteelheer Michel de Montaigne vond al in de zestiende eeuw dat we juist in eerste instantie onze talenten moesten ontwikkelen voor ons eigen leven: ‘Bij jezelf ligt werk genoeg, zoek het niet verder weg.’ En hij was ook niet gevoelig voor een beroep op het ‘algemeen belang’: ‘De meeste regels en voorschriften in deze wereld verdrijven ons uit onszelf en jagen ons voor het nut van het algemeen de marktplaats op.’ En zo gebruiken we onze talenten niet voor onszelf maar voor degenen aan wie wij ons ‘onderwerpen’. Vooral ‘hoofdarbeiders’ hebben het moeilijk, want hun geest gaat tijdens het werken voor een ander al gauw creatief en enthousiast met hen op de loop. Als je dan toch moet werken, kun je de dingen daarom, aldus Montaigne, maar beter zonder hartstocht doen.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

In het leven krijg je eerst je toets en dan je les.

Estelle Cruijff in gesprek met Veronica Magazine (2018)

Er zijn mensen die zeggen dat Johan Cruijff (1947-2016) de grootste Nederlandse filosoof van de twintigste eeuw was. In 2004 gaf Pieter Winsemius een overzicht van Cruijffs ideeën over leiderschap onder de titel Je gaat het pas zien als je het doorhebt. Misschien dat er in de familie Cruijff een filosofie-gen wordt overgedragen, want de dochter van de broer van de grote voetballer, Estelle (1978), beschikt ook over de nodige levenswijsheid. Estelle geniet de status van ‘socialite’, die onder meer bekend werd door haar relaties met voetballer Ruud Gullit en kickbokser Badr Hari.

In een interview met Veronica Magazine geeft Estelle Cruijff aan wijzer te zijn geworden door ‘alle ellende’ die ze heeft meegemaakt. Volgens haar is niets vanzelfsprekend. ‘Als je jong bent, weet je nog niet zo veel. Ik zeg altijd: op school krijg je eerst les en dan je toets. In het leven krijg je eerst je toets en dan je les. Als je iets nog nooit hebt meegemaakt, weet je niet hoe het voelt.’

In een eerder vraaggesprek met LINDA reflecteerde Cruijff op haar leven na de scheiding van Gullit, toen ze voortdurend achtervolgd werd door de pers en verscheurd werd door de volgende paradox: ‘Ik kon natuurlijk gewoon overal naar toe, maar ik was toch nergens vrij.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zin maakt vele dingen draaglijk, misschien wel alles.

C.G. Jung in Erinnerungen, Träume, Gedanken (1962)

Anders dan veel tijdgenoten, waaronder Freud, wil de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung (1875-1961) niet dat de overgeleverde Bijbelse en christelijke mythen worden ontmythologiseerd, waardoor ze niet langer van waarde zijn voor onze ervaring en onze taal. Van hem moeten we een mythe zien als iets wat de mens wordt ‘aangeboden’ om zich bewust te worden van de zinvolheid van zijn leven.

Voor Jung verhindert het gevoel van zinloosheid ons het leven ten volle te leven – en daarom is het wat hem betreft een ziekte. Als het ons aan zin ontbreekt, kunnen we veel minder verdragen van wat het leven voor ons in petto heeft. Om die zin te ervaren hebben we dus mythen nodig. Niet omdat God een mythe is, maar omdat de mythe de openbaring is van een goddelijk leven in de mens.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Leven met je passies komt neer op leven met je pijn.

Albert Camus in Notebooks 1942–1952

Dit is de eerste zin van een van de favoriete passages van Bobby Kennedy, die zich op het werk van Albert Camus (1913-1960) stortte na de moord op zijn broer John F. in 1963. Toen hij vijf jaar later zelf werd neergeschoten had hij volgens Jack Newfield (Robert Kennedy: A Memoir) inmiddels alle essays, toneelstukken en romans van Camus gelezen én herlezen. ‘Hij leerde hem uit zijn hoofd, mediteerde over hem, citeerde hem en veranderde door hem.’ De aantekening van Camus gaat verder met een zin die een belofte inhoudt voor wie zich erop toelegt een ‘opstandige mens’ te worden in een ‘absurd universum’: ‘Als een mens geleerd heeft – en niet alleen op papier – hoe hij zijn lijden alleen weet te dragen, hoe hij zijn neiging om te vluchten overwint, dan hoeft hij niet veel meer te leren.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Tussen het onmiddellijke ervaren, het duister van het geleefde ogenblik, en daarnaast de beleefde ervaring, gaapt een kloof die ons verlangen voedt ooit wel geheel met het geleefde moment samen te vallen.

Ernst Bloch in Geist der Utopie (1918)

De Duitse filosoof Ernst (Simon) Bloch (1885–1977) is vooral bekend geworden door zijn driedelige hoofdwerk over de hoop (Das Prinzip Hoffnung, 1954-1959). Maar al in zijn eerste boek, waaruit het citaat afkomstig is, onderzoekt hij de ‘geest van de utopie’. Daarbij gaat hij uit van het inzicht dat er twee manieren van ervaren zijn: de onmiddellijke ervaring van het leven dat maar doordrijft en onze ervaring van het reflecteren daarop. Tussen deze twee manieren van ervaren gaapt een kloof. Bij dat ‘duister van het geleefde ogenblik’ kan het denken per definitie niet komen – dat kan alleen de kunst en misschien een ‘uiterste aan filosofisch lyrisme’. Maar de ervaring van die kloof doet ons wél streven naar het samenvallen van zijn en denken.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zodra er leven is, is er gevaar.

Madame de Staël in De l’Allemagne (1810)

Er wordt weleens geklaagd dat er zo weinig vrouwelijke denkers van naam zijn. En als er dan eens eentje is, loopt ze ook nog eens het gevaar dat een van haar wijze uitspraken aan een man word toegewezen. Het overkwam Anne-Louise Germaine Necker, barones van Staël-Holstein (1766-1817), de Frans-Zwitserse romanschrijfster en essayiste die bekend werd onder de naam Madame de Staël. Op internet wordt de uitspraak aan de voorkant toegeschreven aan Ralph Waldo Emerson, die in zijn Society and Solitude (1870) toch keurig een noot met verwijzing naar Madame had toegevoegd.
Emerson heeft het in zijn preek bij Romeinen 14:12 over Paulus’ uitspraak dat ieder van ons zich tegenover God moet verantwoorden. Hij verzucht dat bij allen die God de gave van de intelligentie en het vermogen om gelukkig te worden heeft verleend, een zwerm engelen van het kwaad komt aanvliegen om hem met verleidingen op het verkeerde pad te brengen. Dès qu’il y a vie, il y a danger wordt As soon as there is life there is danger.
Overigens gebruikt Joseph Ledoux dit ook door hem aan Emerson toegeschreven motto in zijn boek Angstig (2017) om aan te geven dat waar leven is, angst is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er waart een spook door de westerse wereld – het spook van de religie.

Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen (2009)

Met deze zin begint het magistrale boek van de Duitse cultuurfilosoof en romanschrijver Peter Sloterdijk (1947). Het is een directe verwijzing naar de openingszin van Het communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich Engels uit 1848. Overigens zagen die natuurlijk een ander spook rondwaren: het communisme. Maar anders dan het communisme, dat nieuw was, is het huidige spook van de religie er een dat steeds weer opnieuw opduikt. En de teruggekeerde religie wordt door ‘machthebbers van het oude Europa’ feestelijk verwelkomd met een ‘pompeus’ feest waar uiteenlopende gasten bijeenkomen, van de paus tot islamitische geleerden, Amerikaanse presidenten en Kremlinkrijgsheren, en zelfs Duitse sociologen (een sneer naar Habermas). Het enige wat het feest verstoort, is het ‘zomeroffensief van de goddelozen van 2007’, ‘waaraan we twee van de oppervlakkigste pamfletten van de recente geestesgeschiedenis te danken hebben, namelijk van Christopher Hitchens en van Richard Dawkins’.
Zelf pleit Sloterdijk niet voor een terugkeer van de oude religie maar voor een ‘antropotechnische wending’. Met een eigenzinnig beroep op filosofen als Nietzsche, Wittgenstein en Foucault stelt Sloterdijk dat de mens allereerst een wezen is dat geen genoegen neemt met het leven zoals het gegeven is. Mensen zijn voortdurend bezig om hun leven te veranderen, en dat ‘moet’ ook, maar ze kunnen dat niet alleen. Ze hebben elkaar en ‘antropotechnieken’ nodig: rituelen, technieken, oefening, training enzovoort.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik wil … dat de dood mij aantreft terwijl ik kool plant …

Michel de Montaigne in Op dood of leven (1995)

Volgens de Franse ‘uitvinder van het essay’ Michel de Montaigne (1533–1592) is de dood wel het einde, maar niet het doel-einde van het leven. ‘Het is de afloop, de afsluiting van het leven, maar niet dat waar het naar streeft. Het leven moet op zichzelf gericht zijn, zichzelf tot doel hebben’ (Ik ben nogal klein van stuk, 1997). Het besef van je eindigheid betekent voor hem dan ook niet dat je achter de geraniums moet gaan zitten wachten op de dood. Hij pleit ervoor bezig te zijn en bezig te blijven, ook in het licht van dit nakende einde, ‘en onze taken in het leven zo lang mogelijk te blijven doen’, zoals werken in je moestuin. We moeten ons daarom niet om de dood bekommeren ‘en nog minder om het feit dat mijn plantjes nog niet staan’. Het komt er op aan dat werken in je tuin met je volle aandacht (‘mindfulness’ avant la lettre) en zorgvuldig te doen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wie de mensen leert te sterven, leert ze te leven.

Michel de Montaigne in de Essays (1595)

Het citaat van de Franse filosoof Montaigne (1533–1592) is het motto van het boek dat hoogleraar filosofie, onder andere in Tilburg, Simon Critchley (1960) samenstelde onder de titel Over mijn lijk – Wat filosofen en hun dood ons leren (2008, 2011). Juist omdat we kunnen leren te leven wanneer we weten hoe te sterven, schrijft Montaigne even daarvoor: ‘Als ik een boekenschrijver zou zijn, zou ik een lijst aanleggen, voorzien van commentaar, van de verschillende manieren waarop mensen gestorven zijn.’ Critchley heeft die handschoen opgepakt en bespreekt in kort bestek zo’n 190 dode filosofen.
Dat hij juist voor filosofen kiest, is niet zo gek als je bedenkt dat velen van hen de wijsbegeerte in verband hebben gebracht met het (leren te) sterven. Zo zegt Socrates in de dialoog Phaedo van Plato dat ‘de ware filosoof sterven als beroep heeft’.
Als we Montaigne mogen geloven, heeft iemand die geleerd heeft om te sterven, afgeleerd om slaaf te zijn. Dat betekent dat je instellen op de dood ‘niets minder is dan je instellen op de vrijheid’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

‘Ik wou dat ik trouw had durven blijven aan mijzelf, in plaats van te leven zoals anderen van mij verwachtten.’

Bronnie Ware in The top 5 regrets of the dying (2009)

De zogenaamde ‘sterfbedtest van Aristoteles’ is gebaseerd op een citaat uit de Retorica van de Griekse filosoof. Daarin stelt hij: ‘Al wat men eerder kan bezitten na zijn dood dan gedurende zijn leven is edel, want dat laatste heeft meer weg van het eigen belang.’ Tegenwoordig wordt dit door Stephen Covey en andere managementgoeroes wel als uitgangspunt genomen voor de reflectie op wat er werkelijk toe doet in je leven: Vraag je af wie je graag wilt dat er op je begrafenis spreekt, en wat die daar en dan over je zegt.

Van de Australische verpleegkundige Bronnie Ware, die lange tijd in de palliatieve zorg werkte, kunnen we leren waar mensen het vaakst spijt van hebben als ze daadwerkelijk op sterven liggen. Het citaat over trouw blijven aan jezelf staat nummer één op die lijst. De andere dingen die mensen achteraf berouwen zijn, in volgorde van belangrijkheid:
2. Ik wou dat ik niet zo hard gewerkt had.
3. Ik wou dat ik mijn gevoelens had durven uiten.
4. Ik wou dat ik contact had gehouden met mijn vrienden.
5. Ik wou dat ik mezelf had toegestaan gelukkiger te zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als je onder eeuwigheid niet oneindige tijdsduur, maar ontijdelijkheid verstaat, dan leeft hij eeuwig die in het heden leeft.

Ludwig Wittgenstein in Tractatus Logico-Philosophicus (1922, 1998, 6.4311)

Vlak voordat hij in paragraaf 7 zal zeggen dat je moet zwijgen over de dingen waarover je niets kunt zeggen, houdt Wittgenstein zich in de Tractatus bezig met de dingen die er werkelijk toe doen: ethiek, leven en dood, en God. Zo beweert hij dat de dood geen gebeurtenis in het leven is, dat wij de dood niet ervaren. Ons leven heeft geen einde, op dezelfde wijze als waarop we de grenzen van ons gezichtsveld niet zien.
Maar met de constatering dat wie eeuwig wil leven, in het heden moet leven, zijn we er nog niet. Er bestaat immers geen enkele garantie voor de onsterfelijkheid of het eeuwig overleven van de menselijke ziel na de dood. Maar het aannemen van een onsterfelijke ziel lost het raadsel ook helemaal niet op. Het eeuwige leven zelf is net zo’n groot raadsel als ons huidige leven. ‘De oplossing voor het raadsel van het leven in ruimte en tijd ligt buiten ruimte en tijd.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Terwijl wij redeneren over het leven, is het leven voorbij; en ook al kijken ze er verschillend tegenaan, de dood behandelt de dwaas en de filosoof op dezelfde manier.

David Hume, ‘The Sceptic’ (1742), in Selected essays (1993)

Volgens de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) hoeven we weinig van de filosofie te verwachten als het gaat om ons streven naar geluk. Want ‘als we nadenken over de korte duur en de onzekerheid van ons leven, hoe verachtelijk lijkt dan al ons streven naar geluk’. In feite wordt het menselijk leven meer bepaald door ‘fortuin’ of mazzel, dan door de rede. Het is eerder een ‘saai tijdverdrijf dan een serieuze bezigheid’, en wordt eerder bepaald ‘door een specifiek humeur dan door algemene principes’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De voornaamste oorzaak van de huidige problemen is ons gebrek aan kennis over kennis.

Humberto R. Maturana en Francisco J. Varela in De boom der kennis (1989)

Hun onderzoek naar de biologische grondslagen van kennis is voor de Chileense biologen Humberto R. Maturana (1928) en Francisco J. Varela (1946–2001) aanleiding om te pleiten voor een ‘paradigmaverandering’ in de biologie en de epistemologie. Als je er goed over nadenkt, menen zij, getuigt ieder levend systeem dat in leven blijft van een diepgaande kennis: ‘leven is weten.’ Als wetenschapper of denkend mens moeten wij ons ervan bewust zijn dat alles wat wij vervolgens zeggen over die kennis van planten, dieren en mensen, in een metadomein plaatsvindt ten opzichte van het domein waarin alle leven doorleeft, ook wij. In dat metadomein van de kennis over de kennis ontdekken we onze verantwoordelijkheid voor al onze handelingen. ‘Het is niet de wetenschap dat een bom dodelijk is die bepaalt of we hem al dan niet gebruiken, maar wat we ermee willen bereiken.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als we ons beschermen … tegen een te intens of te snel leven … voelens we ons schuldig vanwege het ongebruikte leven, het ongeleefde leven in ons.

Otto Rank in Will therapy (1929-1931)

Gewoonlijk voelen we ons schuldig als we iets hebben gedaan wat een ander schaadt, of daarover hebben gefantaseerd. Maar volgens de Oostenrijkse psychoanalyticus-van-het-eerste-uur Otto Rank (1884–1939) is er nog een andere bron van schuldgevoelens: jezelf schade aandoen, doordat je er niet in slaagt het leven te leven dat je is toebedeeld. Volgens Rank kiest iemand voor de ‘neurotische levensstijl’ om te ontsnappen aan doodsangst. De neuroticus weigert ‘de lening van het leven’ om ‘de schuld van de dood’ niet te hoeven betalen. Door de doodsangst te onderdrukken, ga je echter niet alleen van binnen al een beetje dood, maar word je geplaagd door wat Yalom ‘existentiële schuld’ noemt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Tijd is leven.

Thich Nhat Hanh in Stilte – Luisteren in een wereld vol lawaai (2015)

Toen de van oorsprong Vietnamese boeddhist Thich Nhat Hanh (1926) tot novice was gewijd, moest hij vele korte verzen uit zijn hoofd leren. Het eerste vers dat hij leerde, ging als volgt:
‘Ik word wakker en glimlach,
24 gloednieuwe uren liggen voor me.
Ik neem me voor ieder moment volledig te leven
en alles wat is met mededogen te bekijken.’
Volgens Thich Nhat Hanh zijn dit soort verzen zeer geschikt als hulpmiddel bij de beoefening van mindfulness. Bij de eerste regel adem je in, bij de tweede uit, bij de derde weer in enzovoort. Inhoudelijk richt het vers je aandacht ‘op de heilige dimensie van datgene waarmee je bezig bent’.
Veel mensen gunnen zichzelf dit soort ‘luxe’ bezigheden niet, want immers: ‘tijd is geld.’ Voor Thich Nhat Hanh is tijd echter veel meer dan dat: ‘Tijd is leven.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er bestaat geen gelovige houding op zich.

Paul Tillich in Religionsphilosophie (1959)

De gedachte dat er zoiets zou bestaan als een gelovige houding of handelwijze of gelovig gedrag (Verhalten) op zichzelf, komt volgens de Duits-Amerikaanse lutherse predikant en hoogleraar theologie en filosofie Paul Tillich (1886-1965) voort uit drie misverstanden over geloven. De intellectualistische misvatting is dat geloven neerkomt op het instemmen met de overgeleverde en door de Kerk gedefinieerde geloofswaarheid. Atheïsten denken daarom dat ze klaar zijn als ze die laatste licht belachelijk hebben gemaakt. Omdat die geloofswaarheid inderdaad niet te bewijzen is, rest de gelovige niets anders dan de voluntaristische misvatting aan te gaan hangen, dat geloven een kwestie is van gehoorzaamheid (‘gij zult niet twijfelen’). Als de instanties die men moet gehoorzamen vervolgens ‘alles doen wat God verboden heeft’ (van zelfverrijking tot kindermisbruik) lopen de kerken leeg, en rest de gelovige niets dan de emotionalistische misvatting dat geloven een ‘gevoel’ is (dat er meer is tussen hemel en aarde).
Om te komen tot een beter begrip van geloven, maakt Tillich onderscheid tussen voorlopige bekommernissen (concerns) en de onvoorwaardelijke bekommernis. De eersten zijn die van alle publieke domeinen van onze cultuur, zoals rechtspraak, onderwijs en economie. Daar worden geschillen uitgevochten, daar wordt les gegeven, daar wordt voor onze behoeften gezorgd. Maar in al die voorlopige bekommernissen gaat het, als het goed is, ook steeds om het onvoorwaardelijke: rechtvaardigheid, opvoeding, leven. Wie het goede doet, gelooft (blijkbaar).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Leven is uiteindelijk zwichten …

Cornelis Verhoeven in De resten van het vaderschap (1975)

Toen Cornelis Verhoeven (1928–2001) nog ‘gewoon’ leraar klassieke talen was, had hij al de P.C. Hooftprijs gekregen voor zijn filosofische essays (in 1978). Uiteindelijk werd hij toch nog hoogleraar wijsbegeerte, aan de Universiteit van Amsterdam. In de bundel overpeinzingen waaruit het citaat afkomstig is, staan twee bijzonder persoonlijke stukken: over de dood van zijn vader en over de geboorte van zijn zoon. Misschien dat Verhoeven daarom in een stemming was die hem tot een bijna lyrische ‘verantwoording’ bracht, die begint met de woorden: ‘Pogingen om nuchter te blijven zijn tot mislukken gedoemd.’ Waar wij in ons leven, ‘lang voor dood en ouderdom’ uiteindelijk voor ‘zwichten’, is de ‘lyrische meerwaarde van het bestaan’. Het gaat daarbij niet om de buitengewone creativiteit die aan een enkeling is voorbehouden of om een of ander ‘opgewonden idealisme’, maar om ‘een gegeven dat zich in de lauwe soberheid van een gewoon en ten dode opgeschreven bestaan met onweerstaanbare kracht aandient’. Die ‘lyrische meerwaarde’ ervaart hij bijvoorbeeld aan de wieg van zijn kind: ‘Bij het zien van een wonder praten we niet, maar zeggen we: kijk.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Laten we trachten de fundamentele dubbelzinnigheid van ons bestaan bewust te aanvaarden.

Simone de Beauvoir in Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid – Ontwerp van een existentialistische ethiek (1947, 1958)

Net als haar ‘levensgezel’ Jean-Paul Sartre was Simone-Lucie-Ernestine-Marie Bertrand (Simone) de Beauvoir (1908–1986) niet alleen schrijfster van romans en toneel, maar ook een vooraanstaand filosofe. Haar denken karakteriseerde ook zij als ‘existentialisme’. Haar pleidooi voor een moraal van de dubbelzinnigheid gaat uit van de ‘tragische ambivalentie’ van ons bestaan, die zij uitgedrukt ziet in een citaat van Montaigne: ‘Ons leven is een voortdurend bouwen aan de dood.’ Dieren en planten ondergaan dit slechts, maar de mens is zich hiervan bewust, en daarmee ‘dringt een nieuwe paradox haar bestaan binnen’. Want met dit besef ‘verheft’ de mens zich boven haar natuurlijke staat, maar zij kan zich daar niet aan onttrekken. We zijn ons bewust van de wereld, maar maken daar ook deel van uit.
De geschiedenis van de filosofie is één lange poging om deze dubbelzinnigheid op te heffen, door de geest te reduceren tot de materie of andersom. Het heeft de mens echter niet geholpen, en De Beauvoir ziet dat haar tijdgenoten zich ‘pijnlijker dan ooit’ bewust zijn van de paradox van ons bestaan. Zij pleit er daarom voor die dubbelzinnigheid als uitgangspunt te nemen en daaraan de kracht en de motieven te ontlenen om het leven aan te gaan.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De ontwikkeling van het verstand leidt tot uitdroging van het leven, dat op zijn beurt het verstand weer heeft ingekrompen.

Georges Bataille in De innerlijke ervaring (1943)

Voor de meeste filosofen staat de ervaring in de dienst van het opdoen van kennis. Voor empiristen is de ervaring de bron van al ons weten, voor rationalisten worden onze ervaringen bepaald door de categorieën van de rede. Voor de Franse schrijver, filosoof en dichter Georges Albert Maurice Victor Bataille (1897–1962) staat het denken de ervaring juist in de weg. In wat hij ‘de innerlijke ervaring’ (l’expérience intérieure) noemt, gaat het om een versmelting van object en subject, waarbij het subject ‘niet-weten’ is en het object het onbekende. Deze innerlijke ervaring doet zich het duidelijkst voor op de momenten dat die ‘tot het uiterste’ gaat, en voor Bataille is dat met name het geval in de mystiek, de erotiek en het sterven of het aanschouwen van de dood. Het paradoxale van Batailles pogingen om in een filosofisch essay de ontoereikendheid van het filosofisch denken ter sprake te brengen, is ook zichtbaar (of soms alleen voelbaar) in het werk van filosofen die sterk door hem zijn beïnvloed, zoals Foucault, Derrida en Baudrillard. Bij deze laatsten ontbreekt overigens het fundamentele belang van de ander in de communicatie. Daar blijkt dat iedereen op zoek is naar iemand ‘die woorden vergeet opdat je met hem praten kunt’ (Zhuangzi).
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat een reden om te leven wordt genoemd is tegelijk een uitstekende reden om voor te sterven.

Albert Camus in De mythe van Sisyfus (1942)

‘De filosofie kent maar één werkelijk serieus probleem: de zelfmoord.’ Dat is het beroemde of beruchte begin van De mythe van Sisyfus, waarin de Franse filosoof en roman- en toneelschrijver Albert Camus (1913–1960) de consequenties probeert te schetsen van de ervaring van het absurde.
Hij stelt vast dat niemand bereid is zijn leven te geven voor het ontologisch godsbewijs of de stelling dat de aarde om de zon draait. Maar hij moet ook erkennen dat er veel mensen sterven omdat zij de zin van het leven niet zien. Terwijl er paradoxaal genoeg anderen zijn die zich laten doden omdat zij geloven in een of ander heilig idee. Nietzsche heeft ooit gezegd dat een filosoof alleen maar achting verdient als hij zelf het voorbeeld geeft waar het gaat om de consequenties van zijn overtuigingen. Dat betekent, zo merkt Camus fijntjes op, dat het nogal ‘belangrijk’ wordt wat je als filosoof antwoordt op de vraag of het leven het al dan niet waard is te worden geleefd …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Van alle belachelijke dingen komt me als het allerbelachelijkste voor het druk te hebben in de wereld, een rappe eter te zijn en een rappe werker.

Søren Kierkegaard in Of/of – Een levensfragment uitgegeven door Victor Eremita (1843, 2000)

Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813–1855) staat erom bekend dat hij graag een spel speelde met pseudoniemen, en zijn officiële debuut Of/of is daarvan een fraai voorbeeld. Het boek is samengesteld door ‘uitgever’ Victor Eremita, wat te vertalen is als de ‘overwinnende kluizenaar’, waarbij bedoeld is dat hij door zijn eenzaamheid gewonnen heeft. Deze uitgever vertelt in een voorwoord dat hij de teksten die de rest van het boek uitmaken, aangetroffen heeft in een antiquarische secretaire die hij jaren eerder op de kop had getikt. Volgens Victor Eremita zijn de teksten geschreven door twee verschillende personen, die hij aanduidt met A en B. Het boek begint vervolgens met een aantal korte beschouwingen en aforismen, ‘tussenpsalmen’ genoemd, waarvan later kon worden vastgesteld dat ze overeenkwamen met dagboekteksten van Kierkegaard zelf.

In het stukje over de belachelijkheid van het druk-zijn, vertelt de auteur dat hij altijd moet ‘schudden van het lachen’ als hij ziet dat er op de neus van zo’n ‘bedrijvig man’ een vlieg gaat zitten of als hij wordt ‘natgespat door een rijtuig dat hem in nog grotere haast passeert’. Hij vergelijkt de druktemakers met die vrouw die toen haar huis in brand stond in alle consternatie alleen de ‘haardtang’ redde. ‘Wat redden die lieden eigenlijk meer uit de grote brand des levens?’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media