Religie

De filosofie mag de verscheidenheid van de wereld niet veronachtzamen – de elfen dansen, en Christus is aan het kruis genageld.

A.N. Whitehead in Process and Reality (1927-1928)

In zijn ‘speculatief filosofische’ werk over ‘proces en werkelijkheid’ stelt de Brits-Amerikaanse filosoof, natuurkundige en wiskundige Alfred North Whitehead (1861–1947) dat het grootste gevaar dat de filosofie bedreigt de beperktheid van de keuze voor bewijsgronden is. Als we niet oppassen zijn denkbeelden gebaseerd op gegevens die arbitrair bepaald zijn door het temperament van de individuele denkers, de kleinsteedsheid van de sociale groep waartoe ze behoren of de beperkingen van hun denkschema.

Als je kijkt naar de grote culturele verworvenheden in de geschiedenis van plaatsen en tijdperken, van het Romeinse Rijk tot het moderne Parijs of New York, is natuurlijk op elk van die stappen in de beschaving van de mensheid velerlei kritiek mogelijk. Maar als je ze louter minacht, betekent dat dat je blind bent voor de grootsheid van bepaalde elementen daarvan die onze bewondering verdienen. ‘Er is grootsheid te vinden in de levens van degenen die religieuze stelsels stichten … en dat van de rebellen die ze vernietigen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wanneer je religie ziet als iets levends … dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels.

Frans Kellendonk in zijn dagboek, 30 mei 1986 (verschenen in De Revisor)

Tegenwoordig wordt Mystiek lichaam van Frans Kellendonk beschouwd als een hoogtepunt in de naoorlogse literatuur, maar na het verschijnen was de ‘bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers … ongelooflijk’. In Vrij Nederland, de Volkskrant, NRC Handelsblad verschenen beschuldigingen van antisemitisme en homohaat. En zelfs Koot en Bie lieten zich horen. Dat Kellendonk zich verdedigde in een interview in Vrij Nederland werd als een teken van zwakte opgevat.

In zijn dagboek verzucht Kellendonk dat hij blijkbaar een aantal kwesties heeft aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. In de Nederlandse literatuur was men gewend aan ‘afrekeningen’ met het godsdienstige verleden van schrijvers als Maarten ’t Hart, Jan Wolkers en Maarten Biesheuvel. Maar nu was er een schrijver die het had over religie als ‘iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten’. ‘Blijf van mijn lijf’, roept Kellendonk uit.

Uiteindelijk kreeg hij voor het boek de Ferdinand Bordewijk Prijs en werd hij genomineerd voor de AKO Literatuurprijs, maar door de ‘hevige beroering’ was Kellendonks gemoed wel ‘wat wankel geworden’. Enkele jaren later overleed hij, net 39 geworden, aan aids.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Laat mij ’m op zijn bek slaan, de eerstvolgende die zegt: alles gebeurt met een reden.

Emily McDowell, ‘empathy card’ (https://emilymcdowell.com/collections/empathy-cards)

Hoewel haar omgeving denkt dat ze de ‘achterlijke religie’ achter zich hebben gelaten, ontdekt Emily McDowell dat dat helemaal niet zo is. Als zij 24 jaar is, krijgt ze kanker en ligt maanden in het ziekenhuis, waarin ze talloze ‘goedbedoelde’ kaarten kreeg van familie en vrienden. De meeste vond ze volstrekt misplaatst. Ze beseft dat mensen geen idee hebben wat ze moeten zeggen tegen iemand die pijn heeft en misschien wel gaat sterven. Behalve ‘alles gebeurt met een reden’ kreeg ze ook kaarten met ‘je bent nu in Gods handen’, of dat citaat van Nietzsche: ‘Alles wat mij niet doodt, maakt mij sterker.’

Na haar genezing besloot ze andere kaarten te gaan maken om aan ernstig zieke of terminale mensen te sturen. Ze noemt ze ‘empathiekaarten’, met teksten als: ‘Als dit Gods plan is, dan is God een beroerde planner.’ En: ‘Laten we samen een medicijn zoeken tegen de zin: Alles wat mij niet doodt, maakt mij sterker.’ Misschien nog wel de meest empathische van allemaal is: ‘Hier is geen goede kaart voor. Het spijt me heel erg.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

We leven in een tijd die zichzelf ziet als overtuigingsloos.

Gerko Tempelman in Ongeneeslijk religieus (2018)

De ondertitel van het boek van filosoof en theoloog Gerko Tempelman is lastig weer te geven, omdat hij hierin een grapje uithaalt wat postmodernisten wel vaker doen: de doorhaling. In het lettertype van de rest van de omslag staat er: ‘Hoe God verdween uit onze wereld en waarom steeds meer filosofen zeggen dat-ie terug is.’ Vervolgens is ‘onze wereld’ als het ware met potlood doorgestreept en staat daarboven: ‘mijn leven.’ En beide lezingen dekken de lading. Het is een zeer persoonlijk verslag van zijn gelovige jeugd, zijn twijfels, maar ook zijn lezing van postmoderne denkers als Derrida en Caputo, die hij aardig toegankelijk weet te maken.

Het citaat is afkomstig uit een bespreking van de ideeën van Slavoj Žižek. Deze meent dat mensen tegenwoordig niet verlichter zijn dan vroeger, maar juist meer dan ooit blind zijn voor hun eigen overtuigingen, juist omdat ze menen ‘overtuigingsloos’ te zijn. Veel mensen zeggen nergens in te geloven, maar uit hun handelen blijkt onvermijdelijk het tegendeel. Daar blijkt dat we nog altijd door en door ideologisch zijn, onder meer in ons geloof in de vrije markt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Mensen die voluit worstelen met fundamentele overtuigingen en waarden zijn psychisch gezonder dan degenen die dat niet doen.

Carmen K. Oemig Dworsky, Kenneth I. Pargament, Serena Wong, Julie J. Exline (2016). Suppressing spiritual struggles: The role of experiential avoidance in mental health. Journal of Contextual Behavioral Science

Hoogleraar psychologische wetenschappen aan Case Western Reserve, Julie Exline, en haar collega’s melden dat religieuze en spirituele worstelingen, zoals conflicten met God en vragen over de zin van het leven, voor veel mensen taboe zijn. Zij zijn geneigd die vragen uit de weg te gaan. Maar als zij dat doen, leven ze vaak met meer angst of zijn ze depressiever dan mensen die zich voluit overgeven aan deze worstelingen.

In het algemeen lijken mensen emotioneel gezonder als ze in staat zijn om verwarrende en verontrustende gedachten toe te laten. Daarbij helpt het vooral wanneer het lukt om spirituele twijfels objectief te bekijken. Of je er nu wel of niet meteen uitkomt, is een volgende vraag, maar je kunt ze dan wel verdragen. Ook is het vermijden van de grote levenskwesties op zichzelf niet het probleem. Het wordt dat wel als je je daardoor gaat gedragen op een manier die indruist tegen je persoonlijke doelstellingen en de wereld op een rigide manier tegemoet gaat treden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er waart een spook door de westerse wereld – het spook van de religie.

Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen (2009)

Met deze zin begint het magistrale boek van de Duitse cultuurfilosoof en romanschrijver Peter Sloterdijk (1947). Het is een directe verwijzing naar de openingszin van Het communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich Engels uit 1848. Overigens zagen die natuurlijk een ander spook rondwaren: het communisme. Maar anders dan het communisme, dat nieuw was, is het huidige spook van de religie er een dat steeds weer opnieuw opduikt. En de teruggekeerde religie wordt door ‘machthebbers van het oude Europa’ feestelijk verwelkomd met een ‘pompeus’ feest waar uiteenlopende gasten bijeenkomen, van de paus tot islamitische geleerden, Amerikaanse presidenten en Kremlinkrijgsheren, en zelfs Duitse sociologen (een sneer naar Habermas). Het enige wat het feest verstoort, is het ‘zomeroffensief van de goddelozen van 2007’, ‘waaraan we twee van de oppervlakkigste pamfletten van de recente geestesgeschiedenis te danken hebben, namelijk van Christopher Hitchens en van Richard Dawkins’.
Zelf pleit Sloterdijk niet voor een terugkeer van de oude religie maar voor een ‘antropotechnische wending’. Met een eigenzinnig beroep op filosofen als Nietzsche, Wittgenstein en Foucault stelt Sloterdijk dat de mens allereerst een wezen is dat geen genoegen neemt met het leven zoals het gegeven is. Mensen zijn voortdurend bezig om hun leven te veranderen, en dat ‘moet’ ook, maar ze kunnen dat niet alleen. Ze hebben elkaar en ‘antropotechnieken’ nodig: rituelen, technieken, oefening, training enzovoort.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Religie is wat de mens doet met zijn eigen alleen-zijn.

Alfred North Whitehead in De dynamiek van de religie (Religion in the making, 1926)

De Engelse denker Alfred North Whithead (1861–1947) was niet alleen een briljant wiskundige en een bijzondere filosoof, hij is ook de grondlegger van wat de ‘procestheologie’ wordt genoemd. Het is jammer dat een van zijn belangrijkste werken op dit gebied, Religion in the making (1926), in het Nederlands is vertaald als De dynamiek van de religie. ‘In the making’ betekent volgens het woordenboek ‘in de maak, in voorbereiding, in ontwikkeling, op komst’. En zeker die twee eerste vertalingen suggereren dat er een maker is of moet zijn, niet alleen een ‘dynamiek’. In dit geval is dat niet God – die ‘schept’ de religie niet –, maar de mens, en wel de mens die alleen is: ‘indien je nooit alléén bent, ben je nooit godsdienstig.’
Voor zover iemand bewust vormgeeft aan en reflecteert op zijn ‘innerlijke leven’ is hij religieus bezig. Religie is dan het krachtdadige geloof dat je ‘binnenkant zuivert’, en dat betekent dat volgens Whitehead de belangrijkste deugd van een godsdienstig mens ‘een allesdoordringende oprechtheid’ is. Overigens meent Whitehead geenszins dat religie noodzakelijk goed is. Idealiter verloopt een religieuze ontwikkeling van God-de-leegte, via God-de-vijand naar God-de-metgezel. Maar iemand kan het in zijn religieuze ervaring ook op een akkoordje gooien met de ‘God van vernieling’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het verwarren van het geloof (of het niet-geloof) in ‘God’ met de eisen van religie betekent het houden van de inrichting voor de kamer, de ouverture voor de opera.

Bruno Latour in Jubiler ou les Tourments de la parole religieuse (2002)

Vol schaamte bekent filosoof en wetenschapsonderzoeker Bruno Latour (1947) dat hij zijn kinderen niet kan uitleggen waarom hij zondags naar de mis gaat. Hij weet dat hij niet over religie met hen en met ons wil spreken, maar hij wil ‘religieus spreken’. Over ‘Zich verheugen – of de kwellingen van het religieuze spreken’, ‘dat is waar hij het over wil hebben, dat is waar hij het in feite niet over lijkt te kunnen hebben: het is alsof hij zijn tong verloren heeft’. Omdat het niet zo is dat de wereld zijn ‘geloof verloren’ heeft, maar dat ‘Het Geloof’ de wereld verloren heeft, wil hij niet langer geloven in zoiets als geloof.
Ooit diende het woord ‘God’ in vele filosofische traktaten als de premisse van iedere argumentatie en was diens aanwezigheid een vanzelfsprekendheid voor iedereen, maar toen de manier van leven veranderde, hadden we het woord ‘God’ moeten vertalen in zoiets als ‘onbetwijfelbaar raamwerk van het alledaagse bestaan’. Door vast te houden aan de traditionele bewoordingen verloren de geestelijken ‘de schat’ die ze wilden bewaren. ‘Betekenis gaat verloren als je stopt met die te vergaren, te verzamelen – religiere, zoals het Latijn zegt, als het over religie gaat. Maar om dit te doen moet je altijd weer bij het begin beginnen, dezelfde dingen zeggen in een compleet ander idioom.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

The world is my country, to promote science is my religion. [De wereld is mijn vaderland, het bevorderen van de wetenschap is mijn religie]

Devies van Christiaan Huygens volgens K.O. Meinsma in Spinoza en zijn kring. Historisch-kritische studiën over Hollandsche vrijgeesten (1896)

De Nederlandse wis-, natuur- en sterrenkundige Christiaan Huygens (1629–1695) haalde net niet de top tien bij de verkiezing van Grootste Nederlander in 2004 (waar Pim Fortuyn en Willem van Oranje streden om de eerste plaats …). Achter Aletta Jacobs kwam hij terecht op plek nummer 12.
Velen denken tegenwoordig dat het een letterlijk citaat van de beroemde geleerde is, maar in werkelijkheid wordt het in een invloedrijk boek over Spinoza door auteur K.O. Meinsma opgevoerd als een devies dat wereldburger Christiaan Huygens ‘had kunnen voeren’. De oorspronkelijke karakterisering van Meinsma wordt bovendien vaak verminkt tot varianten als ‘de wereld is mijn land, wetenschap is mijn religie’, en als zodanig wordt Huygens opgevoerd als vroege ‘atheïst’. Daarmee wordt Huygens onrecht aangedaan, want hij worstelde tot zijn dood met de vraag in hoeverre er plaats was voor een god in het universum.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Niets is minder conservatief, en niets staat zozeer met beide benen op de Grond als religie.

Bruno Latour in ‘Will non-humans be saved? An argument in Ecotheology’, uit Journal of the Royal Anthropological Institute (2009)

Inmiddels is duidelijk geworden dat Bruno Latours (1947) vraag ‘moderniseren of ecologiseren’ (1997) kan worden beantwoord: moderniseren werkt niet. Alleen is nog niet helemaal duidelijk wat ‘ecologiseren’ betekent. De voorgestelde oplossingen sluiten in ieder geval niet aan op de bedreigingen van de ecologische crisis. ‘Als de eerste trillingen van de Apocalyps te horen zijn, zouden de voorbereidingen op het einde iets meer mogen zijn dan het gebruik van een ander soort lamp …’

Als mensen apocalyptische termen gaan gebruiken, kun je je volgens Latour beter direct tot de religie wenden, in plaats van die alleen maar ‘metaforisch’ te behandelen. Er is immers geen twijfel over mogelijk dat de religie alles te maken heeft met ‘radicale veranderingen in de aard van het dagelijks leven’. Religie heeft bovendien een vast vertrouwen in ‘Incarnatie’: ‘voor de transsubstantiatie van brood en wijn in vlees en bloed, heeft er al een andere onbetwijfelbare transsubstantiatie plaatsgevonden, die even mysterieus is’, namelijk die van graan en druiven in brood en wijn.

Daarom dient religie, in ieder geval in christelijke gedaante, zich aan als een plausibel alternatief voor een ecologisch bewustzijn, dat ethisch en emotioneel zo veel minder kracht heeft om ons ertoe te brengen te doen wat nodig is om mensen en niet-mensen te redden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een haastige man moet niet op de trage ezel van de filosofie rijden.

Erik Oger in ‘Snelheid leidt tot stilstand’, een interview met Peter Henk Steenhuis in Trouw, 3 februari 2009

In zijn boek Nachtoog: Schuine wegen van de filosofie (2009) houdt de Vlaamse filosoof Erik Oger onder andere een pleidooi voor de deugd van de traagheid. Wij westerlingen zitten permanent op de snelweg en er moet een file aan te pas komen om ons te dwingen weer stil te staan bij waar we zijn. Andere manieren om de deugd van de traagheid te beoefenen zijn volgens Oger onder meer fotografie, filosofie (maar dan zonder journalistieke deadline), poëzie of de rituelen van de religie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media