Skip to content

Gedachten

Ziel

Het weten is gedrag, een hartstocht. In de grond ongeoorloofd gedrag.

Robert Musil in De man zonder eigenschappen (1930-1932)

Je kunt in deze tijd niet níét willen weten, zegt Ulrich, de hoofdpersoon van het monumentale, maar helaas onvoltooide Der Mann ohne Eigenschaften van Robert Musil (1880-1942). En de wetenschappers weten van geen ophouden, ze zullen niet rusten tot de mens geen ziel meer heeft, maar volledig biologisch en psychologisch te begrijpen en te behandelen is. Ulrich kan het alleen verklaren door ‘de wil tot weten’ (zoals Foucault die noemde) te vergelijken met drankzucht en de drang tot geslachtsverkeer of geweld. Ook de dwang om alles te moeten weten leidt tot een onevenwichtig karakter. Het is dan ook niet juist om te zeggen dat de ‘onderzoeker de waarheid najaagt’, het is eerder zo dat zij jacht maakt op hem. ‘Hij ondergaat haar.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De ziel huivert voor de leegte en wil tot iedere prijs contact.

Hjalmar Söderberg in Dokter Glas (1905)

De Zweden beschouwen Hjalmar Emil Frederik Söderberg (1869-1941) als een van de belangrijkste schrijvers van rond de vorige eeuwwisseling, direct achter Strindberg. Een aantal van zijn romans is in het Nederlands vertaald, waaronder Dokter Glas, volgens Maarten ’t Hart ‘een van de volmaaktste romans over moord en liefde’.
Opvallend aan de plot van dit boek is niet alleen de voor die tijd openhartige behandeling van erotische problemen, maar ook dat daarin het onderbewuste wordt gebruikt als verklaring en zelfs in zekere zin een rechtvaardiging voor moord.
Söderberg had in ieder geval oog voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het kwaad in de mens: ‘Men wil bemind worden, bij gebrek daaraan bewonderd, bij gebrek daaraan gevreesd, bij gebrek daaraan verafschuwd en veracht.’ En dat allemaal omdat de ziel huivert voor de leegte en tot iedere prijs contact wil.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Weten wij wat de dood is? Is het volgens ons niet de scheiding van ziel en lichaam?

Plato in Phaedo / Phaidoon (vertaling www.arsfloreat.nl)

In deze dialoog van Plato (427–247 v.Chr.) vertelt Phaedo/Phaidoon aan Echekrates over de laatste dag van het leven van Sokrates. Nadat deze laatste is beschuldigd van het bederven van de jeugd van Athene krijgt hij te horen dat aan het eind van die dag het doodsvonnis zal worden voltrokken middels de gifbeker. Tot verbazing van de aanwezige vrienden lijkt Sokrates zijn sterven te verwelkomen: hij merkt op dat de dichter Evenos als liefhebber van de waarheid hem maar snel moet volgen in de dood. Waar het om gaat is die liefde voor de waarheid. Sokrates probeert zijn vrienden ervan te overtuigen dat wij bij het verwerven van kennis alleen maar worden belemmerd door ons lichaam, met al die zintuigen die niet helder en nauwkeurig kunnen waarnemen. Zij komen uiteindelijk tot de conclusie dat de wijsgeer zich zo min mogelijk moet laten leiden door het lichaam, maar dat het beoefenen van de deugden de ziel zuivert van wat onwaar en ongezond is. En volgens Plato en Sokrates zijn we eenmaal bevrijd van dat lichaam in de dood pas werkelijk (weer) in staat de zuivere waarheid waar te nemen, namelijk met onze goddelijke ziel.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als je onder eeuwigheid niet oneindige tijdsduur, maar ontijdelijkheid verstaat, dan leeft hij eeuwig die in het heden leeft.

Ludwig Wittgenstein in Tractatus Logico-Philosophicus (1922, 1998, 6.4311)

Vlak voordat hij in paragraaf 7 zal zeggen dat je moet zwijgen over de dingen waarover je niets kunt zeggen, houdt Wittgenstein zich in de Tractatus bezig met de dingen die er werkelijk toe doen: ethiek, leven en dood, en God. Zo beweert hij dat de dood geen gebeurtenis in het leven is, dat wij de dood niet ervaren. Ons leven heeft geen einde, op dezelfde wijze als waarop we de grenzen van ons gezichtsveld niet zien.
Maar met de constatering dat wie eeuwig wil leven, in het heden moet leven, zijn we er nog niet. Er bestaat immers geen enkele garantie voor de onsterfelijkheid of het eeuwig overleven van de menselijke ziel na de dood. Maar het aannemen van een onsterfelijke ziel lost het raadsel ook helemaal niet op. Het eeuwige leven zelf is net zo’n groot raadsel als ons huidige leven. ‘De oplossing voor het raadsel van het leven in ruimte en tijd ligt buiten ruimte en tijd.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Droge ziel: de meest wijze en de beste.

Herakleitos in Over de natuur/De ziel, het gemoed, de verandering in ons (in wikibooks; oktober 2009, vertaling D.M.F. Casimiri)

De Griekse filosoof Herakleitos (ca. 540-480 v.C.) wordt wel ‘de duistere’ genoemd. Hij is beroemd om zijn uitspraken dat ‘alles stroomt’ en dat je geen twee keer in dezelfde rivier kunt stappen, maar doordat slechts fragmenten bewaard zijn gebleven, zijn de meeste van zijn uitspraken in al hun compactheid soms moeilijk te duiden. Zo vervolgt het fragment over de rivier met de uitspraak ‘maar ook zielen dampen uit het vochtige op’. Zoals Thales meende dat het oerelement water was, beschouwt Herakleitos het vuur als de belichaming van alle veranderingen in de kosmos. Het wezen van de verandering in individuele dingen noemt hij ‘de ziel’, wat bij de mens ‘het gemoed’ wordt. De zielen zijn allemaal onderhevig aan een proces van ontstaan en vergaan, waarbij zij uit water ontstaan, als vuur leven en door water vergaan. De suggestie wordt gewekt dat er een soort kringloop is, waarbij de in water opgeloste (‘dode’) zielen daaruit als damp herboren worden. In het algemeen geldt dat de beste en meest wijze ziel een droge lichtstraal is. Als iemand dronken is, heeft hij vocht in zijn ziel, en moet hij, wankelend en niet beseffend waar hij heen gaat, worden geleid door een kind.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ieder van ons is meerdere anderen, is velen, is een uitgebreide reeks zichzelven.

Fernando Pessoa, onder de naam Bernardo Soares, in Het boek der rusteloosheid (1982, 1990)

Als schrijver wordt de Portugees Fernando Pessoa (1888–1935) bij het teruglezen van schrijfsels uit het verleden geconfronteerd met een aantal ‘absolute anderen’, ‘vreemde wezens’ die de ik-personen van toen nu voor hem zijn. Je zou kunnen zeggen dat hij daar de consequentie uit trekt door onder ruim twintig heteroniemen te publiceren. Vervolgens stelt hij zichzelf ten doel iedere emotie een persoonlijkheid te geven, ‘iedere zielstoestand een ziel’. Daarmee personifieert hij dus alle tegenstrijdige gevoelens die in zijn borst huizen. En hij claimt dat die gespletenheid voor ons allemaal geldt. ‘In de uitgestrekte kolonie van ons zijn bevinden zich lieden van velerlei soort, die verschillend voelen en verschillend denken.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

… tussen mens en mens is het helpen het hoogste, het scheppen komt alleen aan de god toe.

Søren Kierkegaard in Wijsgerige kruimels (1844)

In de Platoonse dialoog de Meno wijst Socrates op het probleem dat een mens niet kan zoeken wat hij weet, noch kan zoeken wat hij niet weet. Als je iets al weet, kun je het niet meer zoeken, want dan weet je het al. Maar wat je nog niet weet, kun je ook niet proberen te vinden, want je weet niet waar je naar uit moet kijken. Socrates meent dat daarom al ons leren en zoeken naar kennis een ‘zich-herinneren’ is. En dat betekent uiteindelijk dat onze ziel altijd heeft bestaan en altijd zal blijven bestaan.

Deze ene gedachte is Socrates volgens de Deense wijsgeer Søren Kierkegaard (1813–1855) altijd trouw gebleven. Socrates was en bleef een ‘vroedvrouw’ die anderen hielp hun gedachten geboren te laten worden, tijdens drinkgelagen, in iemands werkplaats of op de markt. Hij zag in dat deze vorm van hulp ‘het hoogste’ is waartoe je in relatie tot een ander kunt komen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De filosofie geneest menselijke ziekten, ziekten veroorzaakt door onjuiste overtuigingen.

Martha Nussbaum in Therapy of desire – Theory and practice in Hellenistic ethics (1994)

Net als bijvoorbeeld Epicurus en Wittgenstein ziet de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (geb. 1947) de filosoof in de eerste plaats als een behandelaar die de mens van verkeerde denkbeelden moet afhelpen. Zoals een arts geneesmiddelen voorschrijft om het lichaam weer gezond te maken, zet de filosoof redeneringen in om de ziel te helen. Sterker nog: je moet een filosofie beoordelen op haar ‘helingskracht’. De geneeskunst streeft naar vooruitgang teneinde het lijdende lichaam bij te staan, terwijl de filosofie zich ontwikkelt om de ziel in nood te helpen. Uiteindelijk is de filosofie volgens Nussbaum ‘niets minder dan de levenskunst van de ziel (technè biou)’. Het is echter de vraag of dit zo’n gelukkige analogie is. Want filosofie gaat ook over de vraag of het wel mogelijk is om voor eens en voor altijd te bepalen welke overtuigingen juist of onjuist zijn. En wie nadenkt over zijn ellende, kan zich daarbij ook afvragen of die niet minstens voor een deel gegeven is met de menselijke conditie of een gevolg is van keuzes die je niettemin niet ongedaan wilt maken.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zijn de hartstochten dan de heidenen van de ziel? / Alleen redenen gedoopt?

Edward Young in The Complaint, or Night Thoughts on Life, Death and Immortality (1742–1748)

Deze uitroep, afkomstig uit een lang gedicht van Edward Young (1683–1765), is het motto van het filosofische debuut van Kierkegaard (Of/of). De Engelse dichter en toneelschrijver wilde eerst graag de politiek in, maar toen dat niet lukte werd hij dominee en na een geslaagd lofdicht belandde hij aan het hof van George II. Het grootste deel van Youngs werk is vergeten, maar zijn Night Thoughts waren reeds bij verschijning een groot succes en werden onder meer vertaald in het Frans, Duits Russisch, Zweeds en Hongaars. Voor zover bekend is er geen Nederlandse versie.
Met zijn ‘melancholie en maanlicht’ was hij van grote invloed op de romantische school in de poëzie. Omdat er later brieven zijn gepubliceerd waarin Young zich niet zo als een held van de hartstochten manifesteerde, werd er openlijk getwijfeld aan de motieven van de dichter. George Eliot sprak zelfs van ‘radicale onoprechtheid’. Het lange gedicht kreeg overigens nieuwe lezers doordat Edmund Blunden in zijn Undertones of War (1928), vertelde dat het voor hem als bron van troost had gediend in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

… zonder filosofie wagen tegenwoordig alleen misdadigers het nog om anderen te benadelen …

Robert Musil in Der Mann ohne Eigenschaften (1952)

Volgens Ulrich, de man zonder eigenschappen in het gelijknamige boek van de Oostenrijkse schrijver Robert Musil (1880–1942), zijn ‘eigenschappen’ niet datgene wat ons tot een unieke persoonlijkheid maakt, maar vervreemden ze ons juist van onze ziel. Daarom zet hij zich (in gedachten) af tegen mannen die juist uitblinken in de edelste eigenschappen, zoals de staalmagnaat Paul Arnheim. Deze wordt gevraagd als voorzitter van het comité dat het 70-jarig ambtsjubileum voorbereidt van keizer Frans Jozef. Arnheim is niet alleen beroemd omdat hij op vele terreinen thuis is, van kunst en sport tot filosofie en economie, maar ook omdat hij zakelijk zeer succesvol is en tijdens directievergaderingen met citaten van grote schrijvers en filosofen strooit. Zijn collega-ondernemers zijn allang blij dat Arnheim hun zuivere eigenbelang weet te legitimeren met het algemeen belang door verbanden te leggen met filosofie en literatuur.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De ziel heeft geen geslacht.

Christina van Zweden in Christine de Suède et le cardinal Azzolino: lettres inédites (1666-1668) (uitgegeven in 1899)

Over de opmerkelijke vrouw die in 1654 groot opzien baarde door afstand te doen van de troon en zich te bekeren tot het katholicisme zijn vele romans, toneelstukken, en zelfs opera’s gemaakt. Christina (1626–1689) heeft een beetje een slechte naam in de filosofie, omdat zij na een uitvoerige correspondentie over haat en liefde met René Descartes, hem vroeg naar Zweden te komen. Daar liet ze hem om vijf uur ’s ochtends in een ijskoud kasteel opdraven om over filosofie te praten, waardoor de beroemde filosoof een longontsteking opliep en overleed.
Behalve om haar onconventionele ideeën en levenswandel, was zij ook bekend om haar uiterlijk, gedrag, kleding en stem, die nogal mannelijk van karakter waren. Het is bekend dat ze liefdesrelaties had met zowel mannen als vrouwen, en beslist niet wilde trouwen. Bovendien was ze zeer belezen en geïnteresseerd in kunst, wetenschap en godsdienst. Ze liet behalve diverse briefwisselingen met geleerde tijdgenoten ook een verzameling aforismen na, waarin ook de uitspraak over de geslachtsloze ziel is opgenomen. In de oorspronkelijke context zag zij als enige verschillen tussen man en vrouw een zeker temperament en opleiding. Maar volgens haar had ook een vrouw een geest die in staat was tot goed of kwaad, ‘want de ziel heeft geen geslacht’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.

Ed. Hoornik in ‘Op school stonden ze op het bord geschreven’ (1952)

Het latere werk van de dichter Eduard (Ed) Jozef Antonie Marie Hoornik (1910–1970) is sterk getekend door zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog als gevangene in Vught en Dachau. Al voor de oorlog was Hoornik fel gekant tegen het nazisme, waarover hij onder meer het waarschuwende gedicht ‘Pogrom’ (1939) schreef, met de beroemde slotregel: ‘het is maar tien uur sporen naar Berlijn.’

In het gedicht ‘Op school stonden ze op het bord geschreven’ zet Hoornik een bekende tegenstelling uit de filosofie uiteen: ‘het werkwoord hebben en het werkwoord zijn; / hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven, / de ene werkelijkheid, de andre schijn.’ Behalve leegte, strijd en dood is ‘hebben’ ‘hard’, ‘lichaam’, ‘naar de aarde hongeren en dorsten’. Daar tegenover staat het zijn:
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Af en toe een filosoof een bedrijf binnenlaten is geen overbodige luxe.

Alain de Botton in ‘The case for putting philosophers into company boardrooms’ in Financial Times, 1 januari 2014

Als er iemand zijn best doet om nog een vraag te scheppen naar geesteswetenschappers dan is het de in Zwitserland geboren Engelse schrijver en filosoof Alain de Botton (geb. 1969), met titels als De troost van de filosofie, Kunst als therapie (met John Armstrong) en Hoe Proust je leven kan veranderen. Om zo veel mogelijk mensen te helpen met wijze woorden en daden stichtte hij ook The School of Life.
Maar ook de raden van bestuur van ondernemingen kunnen profiteren van de filosofie. In de kern willen bedrijven toch niets anders dan tevreden klanten, en dat is geen gemakkelijke opgave. Aan de andere kant houdt de filosofie zich al millennia bezig met de vraag wat de bestanddelen zijn van een goed leven, wat Aristoteles eudamonia noemde, een Grieks woord dat je volgens De Botton kunt vertalen als ‘bloei’ of ‘vervulling’. Waar bijvoorbeeld een doorsnee reisorganisatie zich afvraagt hoe het de marge op haar skivakanties zou kunnen verhogen, vraagt de filosoof zich af: ‘Waar in de ziel is de behoefte aan skiën geworteld?’ De filosoof zou het management kunnen helpen om dieper na te denken over manieren om het leven van de klant te verbeteren. ‘Er is (gelukkig) geen blijvende tegenstelling tussen het begrijpen van de psyche en geld verdienen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Weet dus, dat je een god bent …

Cicero in De re publica VI (9–29; vertaling van H.W.A. van Rooijen-Dijkman in Hermeneus, februari 1987)

Net als Plato eindigt Cicero (106–43 v.Chr.) zijn uiteenzetting over de ideale staat af met een mythisch verhaal over de beloningen die de rechtvaardige wachten na zijn dood. Zijn ideeën hierover geeft Cicero weer in de beschrijving van een droom van Publius Scipio Aemilianus, de triomfator in de oorlog Carthago (146 v.Chr.). Deze krijgt in de droom te horen dat er ‘voor de mensen die het vaderland goede diensten hebben bewezen om zo te zeggen een weg naar de hemelpoort openstaat’. Scipio belooft zich nog meer in te spannen nu hij weet welk heil hij verwachten mag. Vervolgens wordt hem verteld dat hij moet beseffen dat niet hijzelf sterfelijk is, maar zijn lichaam. Jij bent niet degene die zichtbaar is, ‘die met de vinger kan worden aangewezen’, maar ‘de ziel van iedere mens, dat is zijn ware ik’. In die zin is ieder mens een god, ‘in zover god is wat levenskracht geeft, wat voelt, zich herinnert en vooruitziet, wat dit lichaam, waarover het de leiding heeft gekregen, bestuurt, regelt en beweegt op dezelfde wijze als die hoogste god deze wereld’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zeggen dat de ziel boos is, is net zoiets als zeggen dat de ziel weeft of huizen bouwt.

Aristoteles in De anima (408b 12–15)

Net als Socrates werd Aristoteles (384–322 v.Chr.) aangeklaagd voor goddeloosheid, maar anders dan de eerste besloot Aristoteles wel Athene te ontvluchten ‘omdat hij de Atheners een tweede vergrijp tegen de filosofie wilde besparen’. Misschien dat dat te verklaren is uit het feit dat de filosofie voor Socrates vooral een levenshouding is, en voor Aristoteles een vorm van intellectuele arbeid. Hij wordt wel gezien als de eerste homo universalis, aangezien hij zich bezighield met alle destijds bekende wetenschappen (van filosofie en psychologie, via politicologie en sociologie, tot taalkunde en natuurwetenschap).
Het citaat is afkomstig uit zijn geschrift over ‘de ziel’, waarin hij verder stelt dat het veel beter is om niet te zeggen dat het de ziel is die medelijden heeft of nadenkt, maar dat de mens dat doet met zijn ziel. Tegenwoordig beweren veel cognitieve psychologen en ‘neurofilosofen’ dat het de hersenen zijn die denken of iets voelen, terwijl het misschien nog altijd wijzer is om te zeggen dat het de mens als geheel is die dit doet (in de hoop dat hij daarbij zijn hersens gebruikt).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een filosoof die wegkwijnt kan in zijn poging een zuiver, onthecht verstand te worden zijn eigen streven naar het goede verhinderen.

Martha Nussbaum in De breekbaarheid van het goede (1986)

In De breekbaarheid van het goede gaat de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (geb. 1947) uitgebreid in op de dialoog tussen Faidros en Sokrates, die niet alleen gaat over de ziel en de liefde maar ook over retorica en de aard van de filosofie. Volgens Nussbaum komt Plato in deze dialoog terug op een aantal al te radicale stellingnames in onder meer Het Bestel (Politeia).
In de Faidros beweert Sokrates dat alleen een god kan zeggen wat een ziel precies is, maar dat de mens wel in staat is om te bepalen waarop een ziel lijkt, namelijk ‘de samengevoegde kracht van een span gevleugelde paarden en een menner’. Dat betekent dat de mens zich dus niet alleen kan richten op zijn geest (de menner), want zonder bijvoorbeeld zijn emoties en zintuigen te voeden (de paarden) weet hij misschien wel waar het span naar toe moet (het goede), maar heeft hij niet de kracht om er te komen …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er bestaan geen antibiotica voor de ziel.

Berend Olivier in ‘Het gevecht om de anti-agressiepil’, NRC Handelsblad, 28 maart 2014

Neurobioloog Berend Olivier windt er geen doekjes om: ‘geneesmiddelen in de psychiatrie zijn, als ze er al zijn, symptoombestrijders.’ Er bestaat een tragisch monsterverbond tussen medische wetenschap, industrie en patiënten, waarin alle partijen één belang delen en dat is dat zoveel mogelijk psychisch leed als ziekte wordt gekarakteriseerd. Als somberheid depressie heet, wordt het werkterrein van de medische wetenschap uitgebreid, krijgt de farmaceutische industrie er miljoenen klanten bij en krijgen degenen die eronder lijden erkenning voor hun probleem en wordt hun behandeling vergoed.
Olivier geeft al met al een ontluisterend beeld van het geneesmiddelenonderzoek. Het succes van een geneesmiddel wordt vooral bepaald door marketing, in de breedste zin van het woord. Zijn eigen anti-agressiepil werd geen succes. Op zich hadden ze een geschikte doelgroep gevonden – ernstig geestelijk gehandicapten met uitermate agressief gedrag –, maar hun eigen verwachtingen en enthousiasme zorgden voor een grote placeborespons, van wel veertig procent, waardoor het netto-effect op dat moment te klein was om als geneesmiddel te gelden. Vervolgens nam het bedrijf waarvoor Olivier werkte een strategische beslissing om ermee op te houden. Want ‘spontaan herstel’ op grond van een middel zonder werkzame bestanddelen, levert het bedrijfsleven natuurlijk niks op.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is dus uitgesloten dat men gelukkig zou zijn, als men niet wijs en goed is.

Socrates tegen Alcibiades in de dialoog Alcibiades I (134a) van Plato (?)

In de oudheid werd deze dialoog beschouwd als de beste inleiding tot het platoonse denken, maar in 1836 betoogde de Duitse filosoof Friedrich Schleiermacher dat Plato niet de auteur kon zijn. De geleerden zijn het er nog altijd niet over eens of hij op dit punt gelijk had of niet. Overigens is er nog een tweede dialoog met deze naam, maar het staat wel vast dat die zeker niet van Plato’s hand is.
Alcibiades I, met als ondertitel ‘Over de menselijke natuur’, is een gesprek tussen Socrates en Alcibiades, later een berucht veldheer die Atheense militaire geheimen verraadde aan Sparta. Maar hier vraagt de jonge, ambitieuze Alcibiades zijn ‘intieme vriend’ Socrates om advies over de juiste voorbereiding op een politieke carrière. Socrates leidt zijn discipel tot de vaststelling dat hij daartoe de oproep van het Delfische orakel moet volgen: ‘Ken je zelf.’ Om zichzelf te begrijpen moet de ziel naar andere zielen kijken, en met name naar datgene in hen wat het ‘meest goddelijke’ is, de wijsheid. Met zelfkennis kunnen we voor onszelf en anderen zorgen, en die zorg is net zo nodig voor een individu als voor de (stads)staat. Het is ook de wijsheid als hoogste deugd die ons uiteindelijk gelukkig maakt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De filosofie zou zich als geneeskunde van de ziel nog wel kunnen handhaven, omdat de gezonden dan zouden weten dat ze hun niet tot last zal zijn.

Christoph Martin Wieland in Filosofie als levenskunst en geneeskunst van de ziel (1778)

In de uitstekende bloemlezing Over levenskunst – De grote filosofen over het goede leven (2002) heeft Joep Dohmen ook plek ingeruimd voor denkers die de gedachte dat de wijsbegeerte de mensen de kunst van het leven zou kunnen bijbrengen nogal pretentieus achten. Zo meent de Duitse schrijver Christoph Martin Wieland (1733–1813) dat mensen al duizenden jaren hebben geleefd voordat iemand op het idee kwam dat leven een kunst zou kunnen zijn. De natuur leert immers iedereen hoe te leven, al is dat leven niet altijd naar de zin van filosofen.
Nu is onze maatschappij verpest door de ‘verfijning’, en zijn lichaam en ziel volkomen ten onrechte gescheiden geraakt, en daar komt veel ellende van. Dan moet de levenskunst wel ‘oplappen en stutten, smeren en kwakzalven zo goed ze kan’ en dan is de filosofie dus ‘medicijn voor de ziel’. Maar zoals alle kunsten doet ook de filosofie zich graag belangrijker voor dan ze is en wil ze haar eigen markt scheppen door niemand toe te staan gezond te zijn: ‘Volgens haar leerstellingen en haar ideaal van gezondheid is de hele aarde één groot gekken- en ziekenhuis en verkeert niemand in zo’n blakende gezondheid dat hij haar voorschriften zou kunnen ontberen.’ Gelukkig ziet Wieland dat de natuur en de mensen zich daar niets van aantrekken en al die filosofische traktaten gewoon ongelezen laten.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Onze ziel te leren kennen: dat was dus wel de vermaning van hem die voorschreef: Ken uzelf.

Socrates tegen Alcibiades in de dialoog Alcibiades van Plato

Het door Plato (428–348 v.C.) opgetekende gesprek dat Socrates voert met Alcibiades wordt wel beschouwd als de eerste tekst over de levenskunst in de geschiedenis van de westerse filosofie. Als de dan nog geen twintigjarige Alcibiades daarin beter naar Socrates had geluisterd, zou hij nu misschien niet op Wikipedia worden aangeduid als een ‘omstreden’ Atheens politicus en veldheer. Nu weten we dat dit rijkeluiszoontje vaak in de problemen kwam, onder meer door vermeende heiligschennis en door overspel, maar in de dialoog met Socrates toont hij zich nog zeer leergierig.
Socrates toont aan dat de mens niet lichamelijk is, maar iets is dat zich van het lichaam ‘bedient’. Als zij met elkaar spreken doen zij dat immers ‘van ziel tot ziel’. We weten niet hoe teleurgesteld Alcibiades over de lage status van het lichaam was, want zijn uiterlijk schijnt op zowel mannen als vrouwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht te hebben uitgeoefend, en dat heeft zo zijn voordelen. En we weten ook niet welke verborgen bedoelingen Socrates misschien heeft gehad door de jongeman in te laten stemmen met de uitspraak dat alleen hij bemint die de ziel liefheeft. Om daaraan toe te voegen: ‘Wel, ik ben de man die niet weggaat maar die trouw blijft, ook al verwelkt je lichaam, terwijl al de anderen weggaan’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Op de bodem van de ziel liggen bepaalde inzichten waarvan wij ons weinig bewust zijn en die pas bruikbaar beginnen te worden wanneer zij geformuleerd zijn.

Lucius Annaeus Seneca in Brieven aan Lucilius (nr. 94)

Aan het eind van zijn leven belicht Seneca (4 v.C.–65 n.C.) zijn stoïcijnse moraal in een reeks brieven aan zijn vriend Lucilus, waarvan er 124 bewaard zijn gebleven. Door de stijl en de behandelde onderwerpen (niet alleen allerlei algemene raadgevingen, maar ook veel Romeinse alledaagsheid) is het een van de persoonlijkste geschriften die uit die tijd is overgeleverd.
In de brief over ‘Het effect van leefregels’ behandelt Seneca eerst uitgebreid de ideeën van de Griekse stoïcijnse filosoof Ariston van Chios uit de derde eeuw v.C. Deze bespreekt het nut van (het overdragen van) leefregels. Ariston meent onder meer dat je beter de bewijzen voor die regels kunt geven dan de regels zelf. Seneca is het niet met hem eens: ‘Onze geest draagt in zich de kiemen mee van alles wat in zichzelf goed is; door een aansporing komen die tot leven.’ Volgens Seneca is het daarom van belang dat gezaghebbende leraren alle in ons verborgen en verbrokkelde inzichten formuleren en onderling verbinden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.

Ludwig Wittgenstein in Filosofische onderzoekingen (1953, II iv.)

De invloedrijke Filosofische onderzoekingen van Ludwig Wittgenstein (1889–1951) bestaan uit allerlei min of meer losse notities over kwesties rond logica, betekenis, psychologie, geest en taal. De betreffende paragraaf begint Wittgenstein met na te denken over de vraag wat het betekent als je zegt dat je gelooft dat iemand lijdt, en of ik op dezelfde manier ‘geloof’ dat iemand geen robot is. Dat laatste is volgens Wittgenstein geen zinvolle uitspraak. In werkelijkheid is het niet zo dat ik ‘van mening ben’ dat iemand een ziel heeft, maar dat ik een houding ten opzichte van iemand aanneem als ten opzichte van een ziel, dat ik hem behandel als een ziel. Dat we ons, zoals in de religie, iemands ziel voorstellen als iemands uiterlijke verschijning, zijn lichaam, is niet zo vreemd, volgens Wittgenstein. Beeld en woord dienen hetzelfde doel: de ander aanduiden als iemand met een ziel.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zoals de pupil en het gezichtsvermogen samen het oog zijn, zo zijn de ziel en het lichaam samen het levende wezen.

Aristoteles in De anima (Over de ziel)

Als nuchtere analyticus beschouwt Aristoteles (384-322 v.Chr.) de ziel in eerste instantie als alles wat niet zuiver lichamelijk is. Daaronder vallen alle activiteiten die door levende wezens worden verricht, bijvoorbeeld het zich voeden. Aangezien planten en dieren dat ook doen, hebben zij dus in dit opzicht ook een ziel. De ziel is voor Aristoteles iets anders dan het huidige beeld van een soort aparte substantie, die in eerste instantie in een lichaam ‘woont’, maar daar niet noodzakelijk mee verbonden is. Voor hem is de aanwezigheid van (een bepaalde soort) ziel de ‘vorm’ (of de essentie) van een lichaam: dat wat een levend wezen tot een levend wezen (van een bepaalde soort) maakt. Zoals in het citaat: pas met het gezichtsvermogen wordt het lichamelijke oog iets wat kan zien.
Er is één uitzondering op deze eenheid van lichaam en ziel: de activiteit van het denken is volgens Aristoteles mogelijk zonder lichamelijk orgaan, en het denken bestaat daarom (ook) zonder het lichaam. En omdat het losstaat van het lichaam, deelt het ook niet in de sterfelijkheid daarvan.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De alchemist is geen oplichter die van lood goud maakt, maar iemand die met zijn ziel experimenteert.

Harry Mulisch in De hond en de Duitse ziel (2002)

Mulisch zet zich af tegen het gebruikelijke, romantische beeld van een schrijver: iemand trekt de wijde wereld in, beleeft van alles, gaat terug naar huis en schrijft daarover een roman. Tijdens het schrijven verandert zo’n schrijver niet, want dat doe je alleen maar buiten, in de wereld. Voor Mulisch geldt precies het tegenovergestelde: ‘Toen ik met De ontdekking van de hemel begon, was ik een ander dan na de afsluitende laatste zin: “Geef antwoord!” Bij het nalezen van het manuscript dacht ik: zo zie jij dat dus.’
Mulisch ziet de schrijver als een alchemist, als iemand die met de materie experimenteert en daarmee met zijn ziel. Dat verklaart ook zijn belangstelling voor zowel de ‘echte wetenschappelijke’ schei- en natuurkunde, als voor de terreinen die zich bezighouden met de ‘alchemie van de ziel’: filosofie, psychologie, kunst, religie en metafysica. Dat maakt hem in Nederland naar eigen zeggen ‘bij voorbaat verdacht en niet helemaal koosjer’. Nederlanders zijn namelijk realisten en kooplieden. Duitsers zijn desnoods bereid hun ziel te verkopen, maar ‘Nederlanders verkopen alleen dingen die ze elders goedkoper hebben ingekocht’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top