Verantwoordelijkheid

De mens moet antwoorden als hem wordt gevraagd wat hij van zichzelf heeft gemaakt.

Paul Tillich in The courage to be (1952)

Volgens Tillich is ons bestaan niet alleen een gave, maar ook een opgave. Omdat de mens vrij is en dus verantwoordelijk voor wat hij doet, moet hij ‘antwoorden’ op de vraag wat hij van zijn leven maakt. Degene die hem deze vraag stelt, is zijn ‘rechter’, maar dat is geen bozig opperwezen, maar hijzelf. In dit besef val je niet meer met jezelf samen, maar sta je tegenover een beoordelaar die je zelf bent. Dit is een situatie die grote angst kan oproepen, ‘in relatieve zin de angst van de schuld, in absolute zin de angst van de zelfverwerping’. Het vereist dus ‘moed om te zijn’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Schuldig worden is een voorrecht van de mens – en geeft hem de verantwoordelijkheid om deze schuld de baas te worden.

Viktor E. Frankl in De wil zinvol te leven: Logotherapie als hulp in deze tijd (1969, 1980)

Volgens psychiater en grondlegger van de logotherapie Viktor Frankl (1905–1997) is het ‘objectiveren’ en ‘tot ding maken’ van de mens de ‘erfzonde van de psychotherapie’. Hij werd ooit gevraagd om te spreken voor de gevangenen in de beruchte San Quentin-gevangenis in Californië. Deze voelden zich volgens Frankl voor het eerst ‘echt begrepen’ omdat hij iets deed wat hij zelf helemaal niet zo uitzonderlijk vond: hij sprak ze aan als mensen en beschouwde ze niet als ‘machines die gerepareerd moesten worden’. Hij had ze begrepen zoals ze zichzelf ook altijd hadden begrepen: als vrije en verantwoordelijke individuen. Hij had ze niet de gebruikelijke ‘ontsnappingsmogelijkheid’ voor hun schuldgevoelens gegeven door hun daden biologisch, psychologisch of sociologisch te verklaren. ‘Ik had ze geen alibi verschaft. De schuld was niet van hen afgenomen. Ik had hen als gelijken behandeld.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Sommigen weigeren de lening van het leven te aanvaarden om de schuld van de dood te vermijden.

Otto Rank in Will therapy (1930)

De existentieel psychotherapeut Irvin D. Yalom schrijft in zijn boek over doodsangst (Tegen de zon inkijken), waar hij zelf ook aan lijdt, dat sommige mensen geneigd zijn zich zo ongevoelig mogelijk te maken en niet van het leven te genieten uit angst dat ze dan te veel te verliezen hebben. Hij verwijst in dat verband naar het citaat van Otto Rank, de eerste betaalde kracht van de psychoanalytische beweging van Sigmund Freud.

Hij brengt daar een belangrijke dynamiek naar voren, namelijk die tussen ‘doodsangst’ en ‘levensangst’. Elk mens streeft ernaar zichzelf te ontwikkelen, uit te groeien tot een individu dat zijn of haar potentieel kan verwezenlijken. Maar dit brengt ook nieuwe ‘levenszorgen’ met zich mee. Want wie vrij is, is ook verantwoordelijk voor wat hij of zij doet. En wie vrij is en zelf zin aan het leven moet geven, is daarin ten diepste eenzaam. Om met deze levensangst om te gaan, zoeken mensen troost in versmelting met een ander. Maar de dreiging die ander te verliezen, kan weer doodsangst oproepen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Waarom is er kwaad en niet eerder het goede?

Emmanuel Levinas, geciteerd in Jan Keij – De filosofie van Emmanuel Levinas (2006)

Volgens Leibniz was de eerste vraag van de filosofie waarom er ‘iets’ is en niet ‘veeleer’ niets. Deze vraag werd onder meer weer opgenomen door Martin Heidegger, de filosoof die in de jaren dertig van de vorige eeuw nog dacht de Führer te kunnen ‘führen’, maar later nooit expliciet rekenschap aflegde van zijn nazisympathieën. De Joodse denker Emmanuel Levinas (1906–1995) werd in eerste instantie sterk beïnvloed door Heidegger, maar ontwikkelde uiteindelijk toch een heel eigen visie op de mens. Volgens hem is de primaire vraag van de filosofie namelijk een heel andere: ‘Waarom is er kwaad en niet eerder het goede?’

Volgens Levinas-kenner Jan Keij beantwoordt Levinas die vraag echter door te onderzoeken hoe het goede mogelijk is. Hij meent dat dat op hetzelfde neerkomt. Levinas ziet het goede als het nemen van verantwoordelijkheid voor de kwetsbare Ander. Uiteindelijk gaat Levinas echter nog een stap verder en stelt hij dat de ethische relatie, het belangeloos geraakt zijn door de Ander, fundamenteel moet zijn, willen er verschijnselen als taal en zorg voor elkaar mogelijk zijn. Daarmee ligt de vraag waarom er dan ook kwaad is, echter nog open.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Therapieën reflecteren, en worden gevormd door, de pathologie die zij moeten behandelen.

Irvin D. Yalom in Existential Psychotherapy (1980)

Als je de geschiedenis van de psychotherapie bekijkt, zie je dat de manier waarop therapeuten hun patiënten helpen radicaal is veranderd. De laatste jaren spreken veel therapeuten zelfs liever over ‘cliënten’, om te laten zien dat ze het ‘medische model’ hebben verlaten. Een andere grote verandering deed zich al voor in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De nadruk kwam steeds meer te liggen op eigen verantwoordelijkheid, en dat is geen toeval, volgens de Amerikaanse existentiële psychotherapeut en romanschrijver Irvin D. Yalom (1931). De moderne psychotherapie ontstond in het Wenen van het eind van de 19de eeuw, in de victoriaanse cultuur van seksuele verdringing, een strikte maatschappelijke orde, aparte werelden voor vrouwen en mannen en een nadruk op zedelijke wilskracht. Freud zag dat die onderdrukking van natuurlijke neigingen schadelijk voor de ziel was. Maar in onze hedendaagse samenleving is dát niet meer het probleem. De mens van nu moet leren omgaan met de enorme vrijheid, keuzestress en zingeving als alle mogelijkheden voor je open liggen. Dat leidt tot hele andere gesprekken in de spreekkamer.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is verbazingwekkend hoe veel de patiënt weet en hoe betrekkelijk weinig onbewust is, als je de patiënt niet dit gemakkelijke excuus geeft om de verantwoordelijkheid te weigeren.

Otto Rank in Will therapy (1929-1931)

De toen nog gymnasiast Otto Rank (1884-1939) was de eerste betaalde kracht van de psychoanalytische beweging en was twintig jaar lang Sigmund Freuds rechterhand. Hij studeerde filosofie, maar werd psychoanalyticus en was een van de zogenaamde ‘ringdragers’, die de psychoanalyse moesten beschermen tegen de boze buitenwereld. Uiteindelijk kon hij zich echter niet vinden in het psychische determinisme van Freud, die meende dat de mens het betrekkelijk willoze resultaat van onbewuste krachten was.

Volgens Rank en andere critici kon je echter niet zonder een homunculus (klein mensje) dat in ons de lakens uitdeelt. Die instantie noemde hij ‘de wil’: ‘een positieve, richtinggevende organisatie die creatief gebruikmaakt van de instinctieve driften en die remt en beheerst.’

Dit had grote consequenties voor zijn psychotherapeutische praktijk. Hij was er namelijk van overtuigd dat het blootleggen van invloeden op de patiënt uit het verleden en het onbewuste, maakte dat die het nemen van verantwoordelijkheid kon vermijden. Daarmee werd zijn handelingsvermogen juist kleiner, in plaats van groter.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De patiënt van vandaag heeft meer om te gaan met vrijheid dan met onderdrukte driften.

Irvin D. Yalom in Existential psychotherapy (1980)

Volgens existentieel psychotherapeut Yalom voldoet de oude psychoanalyse niet meer, want die behandelde de problemen van mensen in de preutse, verstikkende maatschappij van de negentiende eeuw. Wij hebben vooral problemen met de ongekende vrijheid door een open samenleving en de welvaart. Veel van zijn patiënten komen in moeilijkheden door ‘verantwoordelijkheidsvermijding’. Zij ontkennen bijvoorbeeld hun aandeel in het probleem door te klagen over de verschrikkelijke opvoeding door hun moeder. Dan helpt hij hen om zich te richten op dat wat zij zelf kunnen doen om te proberen een situatie te veranderen en hoe zij zich er beter tegen kunnen weren. Dat neemt overigens niet weg dat Yalom ook confronterende technieken gebruikt, bijvoorbeeld als iemand de schuld voor zijn problemen bij anderen blijft leggen: ‘dus eigenlijk zeg je: ik verander pas, mama, als je me anders gaat behandelen toen ik tien jaar was.’ Hopelijk ziet zo iemand dan in dat je daarmee niet verder komt.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

De mens is het wezen wiens project het is om god te zijn.

Jean-Paul Sartre in Het zijn en het niet (1943)

In de laatste hoofdstukken van een van zijn filosofische hoofdwerken bespreekt de Franse filosoof en (toneel-)schrijver Jean-Paul Sartre (1905-1980) de consequenties van het door hem vastgestelde feit dat de mens veroordeeld is tot de vrijheid. Sartre karakteriseert de zijnswijze van de (bewuste) mens als het ‘voor-zich’ (pour-soi), een term die hij ontleent aan Hegel. Dit voor-zich is het ‘zijnde dat voor zichzelf zijn eigen tekort aan zijn is’. Het ontbreekt het voor-zich namelijk aan de stabiliteit en het gewicht van het ‘in-zich’. In de praktijk betekent dat dat ik niet ‘iets’ ben wat alleen maar te zijn heeft (een steen, een briefopener), maar voortdurend moet bepalen wat ik wil gaan worden.
Voor de atheïst Sartre is een van de consequenties hiervan dat de mens zich een beeld maakt van wat hij zelf in uiterste zin is: de schepper van een (eigen) wereld, met alle verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. In de grond is de mens daarom het verlangen om god te zijn. Misschien ook omdat die altijd meteen ‘zag dat het goed was’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wij kunnen niet ontsnappen aan de klauwen van het lot, maar we kunnen ook niet in het lot ontsnappen aan de last van de verantwoordelijkheid.

Slavoj Žižek in Event – Filosofie van de gebeurtenis (2014)

Hoewel ‘de Elvis van de cultuurfilosofie’ Slavoj Žižek (1949) zeker oog heeft voor wat ons allemaal maatschappelijk en biologisch bepaalt, blijft hij ‘gewoon modernistisch’ als het gaat om de praktisch-ethische betekenis van de vrijheid. Hij verwijt de neurowetenschappers dat ze geen oog hebben voor de context waarin hun uitspraken dat de vrije wil niet bestaat worden gedaan. Dat is die van een gesprek tussen vrije, autonome geesten. Hij verbaast zich over het feit dat het boeddhisme, met haar idee dat het ego een te overwinnen illusie is, eigenlijk naadloos aansluit bij dit soort denken.
Als voorbeeld van iemand die er alles aan doet om de verantwoordelijkheid te ontlopen, noemt hij dichter Ted Hughes. ‘Eén vrouw verliezen door zelfmoord, dat is ongelukkig te noemen, maar twee vrouwen verliezen, dat lijkt op onachtzaamheid’, parafraseert hij Oscar Wilde. Hughes’ Birthday Letters zijn één lange variatie op een benepen ‘ik heb het niet gedaan’. Het is de schuld van ‘de Vrouwelijke Godin, het Lot, astrologie’. Maar volgens Žižek raakt op het niveau van ons praktisch-ethische leven ‘elke poging om simpelweg de verantwoordelijkheid te ontlopen en onszelf te beschouwen als een onvrij mechanisme, verstrikt in een double bind van de vrijheid’. Die ontkennen is haar bevestigen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De existentiële aard van de menselijke werkelijkheid maakt broeders en zusters van ons allemaal.

Irvin D. Yalom in Existential Psychotherapy (1980)

Nadat de Amerikaanse existentieel psychotherapeut Irvin D. Yalom (1931) er tien jaar aan gewerkt had, verscheen in 1980 van zijn hand een standaardwerk, Existential Psychotherapy, waarin hij de ideeën van een groot aantal filosofen, grote schrijvers (als Dostojevski, Tolstoi en Kafka) en psychotherapeuten op systematische wijze bij elkaar bracht aan de hand van vier zogenaamde ‘levenszorgen’. Deze liggen volgens hem ten grondslag aan veel problemen van zijn patiënten, maar ook aan onze angsten en sombere buien. Ten eerste wordt ieder mens geconfronteerd met de zekerheid van zijn eigen sterfelijkheid. Ten tweede is ieder individu absoluut vrij, wat een kwellende verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Ten derde betekent die eindigheid en verantwoordelijkheid dat we in een existentieel isolement verkeren. En ten slotte wordt ieder mens daardoor geplaagd door een onleefbaar besef van zinloosheid.
Omdat deze gegevenheden van het bestaan voor iedereen gelden, brengt het besef daarvan ons dichter bij de neuroticus en ‘zelfs’ bij de schizofreen. De afweerreacties tegen de angst voor de dood zijn bij de laatstgenoemde misschien meer bizar, extreem en invaliderend, maar met die angst moeten we allemaal zien te leven.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De voornaamste oorzaak van de huidige problemen is ons gebrek aan kennis over kennis.

Humberto R. Maturana en Francisco J. Varela in De boom der kennis (1989)

Hun onderzoek naar de biologische grondslagen van kennis is voor de Chileense biologen Humberto R. Maturana (1928) en Francisco J. Varela (1946–2001) aanleiding om te pleiten voor een ‘paradigmaverandering’ in de biologie en de epistemologie. Als je er goed over nadenkt, menen zij, getuigt ieder levend systeem dat in leven blijft van een diepgaande kennis: ‘leven is weten.’ Als wetenschapper of denkend mens moeten wij ons ervan bewust zijn dat alles wat wij vervolgens zeggen over die kennis van planten, dieren en mensen, in een metadomein plaatsvindt ten opzichte van het domein waarin alle leven doorleeft, ook wij. In dat metadomein van de kennis over de kennis ontdekken we onze verantwoordelijkheid voor al onze handelingen. ‘Het is niet de wetenschap dat een bom dodelijk is die bepaalt of we hem al dan niet gebruiken, maar wat we ermee willen bereiken.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De rijpe volwassenheid brengt een volledig, een fundamenteel, een eeuwig en onoverkomelijk isolement met zich mee.

Helmuth Kaiser in Effective Psychotherapy (1965)

De in Duitsland geboren Hellmuth Kaiser (1893–1961) studeerde wiskunde en filosofie in München, maar werd later als niet-arts opgeleid tot psychoanalyticus. Tijdens zijn leven verschenen slechts enkele artikelen van zijn hand en na zijn dood stelde zijn voormalige patiënt en latere leerling Louis Fierman hieruit, en uit zijn nalatenschap, Effective Psychotherapy samen.
Centraal in Kaisers psychotherapeutische aanpak staat het concept verantwoordelijkheid. Alles is erop gericht de patiënt de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven (weer) op zich te laten nemen. Daarbij hoort het, in het citaat uitgedrukte, besef dat eenzaamheid een fundamenteel gegeven is. Kaiser spreekt van de ‘aangeboren achilleshiel’ van de mens: we verlangen naar vrijheid en autonomie, maar deinzen terug voor de onvermijdelijke consequentie: isolement.
Om te voorkomen dat de patiënt de verantwoordelijkheid (voor zijn lijden en zijn genezing) bij de therapeut legde, voerde Kaiser enkele radicale maatregelen door. De therapie moest volledig ongestructureerd zijn en de therapeut volledig niet-directief. Dat betekende dat de patiënt volledig verantwoordelijk werd voor zowel de inhoud als de procedure van de therapie. Kaiser geloofde dat alles wat het verantwoordelijkheidsgevoel van de patiënt voor zijn eigen woorden vergrootte, bijdroeg aan diens genezing.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Verantwoordelijkheid is het besef dat je de onbetwiste schepper bent van een gebeurtenis of een ding.

Jean-Paul Sartre in L’être et le néant (1943)

Tegen het einde van een van zijn filosofische hoofdwerken (in het Nederlands vertaald als Het zijn en het niet) bespreekt de Franse filosoof en (toneel-)schrijver Jean-Paul Sartre (1905–1980) de consequenties van de door hem als fundamenteel beschouwde menselijke vrijheid. Als hij over de verantwoordelijkheid komt te spreken, merkt hij op dat dat onderwerp voornamelijk van belang is voor ethici. Hij is van plan geweest de ethische consequenties van zijn ‘fenomenologische ontologie’ uit te werken, maar dat is tijdens zijn leven niet gebeurd. Na zijn dood verschenen zijn aantekeningen daarvoor onder de titel Cahiers pour une morale en Vérité et existence (het laatste werd in het Nederlands vertaald als Waarheid en existentie).
Volgens Sartre is de mens veroordeeld tot de vrijheid en draagt hij daarmee het gewicht van de hele wereld op zijn schouders. Hij is verantwoordelijk voor de wereld en voor zichzelf als levend wezen. Sartres, aan Hegel ontleende, technische term voor mens of bewustzijn is het ‘voor-zich-zijn’. Hij acht dit verantwoordelijk voor het feit dat er überhaupt een wereld is, en dus is diens verantwoordelijkheid overweldigend. En hij kan niet anders dan deze dragen, ook als dat eigenlijk onmogelijk is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ongemakkelijk ligt het hoofd dat de kroon draagt.

Hendrik IV in het gelijknamige stuk van William Shakespeare

Met in de kop dit citaat van Shakespeare bespreken de bedrijfskundigen Schaumberg en Flynn in het Journal of Personality and Social Psychology het verband dat zij hebben gevonden tussen leiderschap en de geneigdheid zich schuldig te voelen. Uit hun onderzoek bleek onder meer dat personen met een sterk schuldbesef door anderen als kundiger leiders werden beschouwd. De onderzoekers denken dat dat verband is gebaseerd op verantwoordelijkheidsgevoel voor anderen.
In het stuk van Shakespeare lijkt het echter om een andere relatie te gaan. Daar is het meer het ambt dat zwaar op de drager drukt. Koning Hendrik richt zich tot de god van de slaap:
O dommelgod, waarom ligt gij bij beed’laars
In ’t walg’lijk bed, en schuwt des konings sponde,
Alsof ze een wacht- of stormklokhuisjen waar’?
Misschien hadden Schaumberg en Flynn ook even moeten kijken naar de leiders van de grote ondernemingen en landen in deze wereld. Zouden zij zover gekomen zijn als zij erg leden onder schuldgevoelens?

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Elke uitgesproken, elke geschreven zin is een weggeworpen steen, je weet niet wie hij raakt en hoe.

György Konrád in ‘Mondiaal denken is als een religieus gebod’ in NRC Handelsblad (27 maart 1993)

In de lezing waar het NRC-artikel de neerslag van is, buigt de Joods-Hongaarse schrijver György Konrád (geb. 1933) zich over de vraag of het nog wel mogelijk is om mondiaal te denken als er juist overal nationalistische groepen streven naar afscheiding of verzelfstandiging, zoals destijds onder meer gebeurde op de Balkan.
Konrád staat bekend als een groot voorvechter van individuele vrijheid, maar zelf spreekt hij hier van een ‘mondiaal individualisme’. Hij erkent dat dat mondiale individualisme waarschijnlijk een ‘aristocratisch standpunt’ is, ‘zoals van een arts, die zich door een eed verplicht eenieder naar zijn beste vermogen te genezen, ongeacht het milieu van de patiënt’. Maar uit die erkenning van mondiale verbanden volgt voor hem dat ieder mens verantwoordelijk is voor de gehele mensheid, en op grond van die ‘huiveringwekkende ontmoeting met de beleving van de mondiale verantwoordelijkheid’ moet je dus oppassen met wat je zegt. Bij Konrád in het citaat dus geen pleidooi voor het recht om te kwetsen van sommige Nederlandse pseudo-intellectuelen, want de intellectueel die Konrád is ‘staat aan de kant van de aarde en haar bewoners en houdt soms in gedachten de mensheid als een baby in zijn armen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Vrijheid is dat je echt van iemand houdt.

Freek de Jonge in ‘Ik sta hier en jij zit thuis’ van Neerlands Hoop – Interieur (1976–1977)

Hij speelt in steeds kleinere zalen en ze zitten ook niet elke keer vol, zoals in de jaren tachtig en negentig toen Freek de Jonge (geb. 1944) de onbetwiste grootmeester van het Nederlandse cabaret was. Hij was bij uitstek iemand die leed onder het multatuliaanse feit dat hij van alles te zeggen had, maar wist dat mensen alleen luisterden als er ook iets te lachen viel, waarna hij zijn publiek vervolgens hun platheid verweet op een manier die het de slappe lach bezorgde.
Ook in de tijd dat hij nog met Bram Vermeulen (1946–2004) letterlijk en figuurlijk Neerlands Hoop (in Bange Dagen) vormde, was er al een ‘andere’ kant van Freek, die zich vooral uitte in zijn liedjes. Daarin spreekt hij zijn geliefde aan en bekent hij dat hij soms een beetje voor haar vlucht, omdat hij bang is voor de verantwoordelijkheid en altijd dacht dat vrijheid is ‘dat je voor niemand hoeft te zorgen’ en ‘dat je de ander weet te boeien’. Hij is bang voor ‘woorden als liefde en geluk’, want hij maakt ‘altijd alles stuk’. Ten slotte komt hij tot de conclusie:
Ik sta hier en jij zit thuis / En je wacht op mij / Tot ik eventjes bij jou kom schuilen / De ergste angst er uit te huilen / Vrijheid is / Dat je echt van iemand houdt

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In feite zijn er maar twee soorten mensen die beweren dat hun wil niet vrij is: schizofrene patiënten die lijden aan de waan dat hun wil wordt gemanipuleerd en dat hun gedachten worden beheerst door anderen, en daarnaast deterministische filosofen.

Viktor Frankl in Psychotherapy and existentialism – Selected papers on logotherapy (1967)

De Oostenrijkse neuroloog en psychiater Viktor Emil Frankl (1905–1997) is de grondlegger van de ‘logotherapie’, die ook wel ‘de derde Weense school der psychotherapie’ (naast die van Freud en Adler) wordt genoemd. Zelf overleefde hij het concentratiekamp en hij wist dus dat je er in zeer extreme omstandigheden ook onder lijdt dat je steeds een keuze hebt, ook al is dat er een van leven of dood. Dat is een ervaring van de vrijheid van de wil die je niemand gunt.
Wie ondanks alle ervaringen van het tegendeel toch volhoudt dat hij niet vrij is, moet wel bijzondere andere ervaringen hebben om die overtuiging te staven. De schizofreen kunnen we het moeilijk kwalijk nemen: hij ervaart daadwerkelijk dat hij wordt gestuurd door anderen dan zichzelf. Maar die ‘deterministische filosofen’, die menen dat onze wilsbepalingen en handelingen geheel door voorafgaande en uiterlijke omstandigheden bepaald worden, door de genen, de hersenen, de omgeving of iets dergelijks, over welke bijzondere ervaringen beschikken zij? Feit is dat zij als geroepen komen voor eenieder die de verantwoordelijkheid voor zijn daden graag ontloopt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Voor Kant moesten mensen doof zijn voor de natuur om gehoor te kunnen geven aan de stem van de menselijkheid binnen in ons, voor Serres en Lovelock is een dergelijke doofheid juist het kenmerk van immoraliteit.

Émilie Hache en Bruno Latour in ‘Morality or moralism? An exercise in sensitization’ (in Common Knowledge, 2010)

Hache en Latour vragen de lezer om deel te nemen aan een experiment of oefening in sensibilisatie (gevoelig worden) en desensibilisatie (ongevoeliger worden) in immunologische zin. Daartoe moet de lezer zijn oordeel opschorten over welke wezens wel en welke niet in staat zijn ‘om ons te verplichten tot het antwoorden op hun appel’. Het is een alledaagse ervaring om je meer of minder verantwoordelijk te gaan voelen voor een bepaald, menselijk of niet-menselijk, wezen. Zoals vaak bij Latour is zijn onderzoek naar kennis en wetenschap aanleiding om filosofische clichés om te keren. En daarbij laat hij zich dit keer, behalve door Michel Serres, ook inspireren door James Lovelock, bekend van de Gaiahypothese dat de aarde een soort superorganisme is. Voor veel filosofen is de natuur iets dat we (in onszelf) moeten onderdrukken, teneinde moreel te kunnen handelen. Voor Serres en Lovelock handelen we juist moreel door te horen wat onze natuur ons te zeggen heeft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Handel steeds zo dat het aantal keuzemogelijkheden groter wordt!

Heinz von Foerster in Über das Konstruieren von Möglichkeiten (1973, p. 49)

De Oostenrijks-Amerikaanse fysicus en cyberneticus Heinz von Foerster was een neef van Ludwig Wittgenstein. Hij werd in 1911 geboren in Wenen en stierf in 2002 in Pescadero, Californië. Hij formuleerde zijn ‘ethische imperatief’ in aansluiting op de categorische imperatief van Immanuel Kant. Volgens Von Foerster gaat het erom de activiteiten van anderen niet in te perken, maar je zo te gedragen dat de vrijheid van anderen en de gemeenschap groter wordt. Hoe groter de vrijheid, hoe groter het aantal keuzemogelijkheden, en des te groter de kans dat mensen ook de verantwoordelijkheid voor hun handelingen op zich nemen. ‘Alleen wie vrij is, en dus ook altijd anders kan handelen, kan verantwoordelijk handelen’ (in Heinz von Foerster/Bernhard Pörksen: Wahrheit ist die Erfindung eines Lügners: Gespräche für Skeptiker, 1999, p. 25).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Krijgt een appelboom gewoon appels, of is de appelboom de creator, de schepper van appels?

Marinus Knoope in De creatiespiraal – natuurlijke weg van wens naar werkelijkheid (1998)

Selfmade managementgoeroe Marinus Knoope (1947) had een moeder die weinig consequent was in haar opvoeding, waardoor de kleine Marinus zich al jong gaat afvragen wanneer iets zijn eigen schuld of verantwoordelijkheid is en wanneer niet. Later realiseerde hij zich dat hij eigenlijk worstelde met het probleem van determinisme of vrije wil: ben je als mens voorbestemd tot het ondergaan van een bepaald lot of ben je vrij om je wensen te realiseren? Voor een tuinder lijkt het bij appelbomen duidelijk: die krijgen gewoon appels, punt uit. Maar, zegt Knoope, stel dat jij een appelboom bent, hoe kijk je er dan tegen aan: ‘Je hebt net een strenge winter overleefd en een lente achter de rug met een paar keer flinke nachtvorst. De zomer was zo nu en dan erg droog, maar aan het begin van de herfst heb je toch een paar schitterende appels hangen. Dan ben je toch trots op die prestatie. Je hebt er heel wat voor moeten doorstaan en voor moeten doen.’

Knoope denkt dat de vraag of je uiteindelijk vrij bent om van je leven te maken wat je wilt, misschien de verkeerde is: ‘Misschien ben je wel voorbestemd juist omdat je hier bent om je eigen wensen te realiseren.’ En hij waarschuwt: pas op met wat je wenst, het zou zomaar uit kunnen komen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Respondeo etsi mutabor. (Ik antwoord, al verander ik daardoor.)

Eugen Rosenstock-Huessy in Out of Revolution: Autobiography of Western Man (1938)

Geboren als Eugen Rosenstock (1888-1973) voegde de Duitse filosoof, jurist en socioloog na zijn huwelijk met Margaretha Huessy haar naam toe aan de zijne. Rosenstock-Huessy was zowel een actief schrijver als een betrokken maatschappelijk hervormer. Hij kwam uit een joods gezin, maar sloot zich op jonge leeftijd aan bij de protestants-christelijke kerk. Dat neemt niet weg dat zijn werk beïnvloed is door zijn intensieve contacten met joodse denkers als Rosenzweig en Buber.
In het betreffende werk, dat verscheen nadat hij in 1933 naar Amerika was geëmigreerd, spreekt hij in het hoofdstuk ‘Afscheid van Descartes’ over de eenzijdigheid van diens ‘cogito ergo sum’ (ik denk, dus ik besta). Volgens Rosenstock-Huessy is zijn generatie, die de (Eerste) Wereldoorlog heeft meegemaakt, niet meer geïnteresseerd in de openbaarwording van de ware God of de ware aard van de natuur, maar meer in het overleven van een ware menselijke samenleving. Tegenover het cogito stelt hij de dialogische inzet, waarbij de waarheid ‘vitaal’ is en sociaal moet worden gerepresenteerd: respondeo etsi mutabor – ik antwoord, al verander ik daardoor.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media