Wil

We moeten leren datgene te willen dat er gewoon al is en gebeurt.

parafrase van Epictetus in Marja Havermans, Sterven als een stoïcijn – Filosofie bij ziekte en dood (2019)

De antieke stoïcijnse levenskunst kent momenteel een grote populariteit, en er verschijnen vele boeken waarin het denken van met name de jonge Stoa, zoals dat van Seneca, Marcus Aurelius en Epictetus, uit de doeken wordt gedaan. Heel pregnant gebeurt dat in het openhartige en ontroerende boek van Marja Havermans over de negen maanden waarin zij en haar man moesten leven met de wetenschap dat hij terminaal ziek was. Zij doet verslag van het dagelijks leven met dit doodsvonnis én van de manier waarop zij allebei, met behulp van de stoïcijnse filosofie, probeerden om te gaan met dit onontkoombare feit. Maar als Epictetus stelt dat je je lijden kunt opheffen door gewoon iets anders te willen, is dat haar ‘een brug te ver’. Zij zou dan immers moeten ‘willen’ dat haar man Paul overlijdt. Dat ‘onwilbare’ te willen is haar niet gelukt. Wat haar betreft is het ‘hoogst bereikbare de dood te aanvaarden als iets waarop je geen invloed hebt’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is verbazingwekkend hoe veel de patiënt weet en hoe betrekkelijk weinig onbewust is, als je de patiënt niet dit gemakkelijke excuus geeft om de verantwoordelijkheid te weigeren.

Otto Rank in Will therapy (1929-1931)

De toen nog gymnasiast Otto Rank (1884-1939) was de eerste betaalde kracht van de psychoanalytische beweging en was twintig jaar lang Sigmund Freuds rechterhand. Hij studeerde filosofie, maar werd psychoanalyticus en was een van de zogenaamde ‘ringdragers’, die de psychoanalyse moesten beschermen tegen de boze buitenwereld. Uiteindelijk kon hij zich echter niet vinden in het psychische determinisme van Freud, die meende dat de mens het betrekkelijk willoze resultaat van onbewuste krachten was.

Volgens Rank en andere critici kon je echter niet zonder een homunculus (klein mensje) dat in ons de lakens uitdeelt. Die instantie noemde hij ‘de wil’: ‘een positieve, richtinggevende organisatie die creatief gebruikmaakt van de instinctieve driften en die remt en beheerst.’

Dit had grote consequenties voor zijn psychotherapeutische praktijk. Hij was er namelijk van overtuigd dat het blootleggen van invloeden op de patiënt uit het verleden en het onbewuste, maakte dat die het nemen van verantwoordelijkheid kon vermijden. Daarmee werd zijn handelingsvermogen juist kleiner, in plaats van groter.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Kennis kan ik willen, maar wijsheid niet.

Leslie Farber in The ways of the will (1966)

Volgens de Amerikaanse psychiater Leslie Hillel Farber (1912-1981) is het zo moeilijk gebleken om te definiëren wat ‘de wil’ is, omdat er twee verschillende ‘rijken’ van de wil zijn, die bijna niet op één noemer te krijgen zijn. Het eerste rijk betreft zaken die niet bewust worden ervaren, maar pas na de gebeurtenis kunnen worden afgeleid. Je zou dit het onbewuste kunnen noemen. Zelf constateert Farber dat de drie à vier beslissende keuzes in zijn leven pas achteraf zo belangrijk leken.

Het tweede rijk betreft wilsbesluiten waarvan je je bewust bent. Die keuzes zijn gericht op een bepaald doel en worden gestuurd door het nut: ‘Ik doe dit om dat te krijgen.’ In dit tweede rijk heb je iets aan wilskracht, inspanning en vastberadenheid. Het eerste rijk moet juist omzichtig worden benaderd. Het gaat mis wanneer je wat tot het eerste rijk behoort, met de aanpak van het tweede te lijf gaat. Je kunt naar bed willen gaan, maar als je wilt slapen lukt dat vaak juist niet. Zo geldt ook dat je wel meegaand kunt willen zijn, maar niet nederig, wel lust kunt willen wekken, maar geen liefde, en dat je kunt willen lezen, maar moet afwachten of je daardoor ook meer begrijpt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Men zal op Schopenhauer moeten teruggrijpen om onze tijd te kunnen verstaan.

Rüdiger Safranski in Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie (1987)

In zijn voorwoord tot de biografie van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) zet Rüdiger Safranski (1945) diens diepgevoelde pessimisme af tegen het optimisme van Immanuel Kant over de Franse Revolutie. Volgens Kant was de Franse Revolutie een historisch fenomeen dat door de mensheid nooit meer vergeten zou worden ‘omdat het in de menselijke natuur een aanleg en een vermogen ten goede aan het licht heeft gebracht’. Hoewel Schopenhauer altijd zijn diepe bewondering voor Kant is blijven uiten, had hij weinig op met diens heilige geloof in ‘de Rede’. Hij beschouwde de Rede als een ‘leerling-verkoopster’ die overal heen loopt waar haar chef, de Wil, haar naartoe stuurt. Zelf waren die lotgevallen van de wil in zijn persoonlijk leven en het leven in het algemeen een ware nachtmerrie. Om zich daartegen te beschermen, zegt Safranski, integreerde hij die nachtmerrie in de kern van zijn filosofie. Want, zo schreef Schopenhauer, ‘een filosofie waarin men tussen de regels door niet de tranen, het geween en tandengeknars en het getier van een algemene wederzijdse uitroeiing hoort, is geen filosofie’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De mens is naargelang hij wil, en wil naar gelang hij is.

Arthur Schopenhauer in De vrijheid van de wil (1839, 2010, p. 29-30)

In het betreffende boek geeft Arthur Schopenhauer (1788–1860) antwoord op een prijsvraag van de Koninklijke Noorse Academie van Wetenschappen of de vrijheid van de wil kan worden bewezen uit het zelfbewustzijn. Is het met andere woorden zo dat wij, omdat wij ons bewust zijn van onszelf, ook vrij zijn? Volgens Schopenhauer is dat niet het geval: juist omdat het ‘ware wezen van de mens’ zijn wil is, en daarmee de basis van zijn bewustzijn, ‘staat de vraag of hij ook anders zou kunnen willen gelijk aan de vraag of hij ook een ander zou kunnen zijn dan hijzelf is’. En volgens Schopenhauer kan de mens op die vraag geen antwoord geven. Daarom moet de filosoof zich bij de beantwoording van de vraag naar de vrijheid van de wil bedienen van zijn verstand, de rede en de ervaring. ‘Het hoofd heeft de vraag opgeworpen; het hoofd zal haar dan ook moeten beantwoorden.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Willen alleen is te weinig, de wens te slagen is noodzaak

Ovidius

In Het geheim van de grondlegger van het humanisme Francesco Petrarca (1304–1374) voeren de personages Augustinus en Francesco een dialoog over de vraag waarom ‘stervelingen’ hun ‘ellende steeds ijverig blijven koesteren’, terwijl je volgens Augustinus alleen maar je ellende hoeft in te zien. Dan probeer je er vanaf te komen en daar zul je in slagen. Je moet alleen wel echt wensen te slagen, zegt Augustinus verwijzend naar Ovidius, en Francesco moet tot zijn ontsteltenis concluderen dat hij dus nog niet écht heeft gewild. Zijn geweten zegt hem dat hij zijn heil nog niet met de vereiste inzet heeft nagestreefd. Volgens Augustinus komt dat omdat hij stiekem ook is blijven verlangen naar aardse geneugten. Het is daarom zaak je persoonlijke ellende steeds in herinnering te houden en voortdurend te denken aan de dood. Dan wil je wel deugen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Waarom zouden we iets bewijzen, als we kunnen volstaan met het te constateren … de vrijheid is een feit, en niet een kwestie van geloof.

Victor Cousin in Cours d’histoire de la philosophie (1841)

Volgens Schopenhauer (De vrijheid van de wil, p. 53) is Victor Cousin een van de voornaamste van het stel ‘hersenloze filosofasters’, die in de gedachte ‘ik kan doen wat ik wil … de vrijheid van de wil menen te bespeuren en deze dienovereenkomstig als een vaststaand feit van het bewustzijn doen gelden’. Volgens Schopenhauer wordt de mens aangespoord door motieven om te doen wat in zijn karakter ligt. Net als het gedrag van biljartballen wordt bepaald door hun toestand en de krachten die er op in werken, zo bepaalt de wil, in de ‘speciale en individueel bepaalde geaardheid’ die wij karakter noemen, wat wij doen. Ons zelfbewustzijn kan de illusie hebben dat wij ‘kunnen doen wat wij willen’, maar ‘je kunt op elk gegeven moment van je leven slechts één bepaald iets willen, en volstrekt niets anders dan dat ene’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media