Levenskunst

Strijd kloekmoedig; een gewoonte wordt door een andere overwonnen.

Thomas a Kempis in De navolging van Christus (1471-1472)

Veel psychotherapeuten en zelfhulpgoeroes van tegenwoordig waarschuwen ons dat we moeten zorgen dat we later niet het slachtoffer worden van het treuren over gemiste kansen of slecht gedrag. We moeten proactief zijn en ons morele kompas volgen. In zijn traktaat heeft de middeleeuwse mysticus Thomas van Kempen het over ‘de rouwmoedigheid des harten’, zoals een vertaling luidt van de titel van het hoofdstuk waaruit het citaat afkomstig is.

Als je ‘vooruitgang’ wilt boeken, moet je ‘niet al te vrij’ zijn en je niet overgeven aan ‘lichtvaardige vrolijkheid’. Door onze lichtzinnigheid hebben we vaak niet in de gaten dat onze ziel lijdt. ‘Wij lachen dikwijls onbezonnen, als wij redelijkerwijze behoorden te wenen.’ Als we niet steeds proberen ons geweten zuiver te houden, moeten we dat later met veel spijt bekopen. Daarbij geeft Thomas ook een belangrijke tip. Het is alleen mogelijk om van je slechte gewoonten af te komen, door er andere voor in de plaats te stellen. Bonus is dat andere mensen je met rust zullen laten als je je slechte gewoonten opgeeft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Geëxalteerdheid is de ziekte van de begaafde jongere.

Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen (2009, vert. 2011)

Hoewel de Duitse filosoof Peter Sloterdijk duidelijk is in zijn gebod dat je je leven moet veranderen, moet je je daarbij wel bewust zijn van de risico’s. Een daarvan bespreekt hij aan de hand van een essay van de existentialistische psychiater Ludwig Binswanger over Verstiegenheit. In het Nederlands zeggen we: geëxalteerdheid, het hebben van overdreven ideeën of voorstellingen. Deze aandoening, die dus met name begaafde jongelingen treft, kan zich op twee manieren manifesteren. Ten eerste als een ‘manische wispelturigheid’ en ‘naïef’ nadenken over denkbeeldige vluchtmogelijkheden. Aan de andere kant kan de geëxalteerde zich overgeven aan een ‘schizoïde beklimmen van grote hoogten die in geen zinvolle verhouding staan tot de nauwheid van de ervaringshorizon’. Mooier dan Sloterdijk kun je dit niet zeggen, maar het gaat dus om mensen die zich, zonder dat ze al te veel hebben meegemaakt, bezighouden met ideeën over het universum of de eeuwigheid. De therapie bestaat volgens Sloterdijk uit een soort ‘reddingsoperatie in de bergen’. Terug in het dal leert de geredde dan iets meer over de ‘terreinomstandigheden’. Er moet immers ‘een relatie bestaan tussen de moeilijkheidsgraad van de berghelling en de opleidingsgraad van de hoogtebestormer’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

We moeten leren datgene te willen dat er gewoon al is en gebeurt.

parafrase van Epictetus in Marja Havermans, Sterven als een stoïcijn – Filosofie bij ziekte en dood (2019)

De antieke stoïcijnse levenskunst kent momenteel een grote populariteit, en er verschijnen vele boeken waarin het denken van met name de jonge Stoa, zoals dat van Seneca, Marcus Aurelius en Epictetus, uit de doeken wordt gedaan. Heel pregnant gebeurt dat in het openhartige en ontroerende boek van Marja Havermans over de negen maanden waarin zij en haar man moesten leven met de wetenschap dat hij terminaal ziek was. Zij doet verslag van het dagelijks leven met dit doodsvonnis én van de manier waarop zij allebei, met behulp van de stoïcijnse filosofie, probeerden om te gaan met dit onontkoombare feit. Maar als Epictetus stelt dat je je lijden kunt opheffen door gewoon iets anders te willen, is dat haar ‘een brug te ver’. Zij zou dan immers moeten ‘willen’ dat haar man Paul overlijdt. Dat ‘onwilbare’ te willen is haar niet gelukt. Wat haar betreft is het ‘hoogst bereikbare de dood te aanvaarden als iets waarop je geen invloed hebt’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Richt je leven zo in, dat je er volmondig ja tegen kunt zeggen

Wilhelm Schmid in Filosofie van de levenskunst – Inleiding in het mooie leven (2000, 2001)

Volgens Schmid is dit de ‘existentiële imperatief’, het gebod van de levenskunst. Daarmee zet je elke stap in je leven in het perspectief van je totale bestaan. ‘Existentieel’ betekent in dit verband ook dat je dit gebod alleen zelf en voor jezelf van kracht kunt laten zijn.

De oorspronkelijke uitspraak luidt: ‘Gestalte dein Leben so, das es bejahenswert ist.’ In de Nederlandse vertaling gaan wel wat bijkomende betekenissen verloren (hoewel dat vrijwel onvermijdelijk is). Gestalten kun je ook vertalen als ‘vormgeven’, en dat woord sluit wat beter aan bij het woord levens-kunst. Volgens het woordenboek betekent bejahen (behalve ‘bevestigend antwoorden’) ‘positief staan tegenover’ of ‘aanvaarden’. De Nederlandse uitdrukking ‘volmondig ja … zeggen’ gaat een stapje verder dan de bron. Wat Schmid bedoelt, is dat je je leven zo moet vormgeven dat het de moeite waard is om er positief tegenover te staan.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Niet enkel voortplanten zul jij je, maar ook omhoog! En moge jou daarbij helpen de lusthof van het huwelijk.

Friedrich Nietzsche in Aldus sprak Zarathoestra (1883-1885)

In het lied Van kind en huwelijk in deel 1 van Aldus sprak Zarathoestra: een boek voor allen en voor niemand waagt de profeet zich aan ‘de rol van levensadviseur voor hogere mensen’ (Sloterdijk). Volgens hem wens je als je jong bent voor jezelf kind en huwelijk, maar hij vindt dat je je dan af moet vragen: ‘Ben jij een mens die zich een kind mag wensen? Ben jij de zegevierende, de zelfbedwinger, de gebieder der zinnen, de meester over je deugden.’ Blijkbaar is volgens Zarathoestra alleen de hogere mens (vaak onvertaald gelaten als Übermensch) gerechtigd om kinderen te krijgen. Als je nog jong bent, word je dus geacht je eerst ‘omhoog te planten’ voor je je ‘voort gaat planten’. Daarbij kan het ‘lusthof van het huwelijk’ je helpen om uiteindelijk jezelf tot een scheppende te scheppen, waarna je een nieuw schepsel op de wereld mag zetten. ‘Huwelijk: zo noem ik de wil om getweeën het ene te scheppen, dat meer is dan wie het schiepen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Beschouw elke dag als een leven op zichzelf.

Seneca in Epistulae, ep. 101, par. 10

Volgens Seneca heeft het geen enkele zin om plannen te maken, want ‘elke dag en elk uur openbaart ons dat we niets voorstellen’. Hij geeft het voorbeeld van Cornelius Senecio, een voornaam en kundig Romeins edelman. Hij was rijk aan het worden, maar leefde eenvoudig en lette op zijn gezondheid. Op zekere dag had hij urenlang, tot laat in de avond, aan het bed gezeten van een vriend die ernstig ziek was. Na wat gegeten te hebben kreeg hij echter een zware aanval van angina, die hem noodlottig werd. Dus nadat hij ‘alle plichten van een deugdzaam en gezond mens had volbracht’, zegt Seneca, ‘stierf hij’. Dat betekent, schrijft hij aan Lucilius, dat het dwaas is om van alles van tevoren te plannen, want ‘we zijn niet eens de eigenaar van de dag van morgen’. Daarom moeten we volgens hem elke dag als een leven op zichzelf zien. Als je je aldus voorbereidt op wat komen gaat en zorgt dat je dagelijks leven telkens een afgerond geheel is, vind je gemoedsrust.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je kunt het leven niet op het spel zetten als een dobbelsteen die je weer opgooit.

Antiphon

Antiphon geldt wel als de eerste psychotherapeut, omdat van hem wordt gezegd dat hij een schild op zijn huis liet aanbrengen waarop hij claimde dat hij ‘gekwelden’ met woorden kon genezen. Er is niet bekend hoe hij dat precies deed, maar uit de enkele fragmenten van zijn geschriften die bewaard zijn gebleven, blijkt wel zijn wijsheid en psychologisch inzicht. Zo stelt hij vast dat er mensen zijn ‘die niet hun eigen leven leiden’, maar bij wie het is alsof zij zich met veel geestdrift voorbereiden op een ander leven, waarvan niet duidelijk is welk leven dan wel. Terwijl ze dat doen, zegt Antiphon, gaat de tijd verder en is hun huidige leven voorbij. Misschien moeten we de voorstanders van ‘een leven lang leren’ af en toe vragen: waarvoor eigenlijk?

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Als iemand goede dingen wil en die bezit, is hij gelukkig; maar als hij slechte dingen wil, is hij ongelukkig, ook al bezit hij die.

(de moeder van) Augustinus in Over het gelukkige leven

Toen kerkvader Augustinus zijn wereldse leven achter zich liet, trok hij zich met zijn moeder Monica en enkele goede vrienden terug op een landgoed en voerde daar met hen gesprekken ‘Over het gelukkige leven’ (De vita beata). Een van de vragen die zij zichzelf stellen is of ieder mens die heeft wat hij wil ook gelukkig is. Daarop antwoordt zijn moeder met de woorden uit het citaat. Daarmee heeft zij volgens haar zoon ‘de hoogste top van de filosofie bereikt’. Hij verwijst naar Cicero, die iets dergelijks gezegd heeft, maar een beetje omslachtiger. Zijn moeder is niettemin zo enthousiast bij het horen van Cicero’s woorden, dat Augustinus en zijn vrienden ‘helemaal vergaten dat ze een vrouw was en dachten dat er een beroemd man in hun gezelschap verkeerde’.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Wie mensen zoekt, zal acrobaten vinden.

Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen (2009, 2011)

Volgens de Duitse cultuurfilosoof en romanschrijver Peter Sloterdijk (1947) wordt het bestaan van de mens gekenmerkt door ‘verticale spanningen’ die ons helpen ons te oriënteren. Wij lijken ‘van bovenaf’ aangetrokken te worden en zo kunnen we begrijpen ‘waarom en in welke vormen de homo sapiens, die door de paleontologen tot vlak voor de deur van de faculteit van de geesteswetenschappen wordt afgeleverd, zich heeft kunnen ontwikkelen tot het opklimmende tendensdier, zoals hij min of meer onveranderlijk uit de berichten van de ideeënhistorici en de wereldreizigers naar voren komt’. Het is alsof in ons voortdurend het gebod klinkt dat wij ons leven moeten veranderen. Daarmee zijn we ‘veroordeeld’ tot ‘surrealistische inspanning’. Wij zijn voortdurend bezig om ons te oefenen in nog beter over het smalle koord van het leven te lopen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het past een wijs man de dingen te gebruiken en er zoveel mogelijk van te genieten.

Benedictus de Spinoza in Ethica (1678)

In zijn boek over de ‘wellevenskunst’ zet Spinoza zich af tegen het ‘gruwelijk en somber bijgeloof’ van de puriteinen, die uit een doorgeschoten zondebesef zichzelf verbieden van het leven te genieten. Zo ‘grimmig’ kan God ‘of welk ander wezen ook’ toch niet zijn dat die zich in onze machteloosheid en ons ongemak verheugt en ons verdriet en onze angst als een deugd beschouwt? ‘Integendeel, hoe diepere blijheid wij voelen, tot hoe grotere volmaaktheid gaan wij over, dat wil zeggen hoe meer zullen wij deel krijgen aan de goddelijke aard.’ Een wijs man zal daarom zoveel mogelijk genieten van de dingen die tot zijn beschikking staan, al is het niet tot oververzadiging toe, want dan is het immers geen genieten meer. Dus wees matig met ‘aangename spijs en drank’, maar geef je over aan zaken die jou en een ander niet schaden, zoals ‘geuren en lieflijkheid van groenend kruid, fraaie kledij, muziek, kampspelen, toneelverstellingen’ en dergelijke.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Wie alle dagen in de rondte rent wordt een vreemde in zijn eigen huis; wie altijd verstrooiing zoekt wordt een vreemde in zijn eigen hart.

Adolph Knigge in Über den Umgang mit Menschen (1788)

Door het boek over de ‘omgang met mensen’ werd Knigges naam synoniem voor ‘handleiding voor de etiquette’, maar zo’n boek is het eigenlijk helemaal niet. Het gaat eerder over levenskunst, en Knigge gaat daarbij uit van een duidelijke moraal. Hij vindt bijvoorbeeld dat het onze belangrijkste plicht is om bezig te zijn met het verbeteren van onszelf, het ‘cultiveren van het eigen ik’. Het is daarom ‘onvergeeflijk’ als je altijd in het gezelschap van anderen bent. Dan is het alsof je voor jezelf vlucht.

Bovendien loop je het gevaar in het gezelschap van ‘leeglopers’ terecht te komen. Als dat bovendien mensen zijn die zich aan je proberen te binden door je voortdurend te vleien, ‘verlies je de smaak voor de stem van de waarheid’. En als je dan de stem van je geweten hoort, ren je misschien wel hard weg, ‘het vertier in, waar die weldadige stem overschreeuwd wordt’.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Zoals de vis zich alleen in het water, de vogel zich alleen in de lucht en de mol zich alleen onder de aarde thuis voelt, zo voelt ieder mens zich slechts thuis in de hem passende atmosfeer.

Arthur Schopenhauer in De kunst om gelukkig te zijn (Ned. vert. 2011)

Volgens Schopenhauer benijden we vaak ten onrechte anderen om hun positie en omstandigheden, want vaak passen die alleen bij hun karakter en niet bij het onze. ‘Zo is bijvoorbeeld de hoflucht niet voor iedereen geschikt om in te ademen.’ Maar voordat we weten in welke sfeer we het meest gedijen, zullen we door gebrek aan zelfinzicht ‘allerlei tot mislukken gedoemde pogingen ondernemen’ en ons karakter geweld aandoen. En wat we dan, tegen onze natuur in, bereiken, zal ons geen genoegen schenken. Zelfs iets als een goede daad zal in je eigen ogen alle verdienstelijkheid verliezen als je die alleen maar hebt gedaan omdat je dacht dat het zo hoorde en niet vanuit je eigen, welbegrepen wil.
We moeten dus ‘eerst uit ervaring leren wat we willen en wat we kunnen’, en zo een karakter verwerven. Tot die tijd zullen we steeds weer tegen muren oplopen en met geweld worden teruggeworpen op ons eigen levenspad.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Wat is een goed recept voor concentratie?

Joke J. Hermsen in Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst (2009)

Joke Hermsen ontdekt dat ze in een vakantieachtige omgeving in Italië productiever is dan in haar werkkamer thuis. Daar hoort ook bij dat ze voor de vorm achter een bureau gaat zitten, maar vaak urenlang ligt te mijmeren en half te slapen op de bank. Maar na een paar uur weet ze plotseling hoe ze verder moet en heeft het lanterfanten haar juist verder gebracht. Ze komt uiteindelijk tot een ‘bereidingswijze’ voor concentratie met acht ‘ingrediënten’:
1. Vertrekt naar een plek die je niet of nauwelijks kent.
2. Zorg ervoor dat er geen internet, televisie of radio is.
3. Ga niet de hele dag op stap.
4. Laat je niet uit je dagritme halen door bezoek.
5. Zorg voor een kamer met uitzicht.
6. Richt je aandacht op slechts één project.
7. Geef toe aan de verveling.
8. Verstop de klok en maak de tijd cyclisch.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Rechtvaardigheid is de leiderschapsdeugd bij uitstek.

Jos Kessels, Erik Boers en Pieter Mostert in Vrije ruimte – Filosoferen in organisaties – Klassieke scholing voor de hedendaagse praktijk (2002)

Voor hun filosofische wijze van werken met organisaties gebruiken de filosofen Kessels, Boers en Mostert het beeld van een school, als een van oorsprong vrije ruimte, ‘een vrijplaats om na te denken, samen met anderen, over hoe de wereld in elkaar zit, wat ons en anderen te doen staat, wat het “goede leven” inhoudt’.
Volgens de klassieke levenskunst moet ieder mens streven naar voortreffelijkheid en die kun je uitdrukken in vier zogenaamde kardinale deugden: (de juiste) maat / matigheid, moed, verstandigheid/bezonnenheid en rechtvaardigheid. De laatste daarvan is in de klassieke opvatting de hoogste.
Rechtvaardigheid is ‘het vermogen het juiste evenwicht aan te brengen, enerzijds in jezelf tussen de drijfveren van je eigen buik, hart en hoofd, anderzijds in de werkelijkheid om je heen, tussen verschillende soorten belangengroepen en hun aanspraken’. Het is de leiderschapsdeugd bij uitstek omdat het gaat om de kunst van een evenwichtig geheel, de balans tussen behoefte en verdienste, doelen en middelen, regels en billijkheid, vrijheid en gelijkheid. Zij is uiteindelijk ‘het richtpunt van alle andere excellenties, omdat zij de basis is van alle sociale cohesie’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het stoïcijnse programma dat we tegemoetkomen aan onze behoeften door het elimineren van onze verlangens, is als het afhakken van onze voeten als we schoenen nodig hebben.

Jonathan Swift in Thoughts on various subjects (1711)
De meeste mensen kennen de Ierse satiricus Jonathan Swift (1667–1745) vooral van het onsterfelijke Gulliver’s Travels (1726). Hoewel het inmiddels ook tot kinderboek is bewerkt, was het oorspronkelijk een felle satirische aanklacht tegen de politieke en sociale misstanden van zijn tijd, maar ook tegen de feilen van de mensheid in het algemeen.
Al in de jaren 1696-1706 schreef Swift ook een reeks aforismen, die in 1711 werden gepubliceerd in Morphew Miscellanies (mengelwerk). De kritische uitspraak over het stoïcisme staat daarin min of meer op zichzelf. Deze filosofische stroming kwam rond 300 v.Chr. op in Griekenland, maar werd vooral populair in het Romeinse Rijk door de levensfilosofische geschriften van onder meer Seneca, Epictetus en Marcus Aurelius. Vanwege de hedendaagse opleving van de levenskunst wordt er ook tegenwoordig veel op teruggegrepen. Natuurlijk legt elke auteur andere accenten, maar in het algemeen zijn stoïcijnen erop uit het lijden te verlichten of gelukkig te worden door alle gevoelens zo veel mogelijk onder controle te krijgen en uit te schakelen. Dat gaat helaas soms ook ten koste van de gevoelens die ons dierbaar zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In het hart van de machtsverhouding bevindt zich als een voortdurende uitdaging het verzet van de wil en de compromisloze vrijheid.

Foucault, Michel in ‘Hoe wordt macht uitgeoefend’ in Comenius (1987)

Vrijwel gelijktijdig met het overlijden van de Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984) verschenen het tweede en derde deel van zijn in 1976 gestarte drieluik over De geschiedenis van de seksualiteit. Voor veel Foucault-adepten waren deze werken nogal een schok. Niet alleen was de stijl veel toegankelijker dan zijn eerdere studies naar de machtsmechanismen van de menswetenschappen, maar ook hield hij plotseling een pleidooi voor ‘de zorg voor zichzelf’ (de titel van het derde deel). Daarmee was hij medeverantwoordelijk voor een terugkeer van het thema van de levenskunst in de filosofie en het maatschappelijk debat.
Hadden velen uit het eerdere werk van Foucault menen te moeten opmaken dat ‘het subject’, de mens, een willoos slachtoffer van maatschappelijke machtsmachinaties was, nu blijkt er plotseling een compromisloze, ‘onbuigzame’ vrijheid te bestaan. Maar, zegt Foucault, misschien kunnen we nog beter spreken van een ‘agonisme’, een neologisme dat hij omschrijft als ‘een relatie die tegelijkertijd door wederzijdse aansporing en door strijd wordt gekenmerkt’. Hoe meer verzet, hoe meer macht – hoe meer macht, hoe meer verzet.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er waart een spook door de westerse wereld – het spook van de religie.

Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen (2009)

Met deze zin begint het magistrale boek van de Duitse cultuurfilosoof en romanschrijver Peter Sloterdijk (1947). Het is een directe verwijzing naar de openingszin van Het communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich Engels uit 1848. Overigens zagen die natuurlijk een ander spook rondwaren: het communisme. Maar anders dan het communisme, dat nieuw was, is het huidige spook van de religie er een dat steeds weer opnieuw opduikt. En de teruggekeerde religie wordt door ‘machthebbers van het oude Europa’ feestelijk verwelkomd met een ‘pompeus’ feest waar uiteenlopende gasten bijeenkomen, van de paus tot islamitische geleerden, Amerikaanse presidenten en Kremlinkrijgsheren, en zelfs Duitse sociologen (een sneer naar Habermas). Het enige wat het feest verstoort, is het ‘zomeroffensief van de goddelozen van 2007’, ‘waaraan we twee van de oppervlakkigste pamfletten van de recente geestesgeschiedenis te danken hebben, namelijk van Christopher Hitchens en van Richard Dawkins’.
Zelf pleit Sloterdijk niet voor een terugkeer van de oude religie maar voor een ‘antropotechnische wending’. Met een eigenzinnig beroep op filosofen als Nietzsche, Wittgenstein en Foucault stelt Sloterdijk dat de mens allereerst een wezen is dat geen genoegen neemt met het leven zoals het gegeven is. Mensen zijn voortdurend bezig om hun leven te veranderen, en dat ‘moet’ ook, maar ze kunnen dat niet alleen. Ze hebben elkaar en ‘antropotechnieken’ nodig: rituelen, technieken, oefening, training enzovoort.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In de klassieke zorg voor het zelf … is [het] niet mogelijk om immoreel te zijn en toch de waarheid te kennen.

Dick Kleinlugtenbelt in ‘Het domein van filosofische praktijken’, in: Delnoij & Van der Vlist, Filosofisch consulentschap (1998)

In onze moderne cultuur van het zelf, zo constateert socioloog en filosoof Dick Kleinlugtenbelt (1949), gaat het om het ontdekken van het ‘ware zelf’. Dit ontdekken is ons over het algemeen niet zelf gegeven, maar het moet ‘ontcijferd’ worden door de psychologie of de psychoanalyse. Maar in de klassieke zelfzorg kun je geen toegang tot de waarheid krijgen als je niet eerst aan jezelf werkt. Door deze ‘arbeid’ ontwikkel je een ‘gezonde achterdocht ten aanzien van het kennen van de waarheid’ en ga je daar vervolgens ‘behoedzaam’ mee om. Je streeft naar ‘zuivering’ door jezelf te bevragen en over jezelf na te denken. Daartoe moet je eerst leren autonoom te zijn en zelfstandig te denken. De waarheid heeft vervolgens wel een ‘prijs’: je moet een beter mens worden om jezelf werkelijk te kennen in je eigen unieke situatie. Zolang je jezelf niet moreel ontwikkelt, zul je daar nooit in doordringen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Levenskunst is het bewust en kritisch ontwikkelen van je eigenheid.

Ronald Wolbink in Levenskunst à la Montaigne (2016)

Bedrijfskundige en filosoof Ronald Wolbink promoveerde in 2012 op een filosofisch proefschrift over De coach, de begeleider van de laatste mens. Hij is tamelijk kritisch op de beroepsgroep van coaches, onder meer omdat die reflectie preekt, maar zelf niet in de praktijk brengt. Verder hanteren coaches veelal een reductionistisch mensbeeld, waardoor zij reële problemen van mensen individualiseren en psychologiseren. Als het gaat om existentiële vragen op de werkvloer ziet hij dan ook meer in de levenskunst, een praktijk die teruggaat tot de eerste filosofen, maar waarbij Wolbink zich vooral laat inspireren door de Essays van Michel de Montaigne (1533–1592). Hij pleitte ervoor ‘om zelf vorm te geven aan je eigen leven en om daarvoor letterlijk en figuurlijk een eigen ruimte voor jezelf te creëren om te zorgen dat je niet overspoeld wordt door alles wat op je afkomt en wat een appel op je doet’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Kunst is een therapeutisch medium dat ons kan begeleiden, vermanen en troosten, waardoor we in staat zijn betere versies van onszelf te worden.

Alain de Botton en John Armstrong in Kunst als therapie (2013)

Alain de Botton en John Armstrong zetten zich nadrukkelijk af tegen de gedachte van l’art pour l’art, de door de kunstelite aangehangen gedachte dat je je niet mag afvragen waar kunst voor dient, maar dat kunst slechts waarde in zichzelf heeft. Dat maakt de kunst overigens ook kwetsbaar, zoals bij de bezuinigingen van de afgelopen jaren is gebleken.
De Botton en Armstrong vinden dat je kunst wel degelijk (ook) mag benaderen als ‘gereedschap’ dat onze ‘vaardigheden en mogelijkheden’ vergroot doordat het onze aangeboren psychologische tekortkomingen compenseert en ons helpt beter om te gaan met onszelf en elkaar. Daartoe doen ze voorstellen om niet alleen de bijschriften bij de kunstwerken in de bestaande musea te herschrijven, maar ook musea te ontwerpen met afdelingen als Leed, Mededogen en Angst, en aparte verdiepingen voor Liefde en Zelfinzicht.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De kunst van het leven is niets anders dan gebruik maken van de personen door wie we lijden.

Marcel Proust, geciteerd in Alain de Botton – Hoe Proust je leven kan veranderen (1997)

De Franse schrijver Marcel Proust (1871–1922) is vooral de auteur van één groot meesterwerk: Op zoek naar de verloren tijd. Deze meerdelige roman en Prousts leven en andere geschriften bieden volgens Alain de Botton talloze wijsheden waarmee eenieder zijn voordeel kan doen. Hij leert je onder meer van het leven te genieten, hoe je een goede vriend kunt zijn, en vooral hoe je ‘met succes kunt lijden’. Proust bleef in zijn leven op lichamelijk, relationeel en geestelijk vlak weinig bespaard, dus je kunt hem beschouwen als een ‘veteraan in het leed’. Er was hem dus veel aan gelegen niet te zoeken naar een of ander utopisch geluk, maar een ‘werkbare benadering van de ellende’ te vinden. Een van de manieren waarop je die kunt ontwikkelen, is te reflecteren op de mensen die ons in de steek laten of ‘van een gastenlijst schrappen’. Door inzicht te krijgen in de manier waarop we worden gekwetst, worden we niet van onze pijn verlost, maar ‘zodra leed wordt omgezet in ideeën, verliest het iets van zijn vermogen ons hart te verwonden’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het verkennen van onze emotionele geografie is een belangrijk aspect van het streven naar zelfkennis.

Martha Nussbaum in De breekbaarheid van het goede – Geluk en ethiek in de Griekse filosofie en literatuur (1986)

Een van de dingen die de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (1947) zich afvraagt, is of we genoeg hebben aan de filosofie en de filosofische manier van schrijven – koel en duidelijk – om tot het goede leven te komen. In de traditie van de westerse filosofie is het vanaf Plato gebruikelijk dat ethische teksten alleen een beroep doen op het verstand. Plato vond dat in een ‘ethisch leerproces’ het denken gescheiden moet worden van ‘onze louter menselijke delen’: emoties, gevoelens en zintuiglijke ervaringen. Daarom moesten we ons verre houden van de literatuur, die een beroep doet op die aspecten.
Als we een tragedie lezen, reageren we in eerste instantie emotioneel. We leven mee met de tragische helden en ondergaan hun dilemma’s. Pas daarna gaan we reflecteren en proberen we een morele positie in te nemen. ‘Wat we van de gebeurtenissen vinden, ontdekken we voor een deel vanuit het besef hoe we ons voelen.’ In een tragedie zien we mensen van vlees en bloed, wier mogelijkheden deels worden bepaald en beperkt door wat hun overkomt. Die kwetsbaarheid van de mens die zijn best doet, maar tegen onoplosbare morele dilemma’s aanloopt, maakt hem niet minder ‘voortreffelijk’, maar is misschien wel onlosmakelijk verbonden met het streven naar het goede.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Kunst is een therapeutisch medium dat ons kan begeleiden, vermanen en troosten, waardoor we in staat zijn betere versies van onszelf te worden.

Alain De Botton en John Armstrong in Kunst als therapie (2014)

De Britse filosofen Alain de Botton (1969) en John Armstrong (1966) zetten zich nadrukkelijk af tegen de gedachte van l’art pour l’art, de door de kunstelite aangehangen gedachte dat je je niet mag afvragen waar kunst voor dient, maar dat kunst slechts waarde in zichzelf heeft. De Botton en Armstrong vinden dat je kunst wel degelijk (ook) mag benaderen als ‘gereedschap’ dat onze ‘vaardigheden en mogelijkheden’ vergroot doordat het onze aangeboren psychologische tekortkomingen compenseert en ons helpt beter om te gaan met onszelf en elkaar.
Volgens Alain de Botton en John Armstrong gaat het onder meer om de volgende tekortkomingen:
1. We vergeten wat belangrijk is.
2. We zijn overgevoelig voor de nare kanten van het bestaan en geven al snel de hoop op.
3. We voelen ons alleen in ons verdriet.
4. We hebben te weinig oog voor onze betere kanten en het ontbreekt ons aan wilskracht om onze idealen na te streven.
5. We zijn een raadsel voor onszelf.
6. We oordelen oppervlakkig en vinden gauw iets vreemd.
7. We zijn ongevoelig geworden door de vertrouwdheid van ons dagelijks leven en vinden het maar saai.
Ze doen voorstellen om niet alleen de bijschriften bij de kunstwerken in de bestaande musea te herschrijven, maar ook musea te ontwerpen met afdelingen als Leed, Mededogen en Angst, en aparte verdiepingen voor Liefde en Zelfinzicht.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Filosofie moet het leven moeilijker maken.

Arnold Heumakers in NRC Handelsblad, 11 april 2008

Volgens criticus en essayist Arnold Heumakers (1950) is het een misverstand dat het de taak is van de filosofie om problemen op te lossen. Dat kunnen we overlaten aan andere sectoren, zoals ‘het alom aanwezige therapeutendom’. Hij vraagt zich af of filosofie niet juist begint waar geen oplossingen meer zijn, zodat je ook niet meer van problemen kunt spreken. Wie denkt dat de filosofie een einde kan maken aan de problemen van mens en cultuur, bijvoorbeeld in de vorm van levenskunst of cultuurkritiek, neemt volgens hem de ‘eindigheid van de menselijke conditie’ niet serieus.
Heumakers wil dat filosofen zich richten op de waarheid en dan zou weleens kunnen blijken dat die zich niet verdraagt met het goede leven. Als je het moeilijk vindt om daarmee te leven, moet je je misschien bezighouden met levenskunst. Maar als je filosofie wilt bedrijven, moet je die ‘tegenstrijdigheid zelf, zo volledig en zo radicaal mogelijk’ aan het licht brengen. ‘In onze humanistische, liberale en pragmatische wereld die voor elk probleem de passende oplossing zoekt en vaak meent te vinden, zou de filosofie het als haar rechtvaardiging, haar trots en haar unieke belang moeten beschouwen dat zij het leven niet makkelijker maakt, maar juist moeilijker.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Cinementaal Filmcyclus 2017: maandag 22 mei a.s. leidt Ronald Wolbink Woody Allen’s ‘Irrational Man’ in.

Elk voorjaar organiseert Cinementaal in samenwerking met Concordia in Enschede een thematische filmcyclus: vier films, verdeeld over vier avonden, met één overkoepelend thema. Dit jaar is dat Lastige Levensfases, met de fases Puberteit, Dertigersdilemma, Midlife en Ouderdom.

De derde filmavond in deze cyclus heeft als thema Midlife. Filosofieprofessor Abe Lucas (een prachtige hoofdrol van Joaquin Phoenix) lijdt aan het leven in Woody Allens Irrational Man.

De film wordt ingeleid door Ronald Wolbink, bedrijfskundige. Ronald Wolbink studeerde bedrijfskunde en volgde opleidingen op de terreinen filosofie, supervisiekunde en coachen. Hij promoveerde in 2012 op een filosofisch proefschrift met als titel De coach, de begeleider van de laatste mens. Verder schreef hij o.a. Filosoferen over management en organisaties en recentelijk Levenskunst à la Montaigne. Hij doceert levenskunst en (organisatie)filosofie in het hbo, bij het humanistisch verbond en aan de Internationale School voor Wijsbegeerte en heeft een eigen bureau voor filosofische gesprekken, supervisie en coachen. In zijn inleiding zal Wolbink ingaan op de thema’s die spelen in de midlifeperiode en daarbij verbinding maken met de film.

Voor meer informatie, zie http://www.cinementaal.nl of www.concordia.nl

De filosofie geneest menselijke ziekten, ziekten veroorzaakt door onjuiste overtuigingen.

Martha Nussbaum in Therapy of desire – Theory and practice in Hellenistic ethics (1994)

Net als bijvoorbeeld Epicurus en Wittgenstein ziet de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (geb. 1947) de filosoof in de eerste plaats als een behandelaar die de mens van verkeerde denkbeelden moet afhelpen. Zoals een arts geneesmiddelen voorschrijft om het lichaam weer gezond te maken, zet de filosoof redeneringen in om de ziel te helen. Sterker nog: je moet een filosofie beoordelen op haar ‘helingskracht’. De geneeskunst streeft naar vooruitgang teneinde het lijdende lichaam bij te staan, terwijl de filosofie zich ontwikkelt om de ziel in nood te helpen. Uiteindelijk is de filosofie volgens Nussbaum ‘niets minder dan de levenskunst van de ziel (technè biou)’. Het is echter de vraag of dit zo’n gelukkige analogie is. Want filosofie gaat ook over de vraag of het wel mogelijk is om voor eens en voor altijd te bepalen welke overtuigingen juist of onjuist zijn. En wie nadenkt over zijn ellende, kan zich daarbij ook afvragen of die niet minstens voor een deel gegeven is met de menselijke conditie of een gevolg is van keuzes die je niettemin niet ongedaan wilt maken.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wanneer u een zwaard ter hand neemt moet uw allereerste bedoeling zijn uw vijand neer te slaan, welke middelen u ook gebruikt.

Miyamoto Musashi in De strategie van de samoerai (1645, 1974, 2006)

Miyamotu Musashi (1584-1645) was al op jonge leeftijd een van de beroemdste samoerai van Japan. Toen hij dertig was had hij al meer dan zestig gevechten gewonnen, maar hij besefte dat dat eerder kwam door zijn talent of door de zwakte van zijn tegenstanders, dan door werkelijk inzicht in De Strategie. Daarop besloot hij de rest van zijn leven alleen nog maar die strategie te bestuderen. Hij werd niet alleen leraar (kendo, zwaardvechtkunst), maar bekwaamde zich bijvoorbeeld ook in de schilderkunst. Aan het einde van zijn leven trok hij zich terug in een grot op de berg Kyushu, waar hij een paar weken voor zijn dood zijn levensfilosofie boekstaafde onder de titel Go rin no sho (Een boek van vijf ringen). Ogenschijnlijk gaat dit boek alleen over de strategie van het zwaardvechten, maar voor velen is wat hij zegt van toepassing op alle aspecten van het leven, misschien wel juist omdat volgens hem de Weg van de samoerai ‘het vastberaden accepteren van de dood’ is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De filosofie zou zich als geneeskunde van de ziel nog wel kunnen handhaven, omdat de gezonden dan zouden weten dat ze hun niet tot last zal zijn.

Christoph Martin Wieland in Filosofie als levenskunst en geneeskunst van de ziel (1778)

In de uitstekende bloemlezing Over levenskunst – De grote filosofen over het goede leven (2002) heeft Joep Dohmen ook plek ingeruimd voor denkers die de gedachte dat de wijsbegeerte de mensen de kunst van het leven zou kunnen bijbrengen nogal pretentieus achten. Zo meent de Duitse schrijver Christoph Martin Wieland (1733–1813) dat mensen al duizenden jaren hebben geleefd voordat iemand op het idee kwam dat leven een kunst zou kunnen zijn. De natuur leert immers iedereen hoe te leven, al is dat leven niet altijd naar de zin van filosofen.
Nu is onze maatschappij verpest door de ‘verfijning’, en zijn lichaam en ziel volkomen ten onrechte gescheiden geraakt, en daar komt veel ellende van. Dan moet de levenskunst wel ‘oplappen en stutten, smeren en kwakzalven zo goed ze kan’ en dan is de filosofie dus ‘medicijn voor de ziel’. Maar zoals alle kunsten doet ook de filosofie zich graag belangrijker voor dan ze is en wil ze haar eigen markt scheppen door niemand toe te staan gezond te zijn: ‘Volgens haar leerstellingen en haar ideaal van gezondheid is de hele aarde één groot gekken- en ziekenhuis en verkeert niemand in zo’n blakende gezondheid dat hij haar voorschriften zou kunnen ontberen.’ Gelukkig ziet Wieland dat de natuur en de mensen zich daar niets van aantrekken en al die filosofische traktaten gewoon ongelezen laten.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Onze ziel te leren kennen: dat was dus wel de vermaning van hem die voorschreef: Ken uzelf.

Socrates tegen Alcibiades in de dialoog Alcibiades van Plato

Het door Plato (428–348 v.C.) opgetekende gesprek dat Socrates voert met Alcibiades wordt wel beschouwd als de eerste tekst over de levenskunst in de geschiedenis van de westerse filosofie. Als de dan nog geen twintigjarige Alcibiades daarin beter naar Socrates had geluisterd, zou hij nu misschien niet op Wikipedia worden aangeduid als een ‘omstreden’ Atheens politicus en veldheer. Nu weten we dat dit rijkeluiszoontje vaak in de problemen kwam, onder meer door vermeende heiligschennis en door overspel, maar in de dialoog met Socrates toont hij zich nog zeer leergierig.
Socrates toont aan dat de mens niet lichamelijk is, maar iets is dat zich van het lichaam ‘bedient’. Als zij met elkaar spreken doen zij dat immers ‘van ziel tot ziel’. We weten niet hoe teleurgesteld Alcibiades over de lage status van het lichaam was, want zijn uiterlijk schijnt op zowel mannen als vrouwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht te hebben uitgeoefend, en dat heeft zo zijn voordelen. En we weten ook niet welke verborgen bedoelingen Socrates misschien heeft gehad door de jongeman in te laten stemmen met de uitspraak dat alleen hij bemint die de ziel liefheeft. Om daaraan toe te voegen: ‘Wel, ik ben de man die niet weggaat maar die trouw blijft, ook al verwelkt je lichaam, terwijl al de anderen weggaan’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media