Skip to content

Gedachten

Dialoog

Hoe worden wij niet door onze kinderen, door dieren opgevoed!

Martin Buber in Ich und Du (1923)

Volgens de Joodse denker Martin Buber kun je op twee manieren tegenover de wereld staan: als een ik tegenover een ‘het’ of als een ik tegenover een ‘jij’. Met een het hebben we geen werkelijke ‘betrekking’, we ervaren het alleen. Maar met een jij staan we in een verhouding die gekenmerkt wordt door fundamentele wederkerigheid. Dat wil zeggen dat wij niet alleen de ander beïnvloeden, maar zelf ook veranderen door onze betrekking met hem of haar. De leerling vormt de leraar, de bouwsels bouwen de bouwvakker op. En zo worden wij ook door onze kinderen, of zelfs door dieren, opgevoed, als wij hen behandelen als een ander zoals wij, en niet als een ding tussen de dingen. ‘Ondoorgrondelijk inbegrepen leven wij in de stromende alom-wederkerigheid.’

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Kenmerkend voor een dialoog is dat de gespreksdeelnemers gezamenlijk tot resultaten en inzichten komen ze die ieder voor zichzelf niet zouden bereiken.

Marja Havermans en Aagje van der Vossen in Spreken is zilver, vragen is goud. In dialoog met ouderen (2014)

In het voorwoord bij hun fraai vormgegeven boek merken praktisch filosofe Marja Havermans (1956) en stervensbegeleidster Aagje van der Vossen (1961) op dat er bij allerlei onderwerpen die ouderen betreffen vaak over ouderen wordt gesproken, maar zelden of nooit door ouderen. Zij presenteren een aantal vormen waarin gesprekken met ouderen kunnen plaatsvinden, onder andere het socratisch gesprek. Bij al deze vormen blijven de voorwaarden van de dialoog van kracht:
1. deelnemers moeten heel goed naar elkaar luisteren;
2. deelnemers schorten hun eigen oordeel op;
3. het stellen van vragen staat voorop;
4. de deelnemers hebben de juiste gesprekshouding: ze hebben belangstelling voor elkaar en willen iets van elkaar leren of samen tot nieuwe inzichten komen;
5. het is goed om twijfels uitspreken;
6. deelnemers spreken kort en helder en zo concreet mogelijk;
7. deelnemers zijn eerlijk;
8. de deelnemers hebben of nemen de tijd.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een socratisch gesprek is een filosofisch onderzoeksgesprek, een dialoog waarin deelnemers onderzoeken wat in hun (professionele) leven van werkelijk belang is.

Hans Bolten in ‘Spreken buiten de orde – Radicale reflectie in een socratisch gesprek’, in Delnoij & Van Dalen, Het socratisch gesprek (2003)

In een socratisch gesprek wordt aan de hand van een concreet voorbeeld dat door een van de deelnemers wordt ingebracht, geprobeerd het eens te worden over het antwoord op een filosofische vraag. Een filosofische vraag is een vraag die alleen beantwoord kan worden door na te denken, niet door empirisch onderzoek of door in een encyclopedie te kijken. Die uitgangsvraag moet natuurlijk zinnig en helder zijn, anders is een onderzoek niet de moeite waard. Omdat de vraag uiteindelijk wordt onderzocht aan de hand van een concreet voorbeeld moet de vraag ook concretiseerbaar zijn en liefst ook eenvoudig en treffend.
Expert op het gebied van het socratisch gesprek, filosoof Hans Bolten, geeft nog een criterium voor een goede uitgangsvraag: zij moet actualiseerbaar zijn, dat wil zeggen: toepasbaar op het gesprek zelf. Een goede vraag voor een team in een organisatie dat effectiever wil werken, zou bijvoorbeeld zijn: Wat is samenwerking? In de loop van een gesprek over die vraag, kunnen zich vragen opdringen als: Wat zijn wij hier nu aan het doen? Is dit samenwerking? In dat geval doet zich een verschijnsel voor dat Bolten ‘radicale reflectie’ noemt, want dan wordt het gesprek zelf het actuele voorbeeld van de algemene vraag.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Want menselijk is de wereld niet omdat ze door mensen vervaardigd is, maar ze wordt pas menselijk als ze voorwerp van gesprek is.

Hannah Arendt in Over menselijkheid in donkere tijden (1959)

Op de vlucht voor de nazi’s woonde de Joodse filosofe Hannah Arendt (1906–1975) vanaf mei 1941 in New York. Toen ze in 1943 van andere vluchtelingen voor het eerst over de vernietigingskampen hoorde, kon ze niet geloven dat dat echt waar was. Een halfjaar later moest ze wel. Tot het eind van haar leven heeft ze geprobeerd te analyseren wat er was gebeurd en waarom.
Bij het gesprek waar het in het citaat over gaat, moeten we vooral denken aan de uitwisseling van politieke ideeën en opvattingen. Zolang dat politieke gesprek gaande blijft, kunnen we steeds opnieuw beginnen, kunnen we samen besluiten het anders aan te pakken. Totalitaire regimes zijn er juist op uit een einde te maken aan dat gesprek, door (de dreiging met) geweld, door propaganda en door de pers te breidelen. Arendts idee van een politiek gesprek is ruimer dan het sluiten van compromissen over bezuinigingen of nieuwe wegen, al lijkt het daar tegenwoordig toe te worden verengd. ‘Pas als we over [de wereld] spreken, vermenselijken wij zowel wat zich in de wereld als wat zich in onszelf afspeelt, en door dit spreken leren we menselijk te zijn.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Bijna alle technische woorden waarvan wetenschap en filosofie zich bedienen zijn schadelijk …

Michel Serres in Het contract met de natuur (1990)

Als twee mensen elkaar heftig tegenspreken, moeten ze toch een gemeenschappelijke taal blijven spreken, anders is de dialoog meteen afgelopen. Aan de andere kant biedt dit gegeven mogelijkheden om de ander vakkundig de mond te snoeren. De Franse filosoof en wetenschapshistoricus Michel Serres (geb. 1930) noemt als voorbeelden de artsen die Latijn gingen spreken, zodat hun patiënten niets meer over hun eigen gezondheid in te brengen hadden. Hij verwijst ook naar de ‘Parijse kranten’ die steeds meer Engelse woorden gebruiken ‘zodat het gewone volk er niets van begrijpt en dom gehoorzaamt’. Maar hem gaat het vooral om de gewoonte van wetenschappers en filosofen om een geheel eigen idioom ontwikkelen. Volgens hem is dat ‘alleen maar bedoeld om een scheiding aan te brengen tussen de leden van de vakgroep en de buitenstaanders, om wie men zich niet bekommert’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een school is oorspronkelijk een vrije ruimte.

Jos Kessels, Erik Boers en Pieter Mostert in Vrije ruimte – Filosoferen in organisaties – Klassieke scholing voor de hedendaagse praktijk (2002)

‘Scholing’ komt van het Griekse woord scholè, en dat betekent oorspronkelijk vrije ruimte. Voor hun filosofische wijze van werken met organisaties gebruiken de filosofen Kessels, Boers en Mostert daarom het beeld van een school, als een van oorsprong vrije ruimte, ‘een vrijplaats om na te denken, samen met anderen, over hoe de wereld in elkaar zit, wat ons en anderen te doen staat, wat het “goede leven” inhoudt’.

In onze tijd is vrije ruimte in organisaties of in het dagelijks leven vooral een kwestie van vrije tijd. Dat het ons vaak ontbreekt aan tijd en dat we (mede daarom) veelal sterk doel- of resultaatgericht zijn, is een van de grootste obstakels voor een dialoog waarin we de tijd nemen om onszelf en elkaar te ‘scholen’. Voor een dialoog heb je volgens de auteurs juist het omgekeerde nodig: genoeg ruimte om de tijd te nemen en geen storende elementen als prangende of urgente doelen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je kunt je niet van je eigen gezonde verstand overtuigen door je buurman op te sluiten.

Fjodor Dostojevski in Dagboek van een schrijver (1873)

Dit citaat is een van de inspiratiebronnen voor de Geschiedenis van de waanzin (1961, 1989) van de Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984). Hij verwijst ook naar Pascal, die schreef: ‘De mensen zijn zo noodwendig gek, dat niet-gek zijn alleen maar zou beduiden: gek zijn in een ander soort waanzin.’ Foucaults ‘genealogie’ is dan ook geen geschiedenis van allerlei buitenissige gekten, maar van de manier waarop mensen hun buurman achter slot en grendel zetten en elkaar ‘in de meedogenloze taal van de niet-waanzin herkennen’. Daarom moet hij beginnen in een ‘nulpunt’ waar het onderscheid tussen gek en niet-gek nog niet is gemaakt, maar iedereen zijn eigen, unieke ervaringen heeft. Daar is nog sprake van een dialoog tussen de mens-van-de-waanzin en de mens-van-de-rede. Als tegen het einde van de achttiende eeuw de waanzin wordt geïnterpreteerd als een ‘geestesziekte’ wordt dat gesprek verbroken. De psychiatrie is een monoloog van de rede over de waanzin, die alleen mogelijk is geworden doordat ‘die enigszins stamelende woorden’ van die oorspronkelijke dialoog zijn vergeten.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Objectiviteit is een afspraak van mensen waardoor ze niet altijd hoeven te zeggen waar ze het over hebben.

B.J. Kouwer in Existentiële psychologie (1973)

Het ‘rare’ aan de psychologie is dat wat behoort tot het onderwerp van deze wetenschap, zoals denken, bewustzijn, kenvermogen en waarneming, tegelijk vooronderstelling is van het doen aan wetenschap. Voor de Nederlandse psycholoog Benjamin Jan Kouwer (1921-1968) was deze merkwaardige aard van het bewustzijn aanleiding om alle vigerende theorieën over de mens af te wijzen. Door het paradoxale karakter van de psychologie had hij vervolgens wel veel moeite om zelf tot een eigen theorie te komen. Hoe die er ongeveer uit zou zijn gaan zien, weten we uit de door zijn Groningse leerlingen postuum uitgegeven college-aantekeningen in het genoemde boekje.
Hij gaat ‘het gesprek’ nemen als elementaire eenheid van onderzoek, en niet langer gedrag of psyche van het individu. Een van de lastige kwesties waar de psychologie mee te maken had, was het feit dat er aan de ene kant gestreefd werd naar ‘objectieve’ kennis van de mens, terwijl psychologen tegelijkertijd alleen maar konden vaststellen dat ieder individu door en door ‘subjectief’ is. In het gespreksperspectief wordt dit elegant opgelost: objectief zijn die dingen waar we het over eens zijn, subjectief die zaken waarover we dat niet zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Is voortdurende reflectie institutionaliseerbaar?

Helmuth Schelsky in Auf der Suche nach Wirklichkeit (1965)

De Duitse socioloog Helmut Wilhelm Friedrich Schelsky (1912–1984) stelde vast dat het moderne christendom zich niet langer identificeert met voorgegeven, eenduidige waarheden, maar reflecterend en reflexief is. Net als de moderne mens in het algemeen relativeert de moderne christen het ene standpunt na het andere, door voortdurende vragen en kritiek. Kun je daar wel een institutie op baseren, vroeg hij zich af, die leeft als een gemeente, georganiseerd is als een kerk en inspireert als een blijde boodschap? Hij meende uiteindelijk dat dat wel mogelijk was, namelijk in de vorm van het Gesprek en de Ontmoeting, tijdens bijeenkomsten, op christelijke scholen, in gesprekskringen, in de biecht enzovoort. Zou er voor de moderne mensen zonder levensbeschouwelijke identiteit ook zo’n wenkend perspectief zijn?

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er bestaat geen Ik op zichzelf, alleen het Ik van het grondwoord Ik-Jij en het Ik van het grondwoord Ik-Het.

Martin Buber in Ich und Du (1923)

De Joodse denker Martin Buber (1878–1965) werd geboren in Wenen en stierf in Jeruzalem, waar hij in 1938 naartoe had weten te vluchten. Hij was een zogenaamde ‘Homeland’-zionist: een voorstander van een gezamenlijke staat van Arabieren en Joden.
Zijn apodictisch geschreven pleidooi voor een dialogische relatie met onze medemensen – in de laatste Nederlandse vertaling Ik en jij (1998) – begint met de stelling dat de wereld de mens op tweevoudige wijze gegeven is, omdat de mens een tweevoudige houding kan aannemen. Deze tweevoudige houding hangt zelf weer samen met de twee ‘grondwoorden’ die een mens kan spreken. Bij het eerste grondwoord, Ik-Het (of -Hij of -Zij), behoort de wereld van de ervaring: ik ervaar altijd iets. Het tweede grondwoord, Ik-Jij, sticht de wereld van de betrekking. Die laatste wereld heeft drie ‘sferen’, die van de natuur, die van de medemens en die van de geestelijke wezens. In alle drie de Jij’s in deze sferen spreken we op een eigen wijze het eeuwige aan.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het enige wat de mens noodlottig kan worden, is het geloof in het noodlot: het onderdrukt de beweging van de verandering.


Martin Buber in Ich und Du (1924)

Volgens de joodse filosoof Martin Buber (1878-1965) is het geloof in het noodlot ‘van de aanvang af een misverstand’. Wie denkt in termen van processen die volgens een zekere noodzaak verlopen, levert zichzelf alleen maar uit aan een ordening achteraf van zogenaamd objectieve gegevenheden. Het grondonderscheid dat volgens Buber de mens kenmerkt is dat hij kan staan in twee verschillende relaties, namelijk van ik tot ‘het’ en van ik tot ‘jij’. Het noodlot behoort tot de ‘wereld van het het’. Wie daarin gelooft, kent niet de ‘tegenwoordigheid van het jij’, het ‘worden uit de verbondenheid’. Voorspellingen van de toekomst uit het gedrag van objecten zijn alleen geldig voor wie die tegenwoordigheid niet kent. Maar de ‘wereld van het jij’ is voor niemand gesloten. Als je daar met je hele wezen binnengaat, word je vrij. Want ‘bevrijd worden van het geloof aan de onvrijheid, betekent vrij worden’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Respondeo etsi mutabor. (Ik antwoord, al verander ik daardoor.)

Eugen Rosenstock-Huessy in Out of Revolution: Autobiography of Western Man (1938)

Geboren als Eugen Rosenstock (1888-1973) voegde de Duitse filosoof, jurist en socioloog na zijn huwelijk met Margaretha Huessy haar naam toe aan de zijne. Rosenstock-Huessy was zowel een actief schrijver als een betrokken maatschappelijk hervormer. Hij kwam uit een joods gezin, maar sloot zich op jonge leeftijd aan bij de protestants-christelijke kerk. Dat neemt niet weg dat zijn werk beïnvloed is door zijn intensieve contacten met joodse denkers als Rosenzweig en Buber.
In het betreffende werk, dat verscheen nadat hij in 1933 naar Amerika was geëmigreerd, spreekt hij in het hoofdstuk ‘Afscheid van Descartes’ over de eenzijdigheid van diens ‘cogito ergo sum’ (ik denk, dus ik besta). Volgens Rosenstock-Huessy is zijn generatie, die de (Eerste) Wereldoorlog heeft meegemaakt, niet meer geïnteresseerd in de openbaarwording van de ware God of de ware aard van de natuur, maar meer in het overleven van een ware menselijke samenleving. Tegenover het cogito stelt hij de dialogische inzet, waarbij de waarheid ‘vitaal’ is en sociaal moet worden gerepresenteerd: respondeo etsi mutabor – ik antwoord, al verander ik daardoor.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wanneer de veroordeling vaststaat, is er geen vrijheid, dus geen individualiteit en daarmee is oordeelsvorming – wat de eigenlijke betekenis is van het woord kritiek – uitgesloten.

F. van Raalten in Eenzaamheid & communicatie (1982)

Voor Van Raalten is de wijsgerige antropologie ‘een verhandeling over de verhouding van de mens tot zichzelf en over de ervaringen die een mens in die verhouding met zichzelf opdoet’. Individualiteit is zelf echter het hoogste principe van onze cultuur, de ‘rechten van de mens’ bijvoorbeeld zijn vooral rechten van de mens als individu. Dat betekent dat individualiteit zelf het criterium wordt om te bepalen of we juist spreken over de verhouding van de mens tot zichzelf. Denkers die de (waarde van de) individualiteit van de mens afwijzen, zullen dus alles wat een wijsgerig antropoloog als Van Raalten zegt over eenzaamheid en communicatie bij voorbaat verwerpen. Van Raalten denkt daarbij bijvoorbeeld aan een marxist (de mens wordt bepaald door zijn positie in de samenleving) of een behaviorist (alleen gedrag is reëel), maar ook aan een positivist als Comte (alleen de natuurwetenschap levert kennis) of een naturalist als Nietzsche (de mens is een soort instrument van de wil tot macht). In al die gevallen is een gesprek eigenlijk niet meer mogelijk, omdat van te voren vast staat dat je bijdrage aan het gesprek zelf bepaald wordt door krachten waar je geen vat op hebt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik besefte (…) dat het lezen van elk goed boek een soort gesprek is met de schrijver ervan, en dus met de meest voortreffelijke mensen uit het verleden, ja men zou kunnen zeggen, een geleerd debat waarin ze ons hun beste denkbeelden meedelen.

René Descartes in Over de methode (1637)

Descartes was leerling aan een van de beroemdste scholen van het Europa van zijn tijd: het in 1604 door de jezuïeten gestichte Collège Henri IV. Hij had ‘waardering’ voor wat men hem daar leerde aan talen, geschiedenis, welsprekendheid, literatuur, moraalleer, theologie, rechtsgeleerdheid, geneeskunde en dergelijke. En ook de filosofie die er werd onderwezen is volgens hem niet zonder belang, onder andere omdat die de mens in staat stelt ‘de bewondering te oogsten van wie minder geleerd is’. Maar uiteindelijk brachten zijn opleiding, boeken, reizen et cetera Descartes tot de overtuiging dat hij slechts heel veel verschillende, vaak tegengestelde ‘meningen’ was tegengekomen. Om de waarheid te vinden kon hij beter helemaal opnieuw beginnen door alles in twijfel te trekken. Maar als je je voorstelt dat alles wat je ooit gedacht hebt niet waar is, weet je tegelijk één ding zeker. Om dat te kunnen denken moet er namelijk ten minste iets zijn wat denkt. En dat brengt Descartes tot een eerste waarheid, niet als een redenering, maar als een helder en onmiddellijk inzicht: ‘ik denk, dus ik ben.’
Velen die met Descartes het ‘geleerde debat’ zijn aangegaan, moesten deze waarheid eerst uitbreiden tot ‘ik lees, dus het boek van Descartes en ik bestaan’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Mensen zijn niet om over te praten, maar om mee te praten.

B.J. Kouwer in Existentiële psychologie (1973)

Aan de ene kant kun je over het bewustzijn spreken alsof het een soort ding is, aan de andere kant moet je bewustzijn altijd al vooronderstellen als je het er met elkaar over hebt. Voor de Nederlandse psycholoog Benjamin Jan Kouwer (1921-1968) was dit ‘rare’ karakter van het bewustzijn aanleiding om alle bestaande psychologische theorieën over de mens af te wijzen. Hij deed dat in een zeer geestig boek, waarin hij onder de titel Het spel van de persoonlijkheid (1963) alle belangrijke persoonlijkheidstheorieën uit de geschiedenis licht belachelijk maakt.
Kouwer was sterk beïnvloed door zijn lezing van Het Zijn en het Niet (1943) van Jean-Paul Sartre, dat hij al in de oorlog op zijn onderduikadres las. Na zijn existentialistische nawoord in Het spel van de persoonlijkheid werd het voor Kouwer als psycholoog erg moeilijk om nog een eigen ‘positieve’ psychologie te ontwikkelen. Hij publiceerde in de laatste vijf jaar van zijn leven geen nieuw werk. In welke richting Kouwers gedachten gingen, weten we alleen uit de door zijn Groningse leerlingen postuum uitgegeven college-aantekeningen in het boekje Existentiële psychologie (1973) . Hij gaat ‘het gesprek’ nemen als elementaire eenheid van onderzoek, en niet langer gedrag of psyche van het individu.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top