Skip to content

Gedachten

Kant

Men zal op Schopenhauer moeten teruggrijpen om onze tijd te kunnen verstaan.

Rüdiger Safranski in Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie (1987)

In zijn voorwoord tot de biografie van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) zet Rüdiger Safranski (1945) diens diepgevoelde pessimisme af tegen het optimisme van Immanuel Kant over de Franse Revolutie. Volgens Kant was de Franse Revolutie een historisch fenomeen dat door de mensheid nooit meer vergeten zou worden ‘omdat het in de menselijke natuur een aanleg en een vermogen ten goede aan het licht heeft gebracht’. Hoewel Schopenhauer altijd zijn diepe bewondering voor Kant is blijven uiten, had hij weinig op met diens heilige geloof in ‘de Rede’. Hij beschouwde de Rede als een ‘leerling-verkoopster’ die overal heen loopt waar haar chef, de Wil, haar naartoe stuurt. Zelf waren die lotgevallen van de wil in zijn persoonlijk leven en het leven in het algemeen een ware nachtmerrie. Om zich daartegen te beschermen, zegt Safranski, integreerde hij die nachtmerrie in de kern van zijn filosofie. Want, zo schreef Schopenhauer, ‘een filosofie waarin men tussen de regels door niet de tranen, het geween en tandengeknars en het getier van een algemene wederzijdse uitroeiing hoort, is geen filosofie’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Sapere aude – heb de moed om wijs te zijn

Horatius in Epistulae I,2,40

Letterlijk betekent de uitspraak sapere aude van de Romeinse dichter Horatius (65–8 v.Chr.) ‘durf te weten’. Deze aansporing nam Immanuel Kant over in zijn programmatische Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? (1784). Daarmee werd het het motto van de Verlichting. Voor Kant ging het erom dat de mens zijn onmondigheid liet varen en niet meer alles aannam waarvan de autoriteiten uit heden en verleden zeiden dat het waar was. De vertaling ‘heb de moed om wijs te zijn’ is ontleend aan Friedrich Schiller die het een ‘veelbetekenende uitdrukking’ van een ‘oude wijze’ noemt.
Zelf denken en kennis vergaren, en je niet op anderen verlaten, maakt je wel eenzaam. Volgens de Duitse filosoof Schopenhauer in Bespiegelingen over levenswijsheid wordt de moed om ‘eigenwijs’ te zijn met het klimmen der jaren echter steeds ‘gemakkelijker en vanzelfsprekender’. Hij ziet het als het lot van ‘alle superieure geesten’ dat ze eenzaam zijn. Maar ‘als men boven de zestig komt, is de hang naar eenzaamheid ronduit natuurlijk’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Mens zijn is weigeren de gegeven werkelijkheid als vaststaand te beschouwen.

Susan Neiman in een interview met Filosofie Magazine (december 2014)

Met grote aarzelingen wijst ze op haar zielsverwantschap met Hannah Arendt en noemt ze zichzelf desgevraagd de belangrijkste hedendaagse denker over het kwaad. De Amerikaanse filosofe Susan Neiman (1955) won in 2014 de prestigieuze Spinozalens voor ethiek en samenleving voor haar boeken Het kwaad denken en Morele helderheid. In dat laatste werk grijpt ze terug op het onderscheid van Immanuel Kant ‘tussen de wereld zoals die is en de wereld zoals die zou moeten zijn’. In het eerste geval vraag je naar de waarheid, in het tweede geval naar de moraal. Het is dit onderscheid dat ethiek mogelijk maakt.
In een recenter boek – Waarom zou je volwassen worden – bespreekt ze het onvermogen van moderne mensen om ‘evenveel gewicht toe te kennen aan de werkelijkheid als aan het ideaal’. Met name in intellectuele kringen is het bon ton om elk idealisme af te doen als ‘naïef wensdenken’. Net als de ‘kinderlijke dogmatiek’ van vroeger – toen men de kerk of de partij voor zich liet denken – is het een weigering om volwassen te worden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De filosoof is geen redekunstenaar, maar de wetgever van de menselijke rede.

Immanuel Kant in Kritik der reinen Vernunft (1781)

In zijn ‘Kritiek van de zuivere rede’ probeerde Immanuel Kant (1724–1804) de twee grote stromingen uit zijn tijd met elkaar te verzoenen. Aan de ene kant had je de empiristen, zoals Hume, die meenden dat onze kennis uitsluitend gebaseerd is en/of moet zijn op ervaring. Aan de andere kant had je de rationalisten, zoals Descartes, die ervan overtuigd waren dat de meest fundamentele kennis werd gevonden door zelfreflectie. Bovendien wilde Kant kunnen begrijpen hoe Newton onveranderlijke natuurwetten kon afleiden uit toevallige waarnemingen.
Volgens Kant geldt voor de wiskundige, de natuurkundige en de logicus wel dat zij ‘redekunstenaars’ zijn. Zij maken gebruik van de rede, maar begrijpen haar niet werkelijk. Daarvoor is een leermeester nodig die hen als ‘werktuigen’ inzet om het wezenlijke doel van de menselijke rede te bevorderen: de filosoof. Dit ‘einddoel’ van al onze kennisverwerving is volgens Kant ‘de algehele bestemming van de mens’ en de filosofie die hierover gaat is de ethiek. Tot hoofddoel van filosofie en wetenschap bestempelt Kant ten slotte de ‘algemene gelukzaligheid’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik ben de enige Duitse filosoof die er goed uitziet.

Rebekka Reinhard in Trouw (5 november 2014)

Als je zegt dat je iets mooi vindt, gaat daar volgens Immanuel Kant iets dwingends van uit. De universele geldigheid van het schoonheidsideaal is volgens de Duitse filosofe Rebekka Reinhard (geb. 1972) in deze tijd pas echt realiteit geworden. De gefotoshopte tandpastaglimlach van de modellen en sterren geldt nu wereldwijd als norm. Zelf heeft Reinhard niet de druipsnor van Nietzsche of de hazenlip van Habermas, maar lang blond haar en blauwe ogen. Haar schoonheid is geluk, mazzel, maar dat gaat tegenwoordig voor de rest van de mensheid niet meer op. Schoonheid is een prestatie geworden, doordat plastische chirurgie het mogelijk maakt om die in eigen hand te nemen.
Voor Reinhard en de depressieve cliënten in haar filosofische praktijk is schoonheid zeker een van de dingen die het leven de moeite waard maakt. Maar in haar boek Mooi! – Mooi zijn, mooi lijken, mooi leven maakt ze zich boos over het feit dat schoonheid is ‘gekaapt’ door popsterren ‘of liever: pornosterren’. Dat ware schoonheid van binnen zit, was altijd een cliché, maar volgens haar zijn we het desondanks vergeten. Volgens haar is de tijd de ware test van schoonheid: als zij op haar tachtigste nog steeds mooi is, dan kun je pas van een schoonheid spreken.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Psychologie zonder filosofie is blind, filosofie zonder psychologie is leeg.

James Gibson Hume in Psychological Bulletin (1909)

De Canadese geleerde James Gibson Hume (1860–1949) was een van de oprichters van de American Psychological Association in 1892, en studeerde onder andere bij beroemdheden als G. Stanley Hall, William James en Hugo Münsterberg. Gedurende dertig jaar was hij hoofd van de filosofiefaculteit van de Universiteit van Toronto. Eind negentiende eeuw was de psychologie zich gaan ‘emanciperen’ van de moeder aller wetenschappen, de filosofie. Niettemin werd bijvoorbeeld in Nederland psychologie pas na de Tweede Wereldoorlog een zelfstandige studie, in plaats van een afstudeerrichting in de wijsbegeerte.
Hume parafraseert in het citaat een beroemde uitspraak van Immanuel Kant uit diens Kritik der reinen Vernunft: Gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrippen zijn leeg. Wat Hume bedoelt, is dat een psychologie die alleen maar experimenteert en onderzoekt, niet weet waar ze naar moet zoeken, want hypotheses moeten ergens vandaan komen. In het ideale geval is dat een theorie over ‘de hele mens’, en zodra je zo’n theorie gaat ontwikkelen doe je aan filosofie. Maar het tweede deel van het aforisme bekritiseert een filosofie die zich niets van de feiten aantrekt en zich ook niet druk maakt of haar speculaties ergens toe leiden. In zekere zin is Hume’s uitspraak nog steeds actueel.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je zou kunnen zeggen dat ‘het eeuwige mysterie van de wereld haar begrijpelijkheid is’.

Albert Einstein in ‘Physics and reality’ (1936)

Een citaat met de strekking dat het een eeuwig mysterie is dat de wereld begrijpelijk is, wordt vaak toegeschreven aan Albert Einstein (1879–1955), maar in de bron staat de uitspraak tussen aanhalingstekens. Dat kan twee dingen betekenen: hij presenteert het als een (nieuw) aforisme, of hij citeert (uit het hoofd) Immanuel Kant. Van deze laatste zegt hij namelijk in de volgende zin van het artikel dat het een van de grote ontdekkingen van Kant is dat het zinloos zou zijn om te denken dat er een wereld buiten ons bestond als die niet begrijpelijk zou zijn. Einstein verdedigt hiermee een positie die we realisme noemen, namelijk dat de buitenwereld onafhankelijk van ons bewustzijn of onze wetenschappelijke theorieën werkelijk bestaat. De meeste ‘gewone’ mensen hangen, meestal zonder dat te weten, een dergelijk realisme aan. Maar onder invloed van de kwantummechanica gingen natuurkundigen twijfelen aan de onbetwijfelbaarheid van dit uitgangspunt. Uit hun experimenten leek je te kunnen opmaken dat verschijnselen als licht pas eigenschappen kregen (deeltjes of golf) doordat je ze op een bepaalde wijze onderzocht. Daarmee werd de wereld relatief ten opzichte van onze theorieën erover. Als je Einstein volgt, zou je kunnen zeggen dat het een wonder is dat de werkelijkheid zich iets aantrekt van onze pogingen om haar te begrijpen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het principe van de eigenliefde is (…) misschien wel te verenigen met mijn volledige welbevinden op dit moment, maar nu is de vraag: is het juist?

Immanuel Kant, Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785, ba54)

Stel dat je ernstig in geldnood zit en van iemand geldt wilt lenen. Hij zal dat alleen doen als je hem belooft het terug te zullen betalen. Je zult dat graag beloven, ook als je weet dat dat terugbetalen er waarschijnlijk niet in zit. Maar als je nog een greintje geweten hebt, zul je je toch afvragen of dat wel mag: iets beloven ten bate van jezelf, terwijl je weet dat je die belofte gaat breken. Immanuel Kant (1724-1804) vindt dan dat je je moet afvragen wat er gebeurt als je daar een ‘maxime’, een stelregel van maakt: wat gebeurt er als iedereen dat zou doen? En dan zie je meteen dat de eigenliefde in dit verband nooit als algemene wet kan gelden: niemand zou dan immers nog een belofte vertrouwen, maar daar alleen nog maar om lachen. En niemand zou meer geld kunnen lenen, ook degenen niet die het wél terug willen betalen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als Schopenhauer filosofeert over seks, vormen de wereld en hijzelf de grondstof; als de academische filosofen filosoferen, vormt Schopenhauer de grondstof.

Machteld Allan, inleiding tot Hoe te beminnen – Filosofen over seks (2007)

Schopenhauer zelf verbaasde zich er al over dat zo weinig filosofen zich bezighielden met zo’n belangrijk verschijnsel als de seksualiteit. Machteld Allan (1964) vindt na Plato (Alcibiades’ toespraak uit het Symposium) alleen nog wat bij Lucretius en Kant (over het huwelijksrecht en over ‘de plicht jegens je lichaam inzake de geslachtelijke lust’). Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is er weliswaar een aparte discipline ontstaan met een echte Society for the Philosophy of Sex and Love, maar het verschil tussen deze ‘seksfilosofen’ en iemand als Schopenhauer is groot. Net als veel andere filosofie van tegenwoordig is dit volgens haar een typisch wetenschappelijke specialisatie geworden, terwijl seks bij Schopenhauer een substantieel onderdeel is van zijn integrale filosofie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het bewustzijn en het gevoel van onbeduidendheid van de eigen morele waarde in vergelijking tot de wet is de nederigheid of deemoed (humilitas moralis).

Immanuel Kant in Die Metaphysik der Sitten (1797)

Naast de deugd van de nederigheid onderscheidt Immanuel Kant (1724–1804) nog twee andere houdingen tegenover de eigen morele waarde. Ten eerste is dat de Tugendstolz of arrogantia moralis, oftewel het overtuigd zijn van de eigen morele waarde, maar alleen maar bij gebrek aan een vergelijking met de wet. Maar nog meer ‘zedelijk fout’ is wat Kant de ‘kruiperij’ noemt: het afzien van iedere aanspraak op morele waarde in de overtuiging dat men zo een geleende waarde verwerft (humilitas spuria). In zo’n geval zet iemand zijn nederigheid louter in om de gunst van een ander te verwerven, en als huichelarij en vleierij is dat in strijd met de ‘plicht ten opzichte van jezelf’.
De basis van Kants ‘plichtethiek’ is dat wij ons moeten laten leiden door de zogenaamde categorische imperatief: handel slechts volgens die stelregel, waarvan je tegelijk kunt willen dat die voor iedereen moet gelden. Dan blijkt dat ‘kruiperij’ in strijd is met dat gebod, en nederigheid niet.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De vriendschap is een kapitaal waarvan de rente nooit verloren gaat.

Johann Georg Hamann in ‘An J.G. Lindner, 1756’ (1905)

Kierkegaard noemde de Duitse filosoof Johann Georg Hamann (1730–1788) ‘zonderling’ (maar dat bedoelde hij als een compliment!). Hamann was afkomstig uit Koningsbergen, de stad waar Immanuel Kant – letterlijk – zijn hele leven doorbracht en wordt gerekend tot de ‘geloofsfilosofen’, samen met onder anderen Schleiermacher en Herder.
Onder invloed van David Hume stelde Hamann zich op het standpunt dat de filosofie moet uitgaan van de zintuiglijk ervaren werkelijkheid. Met name Hamann’s opvatting dat wij als mensen eerst en vooral geboren worden in een ‘taalwerkelijkheid’, die vervolgens ons denken bepaalt, is opmerkelijk. In zijn nadruk op de fundamentele betekenis van ons spraakvermogen, wijst hij vooruit naar 20ste-eeuwse taalopvattingen van bijvoorbeeld Wittgenstein, maar ook van de structuralisten.
Zijn visie op de vriendschap als kapitaal, sluit aan bij een andere, nog recentere, opvatting (van bijvoorbeeld managementgoeroe Stephen Covey) dat wij mensen bij elkaar een ‘emotionele bankrekening’ hebben. Als je te veel van het kapitaal ‘opneemt’ (door gunsten te vragen of iemand te benadelen), kan dat ten koste gaan van de vriendschap, en dan lopen de rente-inkomsten ook terug …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De Dingen-in-zichzelf? Ach, daar gaat het prima mee, dank u zeer. En hoe gaat het met u?

Bruno Latour in ‘Irreductions’ in The Pasteurization of France (1988)

Immanuel Kant noemde het zelf een soort copernicaanse revolutie, toen hij concludeerde dat het bewustzijn met zijn categorieën (zoals tijd en ruimte) de verschijnselen pas tot leven wekt. Veel filosofen klagen dat het zo moeilijk is om zicht te krijgen op het Ding an sich, het noumenon, waardoor deze instantie het moet doen zonder het ‘licht van hun bewustzijn’. Latour vindt dat ze niet moeten zeuren: ‘Als je de galopperende vrijheid van de zebra’s op de savanne vanmorgen hebt gemist, dan is dat pech voor jou; de zebra’s zullen het niet betreuren dat je er niet was, en je zou ze toch maar getemd, gedood, gefotografeerd of bestudeerd hebben.’ De dingen in zichzelf komen niets tekort. Pas als je ze eerst hebt gereduceerd tot niets, door ze onder andere te los te maken uit hun eigen tijd (geschiedenis) en ruimte (door ze geïsoleerd te bekijken), hebben ze jou nodig om weer in de wereld te komen. En dat is nog hard werken ‘met niets anders dan spierkracht en een transcendentaal ego’.
Latour vindt het tijd voor een copernicaanse contrarevolutie (We zijn nooit modern geweest, 1991): het ding en het bewustzijn zijn twee uitersten, die je slechts met de grootste moeite kunt ‘zuiveren’ uit de woekering van de hybriden daar tussenin.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Alles wat het gezellige samenzijn bevordert (…) is een gewaad dat de deugd voordelig kleedt en voor die laatste ook in serieuzer opzicht aan te bevelen is.

Immanuel Kant in Anthropologie in pragmatischer Hinsicht (1798)

Immanuel Kant (1724–1804) staat nogal bekend om zijn strenge moraal, maar hij beschouwt het purisme van de cynicus en de ascese van de kluizenaar als ‘karikaturale gestalten van de deugd’. Niettemin is voor hem het uitgangspunt dat ‘de beide vormen van het goede, het fysieke en het morele’, het goede leven en de deugdzaamheid, tegengestelde bewegingen zijn, en dat wij beide goed moeten analyseren om te komen tot een synthese: een ‘fatsoenlijke gelukzaligheid’. Deze manier van denken noemt hij waar het de omgang met elkaar betreft de ‘humaniteit’.
Volgens Kant wordt de humaniteit nog het meest gediend met ‘een goede maaltijd in goed (en als het even kan ook afwisselend) gezelschap’. Dat gezelschap moet niet te groot zijn – volgens Chesterfield niet kleiner dan het aantal gratiën (drie) en niet groter dan het aantal muzen (negen) –, zodat er gezamenlijk één cultureel smaakvolle conversatie kan worden gevoerd. Een ‘feestelijk onthaal’ met gelag en buffet acht Kant volstrekt smakeloos.
Kant waarschuwt ook nog dat in je eentje eten (solipsismus convictorii) voor een filosoferende geleerde ongezond is, want iemand die probeert te genieten van een eenzame maaltijd ‘verliest geleidelijk zijn monterheid’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Neminem laede, imo omnes, quantum potes juva. [Doe niemand kwaad, maar help iedereen, zoveel je kunt.]

Arthur Schopenhauer in Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal (1840)

De als ‘pessimistisch’ bekend staande Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860) buigt zich over de vraag naar de grondslag of ‘kennisgrond’ voor de moraal, daartoe uitgedaagd door een prijsvraag van de Koninklijke Deense Academie van Wetenschappen. Hij werd niet bekroond.
Toch doet Schopenhauer in zijn antwoord iets wat veel filosofen volgens hem nalaten, namelijk niet alleen formuleren wat het principe van zijn ethiek is, maar ook te zoeken naar de achterliggende reden voor die hoogste deugd. De stelregel (het citaat op de voorkant) is een positief gestelde variant op het aloude ‘wat u niet wilt dat u geschiedt …’. Op zich is dat al een enorme verbetering, omdat het in Schopenhauers formulering oproept tot het juiste handelen, in plaats van bepaalde handelingen te veroordelen. Volgens Schopenhauer komt deze bijna als natuurlijk ervaren ethische grondregel voort uit het aangeboren, ‘alledaagse fenomeen’ van het medelijden, dat de werkelijke basis is van ‘alle vrijwillige rechtvaardigheid en alle echte mensenliefde’.
In een bijlage gaat Schopenhauer nog een stapje verder en vraagt zich af waar dit medelijden zelf vandaan komt. Dat blijkt het feit te zijn dat alle individuen uiteindelijk manifestaties zijn van één en hetzelfde ‘waarachtig zijnde wezen’. Een dergelijke gedachte vindt hij niet alleen terug bij westerse denkers als Pythagoras, Plato en Kant, maar onder meer ook in de Indiase filosofie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hij, die handelend zichzelf naar het resultaat beoordeelt, komt er nooit toe iets te beginnen.

Søren Kierkegaard in Vrees en beven (1843)

Zelf dacht Kierkegaard (in zijn dagboek in 1849) dat alleen Vrees en beven al genoeg zou zijn om zijn naam als schrijver onsterfelijk te maken. Hij belooft de lezer dat deze zal huiveren om de verschrikkelijke hartstocht die hij in het boek aantreft.
In dit boek bespreekt Johannes de silentio (Johannes van(uit) de stilte, een van de pseudoniemen van Kierkegaard) het offer van Isaak door Abraham (Genesis 22). Dit verhaal wordt niet alleen gedeeld door de drie grote monotheïstische godsdiensten (het Offerfeest in de islam herdenkt ‘de profeet Ibrahim’), maar is ook voor veel filosofen aanleiding geweest voor reflectie, waaronder Kant en Derrida. Kierkegaard heeft het niet alleen over ‘de held van het geloof’, maar ook over de tragische held die moet handelen terwijl hij weet dat dat niet van tevoren te verantwoorden is: ‘En al mag het resultaat ook de hele wereld verblijden, den held baat dit niets; want het resultaat komt hij eerst te weten, als het geheel voorbij is, en niet daardoor werd hij held, maar hij werd het daardoor, dat hij begon.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Regels zijn de dood voor de ethiek.

Hans Ludo van Mierlo in een interview in Intermediair (23-10-2008), naar aanleiding van het uitkomen van zijn boek Gepast en ongepast geld. Een zoektocht naar het geweten van banken (2008)

De voormalige adviseur externe communicatie van ING en de Rabobank Hans Ludo van Mierlo (geb. 1946) stelt vast dat veel banken van oorsprong instellingen waren die bepaalde groepen (boeren bij de Rabobank, mkb’ers bij de NMB) toegang gaven tot kredieten om hun bedrijven te kunnen ontwikkelen. De klant was toen het doel, en geld was het middel. Tegenwoordig is dat precies omgekeerd: geld is het doel geworden en mensen zijn daartoe een middel. In feite overtreden de banken daarmee de categorische imperatief van Immanuel Kant, de leidraad voor het moreel bewustzijn. Een van de manieren waarop Kant die categorische imperatief uitdrukt is dat je alleen zo moet handelen dat mensen ook doel op zich zijn, en niet alleen een middel (Grundlegung zur Metaphysik der Sitten, BA 67, 1786).Van Mierlo meent dat het geen oplossing is om steeds meer regels te maken waaraan banken of bedrijven moeten voldoen. Daardoor ontstaat volgens hem juist een sfeer waarin alles wat niet verboden is, toegestaan is. Hij meent dat maatschappelijke instanties als de Autoriteit Financiële Markten of De Nederlandsche Bank ‘moreel leiderschap’ moeten tonen en de burgers hardop moeten waarschuwen voor het afsluiten van aandelenleaseplannen of tophypotheken.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik zou het anderen best willen nazeggen, dat wij ons in de liefde gedragen als dieren, maar als dat zo is, vind ik ons verlegen en vlak, behoedzaam, stijf, prozaïsch en grijs, zonder de heroïek die het instinct beveelt en verwoest.

Michel Serres in En amour, sommes-nous des bêtes? (2002)

Het is een filosofisch cliché dat alleen de geslachtelijke liefde de geleerde mens nog met de dieren verbindt. Immanuel Kant en vele andere filosofen meenden dat de mens zich grotendeels aan het animale kan onttrekken, alleen niet waar het de seksualiteit betreft. Serres meent echter dat als je ziet waar veel dieren eigenlijk toe bereid zijn om de liefde te bedrijven, je wel onder de indruk moet raken. Walvissen zwemmen van de Beringstraat naar de Golf van Californië omdat die omgeving geschikter is voor hun voortplanting. Zalmen zwemmen tegen woeste stromen in, wolven huilen dag en nacht als de wolvinnen loops zijn, wapitiherten en leeuwen vechten tot bloedens toe om een wijfje. De fregatvogel danst en zingt zeer verfijnd om een partner te verleiden. ‘En hoeveel menselijke mannetjes accepteren het dat hun vrouwtjes hen, in ruil voor een snelle coïtus, wurgen, zoals de bidsprinkhaan?’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er valt over de postmodernen maar één positief ding te vertellen: na hen is er niets meer.

Bruno Latour in We zijn nooit modern geweest (1991)

In de jaren tachtig van de twintigste eeuw wordt Bruno Latour (1947) een van de voormannen van de ‘empirische wending’ in het denken over wetenschap. Hij noemt zichzelf ‘wetenschapsantropoloog’ en bekijkt een laboratorium vol wetenschappers zoals wij een ‘vreemde stam’ zien, als een onbekende cultuur met allerlei vreemde gebruiken, overtuigingen en goden. Op verzoek van zijn uitgever schrijft Latour in het begin van de jaren negentig een ‘echt Frans boek’. Dat wil (in zijn eigen woorden) zeggen met veel ‘grote woorden’ en ‘zonder empirische onderbouwing’. In dit boek laat hij zien hoe al sinds Kant een scheiding is ontstaan tussen natuur en samenleving, tussen werkelijkheid en subjectiviteit. Deze onderscheiding werd aan de ene kant als zeer problematisch ervaren, maar aan de andere kant als min of meer onvermijdelijk gezien. Zo proberen allerlei filosofen sindsdien deze ‘moderne dimensie’ te overwinnen, maar slagen ze er alleen maar in om de twee polen steeds definitiever van elkaar te vervreemden. Latour pleit daarom voor een ‘symmetrische antropologie’: we moeten onze eigen cultuur en die van vroeger en elders op dezelfde manier onderzoeken en we moeten onderzoeken wat de ‘geschiedenis’ van (de geconstrueerde) objecten en feiten is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top