Skip to content

Gedachten

Schoonheid

Ik ben de enige Duitse filosoof die er goed uitziet.

Rebekka Reinhard in Trouw (5 november 2014)

Als je zegt dat je iets mooi vindt, gaat daar volgens Immanuel Kant iets dwingends van uit. De universele geldigheid van het schoonheidsideaal is volgens de Duitse filosofe Rebekka Reinhard (geb. 1972) in deze tijd pas echt realiteit geworden. De gefotoshopte tandpastaglimlach van de modellen en sterren geldt nu wereldwijd als norm. Zelf heeft Reinhard niet de druipsnor van Nietzsche of de hazenlip van Habermas, maar lang blond haar en blauwe ogen. Haar schoonheid is geluk, mazzel, maar dat gaat tegenwoordig voor de rest van de mensheid niet meer op. Schoonheid is een prestatie geworden, doordat plastische chirurgie het mogelijk maakt om die in eigen hand te nemen.
Voor Reinhard en de depressieve cliënten in haar filosofische praktijk is schoonheid zeker een van de dingen die het leven de moeite waard maakt. Maar in haar boek Mooi! – Mooi zijn, mooi lijken, mooi leven maakt ze zich boos over het feit dat schoonheid is ‘gekaapt’ door popsterren ‘of liever: pornosterren’. Dat ware schoonheid van binnen zit, was altijd een cliché, maar volgens haar zijn we het desondanks vergeten. Volgens haar is de tijd de ware test van schoonheid: als zij op haar tachtigste nog steeds mooi is, dan kun je pas van een schoonheid spreken.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Alleen de schoonheid maakt de hele wereld gelukkig, en ieder wezen vergeet zijn beperkingen, zolang het haar bekoring ondergaat.

Friedrich Schiller in Brieven over de esthetische opvoeding van de mens (1794–1795)

Het citaat is afkomstig uit de 27ste en laatste brief over de esthetische opvoeding van de mens en hier belijdt de grote Duitse toneelschrijver, dichter en filosoof Johann Christoph Friedrich (von) Schiller (1759–1805) zijn overtuiging dat politiek en ethiek ondergeschikt zijn aan de esthetiek: ‘Midden in het geduchte rijk van de krachten en midden in het heilige rijk van de wetten bouwt de esthetische drift onopgemerkt aan een derde, vrolijk rijk van het spel en van de schijn.’ In dit rijk van de schone schijn voelt de mens zich niet langer lichamelijk of moreel tot iets gedwongen, maar volgt hij zijn geheel eigen smaak. En het is deze smaak die harmonie brengt in de maatschappij, als het individu die harmonie eenmaal in zichzelf heeft gevonden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Dat iets rechtvaardig of lelijk was, was volgens hem niet te danken aan een natuurwet, maar aan een mensenwet.

Diogenes Laërtius over Archelaüs in Leven en leer van beroemde filosofen (vertaling 1989)

Er is niet veel bekend over de Griekse filosoof Archelaüs (5de eeuw v.Chr.) uit Milete of Athene. Hij was een leerling van Anaxagoras, en bracht diens natuurfilosofie uit Ionië naar Athene. Diogenes vertelt ook dat hij een leermeester was van Socrates, maar er bestaat wel enige twijfel over of dat waar is. Diogenes vertelt dat Archelaüs wel ‘de natuurkundige’ werd genoemd, om aan te geven dat hij de laatste natuurfilosoof was, omdat Socrates na hem de moraalfilosofie introduceerde.
Van zijn werk is niets bewaard gebleven dan wat anderen, waaronder Diogenes, daarover vertellen. Behalve het bijna postmoderne inzicht uit het citaat, had Archelaüs nog wel meer eigentijds aandoende ideeën. Zo meende hij dat levende wezens ‘uit slijm geboren werden’, waarbij eerst de lagere en later de hogere diersoorten, en ten slotte ook de mens op die manier zijn ontstaan. Wel gelooft hij dat de mens zich onderscheidt van de dieren, doordat hij een moraal heeft en beschikt over het vermogen tot artistieke expressie. Verder heeft hij al een aantal natuurkundige principes ‘voorvoeld’, bijvoorbeeld met betrekking tot de beweging van geluid en de condensatie van water, en beschouwde hij het heelal als oneindig.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De echte opgave van de liefde is om het geliefde werkelijk te vereeuwigen, het werkelijk van dood en ontbinding te verlossen, het uiteindelijk in schoonheid wedergeboren te laten worden.

Vladimir Solovjov in Het levensdrama van Plato (1898)

Vladimir Solovjov (1853-1900) was van invloed op de groten van de Russische literatuur, zoals Tolstoj, Achmatova en Dostojevski, maar is zelf in Nederland nauwelijks bekend. Behalve als filosoof en mysticus wordt hij beschouwd als een belangrijk dichter. In het essay dat een inleiding was op wat zijn vertaling van het volledige werk van Plato had moeten worden, beschrijft Solovjov als een werkelijk existentiëel psycholoog Het levensdrama van Plato. Voor hem is de theorie van de liefde van Plato (in het Symposium) ‘ongehoord in de heidense wereld, diep en gedurfd’, maar niettemin nog niet voltooid. Wat hij de ‘fatale erotische ondergang van de filosoof van de liefde’ noemt, is erin gelegen dat Plato de laatste stap niet heeft durven zetten. Want als je de hogere Eros eenmaal gedacht hebt, moet je erkennen dat de betekenis ervan onlosmakelijk verbonden is met ‘de plicht om hem ten uitvoer te brengen’. Plato heeft gezien dat het wezen van Eros is dat hij ‘in schoonheid voortbrengt’, maar volgens Solovjov is het minstens zo wezenlijk dat dit voortbrengen plaatsvindt in de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. Solovjov suggereert dat Plato de schok van de moord op zijn leermeester Socrates nooit werkelijk te boven is gekomen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Samengevat is dus het voorwerp van de Minne: het eeuwig bezit van het goede.

Plato in Symposium

Het Symposium van Plato (428–347 v.Chr.) is een van zijn bekendste dialogen, en zeker een van de bekendste filosofische teksten over de liefde. Letterlijk betekent symposium ‘samen drinken’ (en dat gebeurt dan ook).
Het is opmerkelijk hoe Plato zijn theorie van de liefde heeft ondergebracht in zijn werk. Om te beginnen wordt het verslag van het ‘drinkgelag’ door ene Apollodorus verteld aan zijn vrienden. Deze Apollodorus heeft het weer van Aristodemus gehoord. En net als in het overige werk van Plato is Socrates binnen de dialoog de eigenlijke denker, maar deze ontleent zijn ideeën over dit onderwerp zelf weer aan een vrouw: Diotima.
Deze (verder onbekende) priesteres uit Mantinea leert de ‘onwetende’ Socrates dat Eros niet mooi of goed kan zijn, want hij begeert immers de schoonheid. Maar hij is natuurlijk ook niet lelijk en slecht. Eros is een ‘tussending’. Menselijk gezien is hij het verlangen naar het goede en schoonheid, goddelijk gezien is minnen ‘het voortbrengen in schoonheid’. Als de mens ‘voortbrengt in schoonheid’, met name door een jongeling op te leiden tot een rechtvaardig staatsman, dan heeft hij deel aan het goddelijke en is daarmee een klein beetje onsterfelijk geworden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top