Skip to content

Gedachten

Rechtvaardigheid

De koning is 729 keer gelukkiger dan de dictator.

Plato in De staat (587e)

In De staat (Politeia) stelt Plato (ca. 427-347 v.Chr.) dat de ideale leider van zijn ideale staat de filosoof-koning is. Als filosoof weet hij wat rechtvaardigheid is, en het was de onrechtvaardigheid van de Atheense samenleving die had geleid tot de terdoodveroordeling van zijn leermeester Socrates. De filosoof-koning moet natuurlijk een gedegen opleiding krijgen, maar dan is hij in staat om de alleenheerschappij te voeren over de wachters (die garant staan voor de veiligheid) en het gewone volk.
Elders in De staat komt Plato in een ingewikkelde berekening tot de conclusie dat de dictator 729 keer zo ongelukkig is als de koning-filosoof. De dictator kent maar twee (‘onwettige’) genoegens, seksuele lust en macht, terwijl het slechts legitiem is om te verlangen naar wijsheid. Doordat de rechtvaardigheid de drie delen van de ziel (intellect, wil en lust) tot harmonie brengt, leeft de filosoof-koning in drie dimensies. Na nog wat berekeningen komt Plato tot een afstand van drie tot de macht zes (= 729), wat voor de pythagoreeërs een heilig getal was.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Waarom. Vraag dat altijd drie keer achter elkaar, dan zijn veel dingen in het leven opeens niet meer zo vanzelfsprekend als ze lijken.

Ricardo Semler in NUzakelijk.nl / Edo van der Goot (26 juni 2014)
Een van de waaromvragen die je je in deze tijd moet stellen, is waarom bedrijven altijd alleen maar willen groeien. Alleen kankercellen willen dat. En waarom willen bedrijven eigenlijk alleen maar steeds meer geld? Onder meer vanwege dit soort tegendraadse gedachten onderscheidt de Braziliaanse ondernemer Ricardo Semler (geb. 1959) zich van zijn ‘concullega’s’. Aan de ene kant vindt hij dat gemiddeld zeventig tot tachtig procent van alle werknemers een flexibel contract moet hebben. De vakbonden leven te veel in het verleden waarin arbeiders beschermd moesten worden tegen wilde kapitalisten.
Daar staat tegenover dat hij veel radicaler is dan vakbonden durven als het gaat om de rechtvaardige verdeling van de welvaart. Bij zijn bedrijf Semco wordt 23 procent van de winst gelijkelijk verdeeld onder alle werknemers. Semler zelf krijgt daarvan evenveel als de schoonmaker. Toen Semler op zijn 21ste CEO werd van het familiebedrijf verbaasde hij zich erover dat mensen zonder plezier naar hun werk gingen. Daarom gaf hij zijn werknemers meer verantwoordelijkheid, vrijheid en macht dan de vakbonden ooit hadden gedroomd: geen vaste werktijden, de directie werd aangesteld en beoordeeld door de werknemers, en deze mochten zelfs de hoogte van hun eigen salaris bepalen. Het werk moest alleen op tijd af zijn. Het heeft Semco en zijn werknemers geen windeieren gelegd: productiviteit en omzet groeiden sterk.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er bestaat geen gelovige houding op zich.

Paul Tillich in Religionsphilosophie (1959)

De gedachte dat er zoiets zou bestaan als een gelovige houding of handelwijze of gelovig gedrag (Verhalten) op zichzelf, komt volgens de Duits-Amerikaanse lutherse predikant en hoogleraar theologie en filosofie Paul Tillich (1886-1965) voort uit drie misverstanden over geloven. De intellectualistische misvatting is dat geloven neerkomt op het instemmen met de overgeleverde en door de Kerk gedefinieerde geloofswaarheid. Atheïsten denken daarom dat ze klaar zijn als ze die laatste licht belachelijk hebben gemaakt. Omdat die geloofswaarheid inderdaad niet te bewijzen is, rest de gelovige niets anders dan de voluntaristische misvatting aan te gaan hangen, dat geloven een kwestie is van gehoorzaamheid (‘gij zult niet twijfelen’). Als de instanties die men moet gehoorzamen vervolgens ‘alles doen wat God verboden heeft’ (van zelfverrijking tot kindermisbruik) lopen de kerken leeg, en rest de gelovige niets dan de emotionalistische misvatting dat geloven een ‘gevoel’ is (dat er meer is tussen hemel en aarde).
Om te komen tot een beter begrip van geloven, maakt Tillich onderscheid tussen voorlopige bekommernissen (concerns) en de onvoorwaardelijke bekommernis. De eersten zijn die van alle publieke domeinen van onze cultuur, zoals rechtspraak, onderwijs en economie. Daar worden geschillen uitgevochten, daar wordt les gegeven, daar wordt voor onze behoeften gezorgd. Maar in al die voorlopige bekommernissen gaat het, als het goed is, ook steeds om het onvoorwaardelijke: rechtvaardigheid, opvoeding, leven. Wie het goede doet, gelooft (blijkbaar).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Met het rode haar van één schooiertje uit de goot, zal ik de hele moderne beschaving in brand steken.

G.K. Chesterton in What is wrong with the world (1910)

Gilbert Keith Chesterton (1874-1936) wordt beschouwd als een van de invloedrijkste Engelse schrijvers van de twintigste eeuw, al zullen de meeste (wat oudere) Nederlanders hem vooral kennen als de schrijver van (veelvuldig verfilmde) detectiveboeken rond Father Brown. Chesterton heeft echter ook op zeer eigenzinnige wijze geschreven over onder andere filosofie, ontologie, politiek en christendom.
Hij wilde dat het denken over rechtvaardigheid niet zou beginnen bij het grote geheel van de samenleving, maar bij het haar van een klein meisje. Want ‘omdat een meisje lang haar zou moeten hebben, moet ze schoon haar hebben; omdat ze schoon haar moet hebben, moet ze geen vuil huis hebben; omdat ze geen vuil huis moet hebben, moet ze een vrije en ontspannen moeder hebben; omdat ze een vrije moeder moet hebben, moet ze geen woekeraar van een huisbaas hebben; omdat er geen woekeraars moeten zijn, moet er een herverdeling van het bezit plaatsvinden; omdat er een herverdeling van het bezit moet komen, zal er een revolutie zijn.’ ‘En,’ zo recapituleert Chesterton, ‘alle koninkrijken van de aarde zullen worden fijngehakt en verminkt om zich aan te passen aan haar’, aan dat roodharige schooiertje.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het wezen van de rede bestaat er niet in voor de mens een grondslag en vermogens veilig te stellen, maar hem onder kritiek te plaatsen en tot rechtvaardigheid te manen.

Emmanuel Levinas in Totaliteit en oneindigheid (1961)

Het werk van de Joods-Franse denker van Litouwse afkomst Emmanuel Levinas (1906–1995) vormt een bijzonder ‘tegengeluid’ in de filosofie. In de afgelopen eeuwen gingen steeds meer filosofen zich vooral bezighouden met het zoeken van het fundament van de ‘rede’ (het begripsvermogen) en andere menselijke vermogens als de waarneming en de moraal. In feite waren ze voortdurend bezig zichzelf en hun uitspraken te rechtvaardigen.
In zijn zeer diepzinnige, en daarom nogal moeilijk te doorgronden hoofdwerk Totaliteit en oneindigheid komt Levinas tot een omkering van de filosofie. Die vertrekt niet vanuit de (zelf)reflectie, maar vanuit de ervaring van het ‘gelaat van de ander’, onze ‘naaste’ die met zijn blik zegt: ‘dood me niet.’ De filosofie heeft dan slechts tot taak om de consequenties van die ervaring te onderzoeken. Dan blijkt bijvoorbeeld dat het feit dat wij überhaupt taal (kunnen) gebruiken ook afhankelijk is van het feit dat wij er voor de ander zijn. En denk ook niet dat de kwetsbare ander, die ons ‘maant’ tot rechtvaardigheid, onze gelijke is. Hij, maar even vaak zij, is onze leermeester.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Niemand wordt rechtvaardig door de wet na te leven.

Paulus in De Brief aan de Galaten 2:16

In verschillende gesprekken die Jezus Christus (0–33 n.Chr.) voert met schriftgeleerden en farizeeën gaat het over de vraag of Jezus zich wel aan de Wet houdt, bijvoorbeeld als hij iemand geneest op de sabbat, terwijl in de Wet staat dat eenieder zich op die dag moet onthouden van alle arbeid. In Matteüs 5:17 stelt Jezus nadrukkelijk dat hij niet is gekomen om de Wet of de Profeten af te schaffen, maar om die tot vervulling te brengen. Hij belichaamt wat wij ook wel de ‘geest van de wet’ noemen. Voor Paulus en veel christenen met hem is het daarom niet mogelijk om rechtvaardig te worden door de wet na te leven, maar alleen door te geloven in die geest van de wet die Jezus is. Sterker nog: Paulus zegt even verderop (Galaten 2:21) dat als we door de wet rechtvaardig zouden kunnen worden, Christus voor niets gestorven zou zijn. Hij is gestorven om te tonen dat daden belangrijker zijn dan woorden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Dat iets rechtvaardig of lelijk was, was volgens hem niet te danken aan een natuurwet, maar aan een mensenwet.

Diogenes Laërtius over Archelaüs in Leven en leer van beroemde filosofen (vertaling 1989)

Er is niet veel bekend over de Griekse filosoof Archelaüs (5de eeuw v.Chr.) uit Milete of Athene. Hij was een leerling van Anaxagoras, en bracht diens natuurfilosofie uit Ionië naar Athene. Diogenes vertelt ook dat hij een leermeester was van Socrates, maar er bestaat wel enige twijfel over of dat waar is. Diogenes vertelt dat Archelaüs wel ‘de natuurkundige’ werd genoemd, om aan te geven dat hij de laatste natuurfilosoof was, omdat Socrates na hem de moraalfilosofie introduceerde.
Van zijn werk is niets bewaard gebleven dan wat anderen, waaronder Diogenes, daarover vertellen. Behalve het bijna postmoderne inzicht uit het citaat, had Archelaüs nog wel meer eigentijds aandoende ideeën. Zo meende hij dat levende wezens ‘uit slijm geboren werden’, waarbij eerst de lagere en later de hogere diersoorten, en ten slotte ook de mens op die manier zijn ontstaan. Wel gelooft hij dat de mens zich onderscheidt van de dieren, doordat hij een moraal heeft en beschikt over het vermogen tot artistieke expressie. Verder heeft hij al een aantal natuurkundige principes ‘voorvoeld’, bijvoorbeeld met betrekking tot de beweging van geluid en de condensatie van water, en beschouwde hij het heelal als oneindig.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Neminem laede, imo omnes, quantum potes juva. [Doe niemand kwaad, maar help iedereen, zoveel je kunt.]

Arthur Schopenhauer in Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal (1840)

De als ‘pessimistisch’ bekend staande Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860) buigt zich over de vraag naar de grondslag of ‘kennisgrond’ voor de moraal, daartoe uitgedaagd door een prijsvraag van de Koninklijke Deense Academie van Wetenschappen. Hij werd niet bekroond.
Toch doet Schopenhauer in zijn antwoord iets wat veel filosofen volgens hem nalaten, namelijk niet alleen formuleren wat het principe van zijn ethiek is, maar ook te zoeken naar de achterliggende reden voor die hoogste deugd. De stelregel (het citaat op de voorkant) is een positief gestelde variant op het aloude ‘wat u niet wilt dat u geschiedt …’. Op zich is dat al een enorme verbetering, omdat het in Schopenhauers formulering oproept tot het juiste handelen, in plaats van bepaalde handelingen te veroordelen. Volgens Schopenhauer komt deze bijna als natuurlijk ervaren ethische grondregel voort uit het aangeboren, ‘alledaagse fenomeen’ van het medelijden, dat de werkelijke basis is van ‘alle vrijwillige rechtvaardigheid en alle echte mensenliefde’.
In een bijlage gaat Schopenhauer nog een stapje verder en vraagt zich af waar dit medelijden zelf vandaan komt. Dat blijkt het feit te zijn dat alle individuen uiteindelijk manifestaties zijn van één en hetzelfde ‘waarachtig zijnde wezen’. Een dergelijke gedachte vindt hij niet alleen terug bij westerse denkers als Pythagoras, Plato en Kant, maar onder meer ook in de Indiase filosofie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Integriteit heeft betrekking op de mate waarin personen oprecht, rechtvaardig en bescheiden zijn en hebzucht vermijden.

Reinout E. de Vries, Michael C. Ashton en Kibeom Lee in ‘De zes belangrijkste persoonlijkheidsdimensies en de HEXACO Persoonlijkheids­vragenlijst’ in Gedrag & Organisatie 22 (2009)

Lange tijd ging men er in de psychologie van uit dat er vijf persoonlijkheidsdimensies waren, de zogenaamde Big Five: extraversie, verdraagzaamheid, emotionaliteit, consciëntieusheid en openheid voor ervaringen. Deze vijf persoonlijkheidstrekken waren vastgesteld met de zogenaamde lexicale methode, die gebaseerd is op de gedachte dat individuele verschillen tussen mensen die van belang zijn voor onze alledaagse interacties uiteindelijk hun weerslag zullen vinden in de taal. Door een analyse van met name de bijvoeglijke naamwoorden die wij gebruiken om elkaar te karakteriseren, wist men een vijftal clusters te benoemen, die in verschillende talen overeenkwamen. Inmiddels denkt men dat er toch nog een over het hoofd is gezien, en wel eentje die wel vaker wordt vergeten: een combinatie van eerlijkheid (honesty) en nederigheid (humility), die in de Nederlandse psychologische literatuur gezamenlijk worden aangeduid als ‘integriteit’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top