Skip to content

Gedachten

Verstand

Ik heb het verstand dat grondig overweegt en de toekomst berekent al genoeg geprobeerd / van nu af aan zal ik proberen de dwaasheid aan te nemen.

Rumi, geciteerd in Hein Stufkens & Marcel Derkse – De herberg van het hart – Franciscus en Rumi als gidsen voor onze tijd (2003)

De Perzische denker en dichter Mohamed DJalal ad-Din Balkhi Rumi (1207–1273) was oorspronkelijk geleerde en jurist, maar hij veranderde radicaal door zijn ontmoeting en vriendschap met de soefi-mysticus en derwisj Sjems Tebrizi. Vanaf dat moment zwoor hij het denken af en omarmde hij de dwaasheid van de dans en de muziek als manier om een te worden met de goddelijke Geliefde. Het feit dat je daarmee het risico loopt de risee van de intelligentsia te worden, nam hij nadrukkelijk op de koop toe. ‘Laat de veiligheid achter je en ga waar vrees en gevaar is. / Vergeet je reputatie en waardigheid. Wees publiekelijk onteerd.’ Men zegt dat bij zijn dood de moslims, joden en christenen in Konya (nu Turkije) streden om de eer om hem te mogen begraven. Zijn zoon stichtte de orde van de ‘dansende derwisjen’, die nog altijd bestaat.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je kunt je niet van je eigen gezonde verstand overtuigen door je buurman op te sluiten.

Fjodor Dostojevski in Dagboek van een schrijver (1873)

Dit citaat is een van de inspiratiebronnen voor de Geschiedenis van de waanzin (1961, 1989) van de Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984). Hij verwijst ook naar Pascal, die schreef: ‘De mensen zijn zo noodwendig gek, dat niet-gek zijn alleen maar zou beduiden: gek zijn in een ander soort waanzin.’ Foucaults ‘genealogie’ is dan ook geen geschiedenis van allerlei buitenissige gekten, maar van de manier waarop mensen hun buurman achter slot en grendel zetten en elkaar ‘in de meedogenloze taal van de niet-waanzin herkennen’. Daarom moet hij beginnen in een ‘nulpunt’ waar het onderscheid tussen gek en niet-gek nog niet is gemaakt, maar iedereen zijn eigen, unieke ervaringen heeft. Daar is nog sprake van een dialoog tussen de mens-van-de-waanzin en de mens-van-de-rede. Als tegen het einde van de achttiende eeuw de waanzin wordt geïnterpreteerd als een ‘geestesziekte’ wordt dat gesprek verbroken. De psychiatrie is een monoloog van de rede over de waanzin, die alleen mogelijk is geworden doordat ‘die enigszins stamelende woorden’ van die oorspronkelijke dialoog zijn vergeten.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De ontwikkeling van het verstand leidt tot uitdroging van het leven, dat op zijn beurt het verstand weer heeft ingekrompen.

Georges Bataille in De innerlijke ervaring (1943)

Voor de meeste filosofen staat de ervaring in de dienst van het opdoen van kennis. Voor empiristen is de ervaring de bron van al ons weten, voor rationalisten worden onze ervaringen bepaald door de categorieën van de rede. Voor de Franse schrijver, filosoof en dichter Georges Albert Maurice Victor Bataille (1897–1962) staat het denken de ervaring juist in de weg. In wat hij ‘de innerlijke ervaring’ (l’expérience intérieure) noemt, gaat het om een versmelting van object en subject, waarbij het subject ‘niet-weten’ is en het object het onbekende. Deze innerlijke ervaring doet zich het duidelijkst voor op de momenten dat die ‘tot het uiterste’ gaat, en voor Bataille is dat met name het geval in de mystiek, de erotiek en het sterven of het aanschouwen van de dood. Het paradoxale van Batailles pogingen om in een filosofisch essay de ontoereikendheid van het filosofisch denken ter sprake te brengen, is ook zichtbaar (of soms alleen voelbaar) in het werk van filosofen die sterk door hem zijn beïnvloed, zoals Foucault, Derrida en Baudrillard. Bij deze laatsten ontbreekt overigens het fundamentele belang van de ander in de communicatie. Daar blijkt dat iedereen op zoek is naar iemand ‘die woorden vergeet opdat je met hem praten kunt’ (Zhuangzi).
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top