Skip to content

Gedachten

Kennis

Stel me geen vragen, want ik zou je wel eens de (waarheid) kunnen vertellen.

Humberto R. Maturana in Networker (mei-juni 1985)

Op een foto van Andrea Schara-Maloney kijkt de Chileense bioloog Humberto Maturana (geboren 1928) de lezer grijnzend aan. Hij draagt een T-shirt met de waarschuwende tekst: Don’t ask me any questions, I might just tell you the (truth). Aan de ene kant is deze theoretische bioloog, en dus filosoof, een ‘radicale constructivist’: alle kennis is een constructie die alleen relevant is binnen de wetenschappelijke gemeenschap, maar zegt niets over de werkelijkheid zelf: de objectiviteit staat voortdurend tussen haakjes. Maar eenmaal binnen in zijn merkwaardige, hermetische oeuvre heerst een soort onontkoombare naar zichzelf verwijzende logica die de lezer ervaart als de waarheid.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het Dunning-Kruger-effect: Het onvermogen om de eigen incompetentie in te zien leidt tot zelfoverschatting.

Kruger, Justin, David Dunning (1999). Unskilled and Unaware of It: How Difficulties in Recognizing One’s Own Incompetence Lead to Inflated Self-Assessments. Journal of Personality and Social Psychology 77 (6): 1121–1134

In 2000 wonnen de psychologen Justin Kruger en David Dunning de Ig Nobelprijs met hun onderzoek onder de titel ‘Unskilled and unaware of it’. Nu is die prijs bedoeld als een soort parodie op de ‘echte’ Nobelprijzen en gaat het om onderzoek waar een beetje lacherig over wordt gedaan. In dit geval lijkt het echter te gaan om een maatschappelijk buitengewoon relevant verschijnsel, dat sindsdien dan ook het Dunning-Kruger-effect wordt genoemd.
De auteurs hadden op grond van eerdere onderzoeken vastgesteld dat bij allerlei vaardigheden, van ‘begrijpend lezen’ en het besturen van een auto tot schaken en tennissen, ‘onwetendheid vaker dan kennis tot zelfvertrouwen leidt’ (een formulering van Darwin). Uit hun onderzoek bleek dat studenten die hun eigen capaciteiten op het gebied van onder meer logisch redeneren en grammatica te hoog inschatten, overliepen van zelfvertrouwen. Studenten die daadwerkelijk over talent op die gebieden beschikten, deden echter precies het tegenovergestelde: zij onderschatten hun vermogens! Beiden vergissen zich dus. Incompetente mensen kunnen bijna per definitie niet begrijpen dat ze er niets van kunnen, terwijl competente mensen ervan uitgaan dat anderen net zo capabel zijn als zijzelf.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De voornaamste oorzaak van de huidige problemen is ons gebrek aan kennis over kennis.

Humberto R. Maturana en Francisco J. Varela in De boom der kennis (1989)

Hun onderzoek naar de biologische grondslagen van kennis is voor de Chileense biologen Humberto R. Maturana (1928) en Francisco J. Varela (1946–2001) aanleiding om te pleiten voor een ‘paradigmaverandering’ in de biologie en de epistemologie. Als je er goed over nadenkt, menen zij, getuigt ieder levend systeem dat in leven blijft van een diepgaande kennis: ‘leven is weten.’ Als wetenschapper of denkend mens moeten wij ons ervan bewust zijn dat alles wat wij vervolgens zeggen over die kennis van planten, dieren en mensen, in een metadomein plaatsvindt ten opzichte van het domein waarin alle leven doorleeft, ook wij. In dat metadomein van de kennis over de kennis ontdekken we onze verantwoordelijkheid voor al onze handelingen. ‘Het is niet de wetenschap dat een bom dodelijk is die bepaalt of we hem al dan niet gebruiken, maar wat we ermee willen bereiken.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De filosoof is geen redekunstenaar, maar de wetgever van de menselijke rede.

Immanuel Kant in Kritik der reinen Vernunft (1781)

In zijn ‘Kritiek van de zuivere rede’ probeerde Immanuel Kant (1724–1804) de twee grote stromingen uit zijn tijd met elkaar te verzoenen. Aan de ene kant had je de empiristen, zoals Hume, die meenden dat onze kennis uitsluitend gebaseerd is en/of moet zijn op ervaring. Aan de andere kant had je de rationalisten, zoals Descartes, die ervan overtuigd waren dat de meest fundamentele kennis werd gevonden door zelfreflectie. Bovendien wilde Kant kunnen begrijpen hoe Newton onveranderlijke natuurwetten kon afleiden uit toevallige waarnemingen.
Volgens Kant geldt voor de wiskundige, de natuurkundige en de logicus wel dat zij ‘redekunstenaars’ zijn. Zij maken gebruik van de rede, maar begrijpen haar niet werkelijk. Daarvoor is een leermeester nodig die hen als ‘werktuigen’ inzet om het wezenlijke doel van de menselijke rede te bevorderen: de filosoof. Dit ‘einddoel’ van al onze kennisverwerving is volgens Kant ‘de algehele bestemming van de mens’ en de filosofie die hierover gaat is de ethiek. Tot hoofddoel van filosofie en wetenschap bestempelt Kant ten slotte de ‘algemene gelukzaligheid’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Niets is zo volledig in onze macht als ons denken.

René Descartes in Over de methode (1637, 1987)

Als je je huis wilt herbouwen, is het niet voldoende om het af te breken, materiaal te bestellen en een architect en een aannemer in te huren, je moet ook zorgen voor tijdelijke, vervangende woonruimte. Dit is volgens René Descartes (1596–1650) vergelijkbaar met de situatie waarin hij zich bevindt nu hij is begonnen methodisch te twijfelen aan alles wat hij dacht te weten, om zo een fundament van zekere kennis op te bouwen. Als de rede hem zou verplichten zijn oordeel tot die tijd op te schorten, zou hij geen beslissingen meer mogen nemen en niet meer kunnen handelen. Daarom ‘bedenkt’ hij een voorlopige moraal, die bestaat uit slechts enkele leefregels. Om te beginnen besluit hij zich te houden aan de wetten en gewoonten van zijn land en de godsdienst waarmee hij is opgegroeid. Zijn tweede stelregel is om ‘zo standvastig mogelijk en zonder aarzelen eenmaal begonnen handelingen te voltooien’. Het citaat heeft betrekking op de derde leefregel: ‘altijd te trachten mijzelf en niet het noodlot te bedwingen; mijn wensen en verlangens te veranderen en niet de loop der dingen.’ Je moet bijvoorbeeld niet gezond willen zijn als je nu eenmaal ziek bent, en je niet laten kwellen door spijt dat je niet de koning van China of Mexico bent.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De ontwikkeling van het verstand leidt tot uitdroging van het leven, dat op zijn beurt het verstand weer heeft ingekrompen.

Georges Bataille in De innerlijke ervaring (1943)

Voor de meeste filosofen staat de ervaring in de dienst van het opdoen van kennis. Voor empiristen is de ervaring de bron van al ons weten, voor rationalisten worden onze ervaringen bepaald door de categorieën van de rede. Voor de Franse schrijver, filosoof en dichter Georges Albert Maurice Victor Bataille (1897–1962) staat het denken de ervaring juist in de weg. In wat hij ‘de innerlijke ervaring’ (l’expérience intérieure) noemt, gaat het om een versmelting van object en subject, waarbij het subject ‘niet-weten’ is en het object het onbekende. Deze innerlijke ervaring doet zich het duidelijkst voor op de momenten dat die ‘tot het uiterste’ gaat, en voor Bataille is dat met name het geval in de mystiek, de erotiek en het sterven of het aanschouwen van de dood. Het paradoxale van Batailles pogingen om in een filosofisch essay de ontoereikendheid van het filosofisch denken ter sprake te brengen, is ook zichtbaar (of soms alleen voelbaar) in het werk van filosofen die sterk door hem zijn beïnvloed, zoals Foucault, Derrida en Baudrillard. Bij deze laatsten ontbreekt overigens het fundamentele belang van de ander in de communicatie. Daar blijkt dat iedereen op zoek is naar iemand ‘die woorden vergeet opdat je met hem praten kunt’ (Zhuangzi).
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De werkelijke vijand van het menselijk ras is niet de onverschrokken en onverantwoordelijke denker. De werkelijke vijand is degene die de menselijke geest zo probeert te kneden dat hij zijn vleugels niet meer durft uit te slaan.

Abraham Flexner in ‘The usefulness of useless knowledge’ (Harper’s, nr. 179, juni/november 1939)

Het is een gevaarlijke tijd waarin de onderwijshervormer Abraham Flexner (1866–1959) een lans breekt voor ongebreidelde nieuwsgierigheid in plaats van een afgedwongen pragmatisme. Hij constateert dat in Duitsland en Italië, waar de geest toch ooit alle kanten uitvloog, nu de academische vrijheid wordt ingeperkt. Zelf is hij invloedrijk geweest met een verandering van het schoolsysteem naar kleinere klassen en een persoonlijke begeleiding, maar ook naar meer aansluiting op de praktijk. Nu begint hij zich af te vragen of de Amerikaanse samenleving niet is doorgeschoten. Is ‘maatschappelijk nut’ niet een te nauw kader voor de menselijke geest die wil zwerven en eigenzinnig kanten op wil waarvan het nut nog niet vaststaat? Hij breekt een lans voor ‘het nut van nutteloze kennis’.
De gedachte dat een grote geest vooral behoefte heeft aan vrijheid was voor hem al eerder aanleiding geweest om, samen met zakenman en filantroop Louis Bamberger het Institute for Advanced Study in Princeton te stichten. Als directeur van dit unieke instituut, dat nog altijd floreert, nu onder Nederlander Robbert Dijkgraaf, haalde hij vele vluchtelingen uit de fascistische delen van Europa naar Amerika, waaronder Albert Einstein. Zou Flexner hebben beseft dat er in de 21ste eeuw een hele nieuwe vijand van de academische vrijheid zou opstaan: het marktdenken?

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Eenieder die zich verbeeldt dat alle vruchten tezelfdertijd tot rijping komen als de aardbeien, weet niets van druiven.

Paracelsus

De omstreden Zwitserse arts en theoloog Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim (1493/1494–1541), beter bekend als Paracelsus, hield zich ook bezig met alchemie en astrologie. Hij wordt gezien als de eerste systematische botanicus en gaf bijvoorbeeld het element zink zijn naam.
In zijn denken hangt hij de hermetische filosofie aan en gaat hij ervan uit dat ziekte en gezondheid van het lichaam afhangen van de harmonie tussen de mens, zijn omgeving en de natuur in het groot. In die harmonie speelt ons kennen van de wereld een belangrijke rol, niet als gevolg van de liefde voor die wereld, maar als voorwaarde daarvoor. In het citaat drukt Paracelsus op beeldende wijze het verband uit dat er volgens hem bestaat tussen kennis en liefde:
Hij die niets kent, heeft niets lief.
Hij die niets kan, begrijpt niets.
Hij die niet begrijpt, heeft geen waarden.
Maar hij die begrijpt heeft ook lief, neemt waar, schouwt…
Hoe meer iets gekend wordt, des te groter is de liefde…

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het algemene bestaat (…) niet; het is geabstraheerd uit concrete situaties.

Dries Boele in Filosofisch consulentschap (1998, p. 126)

Volgens Heidegger was de kernvraag van de filosofie waarom er zijn is en niet veeleer niets. Je zou je ook kunnen afvragen waarom er zo veel ‘zijn’ is en niet alleen maar wat ‘wezen’, of in termen van Dries Boele waarom er zo veel concreetheid is en niet alleen een paar algemeenheden. Voor deze vooraanstaande filosofische practicus is het duidelijk: wat wij aan algemeenheden denken te weten, is niet inherent aan de werkelijkheid, maar alleen een abstractie die we hebben kunnen formuleren door af te zien van de vele details van een zeker aantal concrete situaties. Als dat zo is, dan wordt de inhoud van kennis, in de zin van houdbare, plausibele, verdedigbare algemene uitspraken, niet (uitsluitend) bepaald door overeenstemming met de werkelijkheid, maar minstens ook door de praktische bruikbaarheid ervan voor mensen in het dagelijks leven.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zelfs kennis moet de mode volgen, en waar zij niet van pas komt, onwetendheid voorwenden.

Baltasar Gracián in Handorakel en kunst van de verstandigheid (1647)

De Spaanse jezuïet Baltasar Gracián y Morales (1601–1658) was een machiavellistisch adviseur van hoge adel en machtige politici, en als je zijn illusieloze of zelfs cynische verzameling leefregels tot je neemt, is het te begrijpen dat bijvoorbeeld Schopenhauer er zo van onder de indruk was dat hij het ‘Handorakel’ in het Duits vertaalde.
Volgens Gracián doet een ‘verstandig man’ er goed aan zowel in zijn innerlijk als zijn uiterlijk mee te gaan met zijn tijd, want ‘de voorkeur van de massa geeft in alle zaken de doorslag’. Dit geldt dus zelfs voor kennis, die je beter voor je kunt houden als die op het moment ‘uit’ is. Gracián maakt weliswaar een uitzondering voor de rechtschapenheid, want die is van alle tijden, maar constateert tot zijn leedwezen dat hij leeft in een ‘rampzalige eeuw’ waarin rechtschapenheid als excentriek wordt beschouwd en slechtheid gewoon wordt gevonden. Een wijs man legt zich hier echter bij neer en vindt dat wat het lot hem schenkt belangrijker dan wat het hem onthoudt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Waar het op aankomt is een waarheid te vinden die een waarheid voor mij is, de idee te vinden waarvoor ik wil leven en sterven.

Søren Kierkegaard in Dagboeken (1 augustus 1835)

Even overweegt Kierkegaard (1813-1855) om zich af te keren van filosofie en theologie, om zo wat rust te krijgen, maar dan realiseert hij zich dat de onrust terug zal keren, ‘als een koortsaanval na het drinken van koud water’. En dan formuleert hij een besef dat leidt tot de ‘existentialistische wending’ in de filosofie. Het gaat niet meer om die ene kantiaanse vraag naar het epistemologische fundament van kennis (‘wat kan ik weten?’), maar om die andere vraag: ‘wat moet ik doen?’ De existentialistische filosoof verliest zich niet in het construeren van het beeld van een wereld waarin hij niet leeft, maar die hij alleen aan anderen voorhoudt, maar wil helderheid ten aanzien van zichzelf, wil weten wat zijn eigen bestemming is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De gewoonte om goed begrepen principes actief te gebruiken is het uiteindelijke bezit van wijsheid.

Alfred North Whitehead in ‘The rhythmic claims of freedom and discipline’ (Uit: The aims of education and other essays (1929))

In het inleidende essay uit de genoemde bundel geeft de Brits-Amerikaanse filosoof, natuurkundige en wiskundige Alfred North Whitehead (1861-1947) een definitie van ‘education’ (wat hier zowel scholing als ontwikkeling of vorming betekent): ‘Vorming is het verwerven van de kunst om kennis te gebruiken.’ Whiteheads nadruk op de noodzakelijke verbinding tussen opleiding en praktijk doet modern aan. Hij formuleerde deze ideeën in een tijd waarin veel onderwijstheorieën nog uitsluitend spraken over mentale oefening. Voor Whitehead is de geest echter geen ‘gereedschap’ dat moet worden ‘geslepen’, of een soort opslagplaats voor losse ideeën. Voor hem vormt de geest met het lichaam een organische eenheid, die in voortdurende relatie staat tot de levende omgeving. Daarom is vorming of scholing een ritmisch proces van wederzijdse groei tussen leerling en de inhoud van het onderwerp. ‘In het paradijs zag Adam de dieren voordat hij ze een naam gaf; in het traditionele schoolsysteem gaven de kinderen de dieren namen, voordat ze die ooit hadden gezien’ (Science and the modern world, 1925).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het fascinerende van het experiment met de blinde vlek is het feit dat we niet zien dat we niet zien.

Humberto R. Maturana en Francisco J. Varela in De boom der kennis (1989)
Het ‘verschijnsel’ van de blinde vlek is in feite een verklaring voor een ervaring die iedereen kent. U kunt het bijvoorbeeld zelf proberen door uw linkeroog dicht te doen, uw armen voor u te houden met de duimen omhoog en u vervolgens te focussen op de linkerduim. Als u nu uw rechterhand heen en weer beweegt, zult u op zeker moment ‘zien’ dat er een punt is waarop uw rechterduim er niet meer is! Dit wordt gewoonlijk verklaard doordat het beeld van de duim op het deel van de retina valt waar de oogzenuw begint: de blinde vlek. Maar dat nemen wij niet waar, er is geen ‘gat’ in onze waarneming. Voor de biologen Maturana en Varela zijn experimentele feiten als deze aanleiding om de heersende ideeën over waarneming, als het ‘verwerken van informatie van buitenaf’, te verwerpen. Dat leidt tot een fascinerende theorie over levende wezens met een gesloten werking, waarvan het gedrag volledig door de structuur van het systeem wordt bepaald. Alles wat in de omgeving gebeurt (voor een externe waarnemer) kan hoogstens als een verstoring van die structuur werken, en het is die structuur die bepaalt of het een verstoring is, en zo ja wat voor een.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik was bijna vijfendertig en ik dacht dat ik één probleem in ieder geval al opgelost had, namelijk hoe je aan een bureau kunt werken en je toch met epistemologie bezighouden.

Karl R. Popper in Autobiografie (1978)

Toen hij twintig was ging Karl Popper (1902-1994) in de leer bij een oude meester-schrijnwerker in Wenen, waar hij in dienst bleef van 1922 tot 1924. Volgens Popper heeft hij van deze meubelmaker meer over kentheorie geleerd dan van wie ook. Zijn leermeester had de gewoonte hem allerlei vragen te stellen over de geschiedenis waarop de jonge Popper geen antwoord had, maar de man zelf wel. Zo leerde Popper in de praktijk de socratische wijsheid: hij wist dat hij niets wist, en hij wist dat alle kennis die hij in de toekomst nog zou verwerven hem alleen nog maar meer zou laten inzien dat zijn gebrek aan kennis oneindig groot was. Toen de meubelmakerij een grote order van dertig mahoniehouten bureaus met heel veel laden had gekregen, begon de kwaliteit van die bureaus te lijden onder Poppers ‘preoccupatie met epistemologie’. Zijn leermeester kwam tot de conclusie dat Popper ‘te feilbaar en te onwetend’ was voor de meubelmakerij. Nadat Popper het vervolgens een tijdje als sociaal werker en als leraar had geprobeerd, kreeg hij de kans om filosoof van beroep te worden. Hij kon nu dus aan een bureau werken en zich toch met de grote kennisfilosofische kwesties bezighouden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ga ervan uit dat je tegenstander het mis heeft, verklaar dan zijn vergissing en de wereld zal aan je voeten liggen. Probeer te bewijzen dat hij het mis heeft of (nog erger) probeer uit te vinden of hij gelijk heeft of ongelijk en de nationale dynamiek van

C.S. Lewis in Met reden geloven. C.S. Lewis over denken en geloof (1983)

Clive Staples Lewis (29 november 1898 – 22 november 1963), beter bekend als C.S. Lewis, was een Ierse schrijver en geleerde. Hij is tegenwoordig vooral bekend als auteur van de kinderboekenserie De kronieken van Narnia (1950-1956). Deze boeken zijn een nauwelijks verhulde fantasy-versie van de Bijbelverhalen rond Jezus Christus. Lewis schreef ook essays over het christendom voor volwassenen.
In Undeceptions (1971) schrijft hij over een ‘ondeugd’ die hij Bulverisme doopt, naar de fictieve Ezechiël Bulver, die op zijn vijfde getuige is van een discussie tussen zijn vader en moeder over de aard van de driehoek. Volgens zijn vader zijn twee hoeken van een driehoek samen groter dan de derde. Zijn moeder reageert daar uiteindelijk op met te zeggen dat hij dat alleen maar zegt omdat hij een man is. Dit leidt bij het jongetje tot een ‘flitsend’ inzicht, namelijk dat ‘weerlegging geen noodzakelijk onderdeel van een discussie is’. Lewis noemt in dit verband met name de psychoanalytici en marxisten als aanhangers van een leer waarvoor het niet nodig is om afwijkende ideeën te bestrijden. Alle gedachten zijn voor hen immers ‘besmet aan de bron’, respectievelijk omdat onze gedachten worden bepaald door onze onbewuste wensen en angsten, dan wel door onze economische positie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

1.1.1 Niets is op zichzelf reduceerbaar of niet-reduceerbaar tot iets anders.

Bruno Latour in ‘Tractatus Scientifico-Politicus’ in The Pasteurization of France (1988)

Latour noemt dit zelf ‘het principe van irreduceerbaarheid’, maar het is een principe dat niet ‘heerst’ want dat zou in tegenspraak zijn met zichzelf. Latour beschrijft in een intermezzo in zijn traktaat de manier waarop dit principe als een soort mystieke ingeving tot hem kwam. De verandering van blik vergelijkt hij met die tussen de perspectieven van Robinson Crusoë en Vrijdag uit het verhaal van Daniel Defoe. Crusoë meent dat hij de oorsprong van alle orde kent: de Bijbel, de tijd bijhouden, discipline, landkaarten en boekhouding. Maar Vrijdag ‘weet nog niet zo zeker wat sterk is en wat geordend’. Voor Crusoë is alles reduceerbaar tot de kennis in zijn bewustzijn, en hij ‘huilt van eenzaamheid’, maar Vrijdag weet zich omringd door rivalen, bondgenoten, verraders, vrienden, waarvan er maar één een mens is. En hij ziet die hele jungle van ordeningen voortdurend veranderen. Alle reducties, alle ‘herleidingen’ kunnen worden aangebracht, het hele eiland kan uiteindelijk worden platgeasfalteerd en bebouwd met hotels, maar het kost allemaal geld, tijd en moeite om die ordeningen in stand te houden. En met minder van die middelen kan het ook weer worden opengebroken en teruggegeven aan de niet-menselijke krachten.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top