Skip to content

Gedachten

Verslaving

God, geef mij de kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen, de moed om te veranderen wat ik kan veranderen en de wijsheid om het verschil tussen beide te zien.

Reinhold Niebuhr? (1943?)

Het zogenoemde ‘sereniteitsgebed’ is vooral beroemd geworden omdat het door de Anonieme Alcoholisten is geadopteerd als een soort samenvatting van de diepste wens van hun leden. Lange tijd werd het citaat toegeschreven aan de Amerikaanse, protestantse theoloog Reinhold Niebuhr (1892-1971), al zijn er volgens sommigen varianten van het idee te vinden bij Franciscus van Assisi en Aristoteles. De dochter van Niebuhr, Elisabeth Sifton, schreef in 2003 een boek over het gebed, waarin ze het dateert in een preek van haar vader uit het jaar 1943.
De samensteller van The Yale book of quotations, Fred R. Shapiro, heeft echter citaten gevonden in krantenartikelen uit de jaren dertig van de twintigste eeuw, die sterk lijken op het gebed, zonder dat daarin wordt verwezen naar Niebuhr. Overigens was de laatste ook enigszins bescheiden als het ging om zijn auteurschap: ‘Het kan natuurlijk al jaren of eeuwen hebben rondgespookt, maar ik denk toch echt dat ik het heb geschreven.’ Het kan zijn dat Niebuhr zonder dat zich te herinneren al in eerdere preken iets dergelijks had gezegd, en dat hij ook al in de kranten in de jaren dertig wordt geciteerd. Shapiro vindt het dan wel gek, gezien de beroemdheid die hij toen was, dat zijn naam er niet bij werd genoemd.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Nu wil mijn dorst niet meer bedaren.

Anton van Duinkerken, ‘Wrede wijn’ (Uit: Hart van Brabant (1936))

De dichter en criticus Anton van Duinkerken (pseudoniem van Willem Asselbergs, 1903-1968) verliet het seminarie toen hem verboden werd om gedichten te publiceren, maar was niettemin jarenlang een van de belangrijkste katholieke stemmen in de literaire wereld, onder andere als redacteur van De Tijd. In het gedicht ‘Wrede wijn’ zien we van hem een andere kant. Daarin beschrijft hij hoe hij ooit ‘op zatheids avontuur’ ‘naar zoeler streken voortgedreven werd’. Daar had hij het soort ervaring, ‘voorbij aan ruimte en duur’, waarin hij de ‘grenzen van ons leven’ zag. Het zijn dit soort ervaringen die op zichzelf verslavend zijn. Als je eenmaal in het ‘land waar de zachte zomerwinden / fluisteren met de dood’ bent geweest, en ontdekt dat er op aarde ‘geen warmer plek te vinden’ is, dan wil je daar steeds naar terug. En dan denk je dat je daartoe moet zorgen dat de omstandigheden identiek zijn. Zo ontstaan verslavingen. Deze dichter moet dus steeds weer een beroep doen op de wijn, maar die is ‘wreed’, want

Hoewel ik sinds ben uitgevaren,
Wijn, vaak op uw kompas,
Vond ik de plaats nooit waar ik was.
Nu wil mijn dorst niet meer bedaren.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top