Gewoonten

De wil is het kind van het verlangen, en komt alleen onder de heerschappij van zijn ouder uit om onder die van de gewoonte te komen.

John Stuart Mill in Bentham & Mill – Utilisme (2020)

In zijn essay over de leer dat het nut ons morele en politieke handelen moet bepalen verdedigt Mill het utilisme tegen de kritiek die daarop vaak wordt geuit. Een van de bezwaren is dat mensen niet alleen streven naar geluk (opgevat als genot en/of de afwezigheid van pijn), maar bijvoorbeeld ook naar deugdzaamheid. Mill is het daar op zich mee eens, maar het weerlegt niet de stelling dat geluk het uiteindelijke doel is. Deugdzaamheid kan wel onderdeel worden van het einddoel ‘en in degenen die haar belangeloos liefhebben is zij dat ook geworden en wordt zij begeerd en gekoesterd, niet als een middel tot geluk, maar als een onderdeel van hun geluk’. Bij degenen bij wie de deugdzame wil nog zwak is, kan die alleen versterkt worden door te zorgen dat diegene gaat verlangen naar deugdzaamheid. Als het genot en de (afwezigheid van) pijn die samenhangen met een deugdzaam leven onvoldoende kracht hebben, moet er een gewoonte van worden gemaakt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Verveling is de doodsvijand van de moderne mens.

Wilhelm Schmid in Gelatenheid (2014, 2015)

De Duitse levenskunstfilosoof Wilhelm Schmid is van 1953 en als hij begin zestig is, vindt hij het tijd om te reflecteren op het ouder worden. De juiste levenshouding voor het derde en vierde kwart van je leven is volgens hem gelatenheid. Daar kom je in tien stappen. De derde stap betreft de waardering van gewoonten, waarmee we energie besparen omdat die ons in staat stellen ons te ‘laten leiden door alles wat daarin al bepaald is’. Gewoonten zijn overigens in elke levensfase van belang, maar helaas kenmerkt de moderne tijd zich door ‘gewoontevijandigheid’. Terwijl ook zij die graag ‘druk, druk, druk’ zijn toch moeten erkennen dat gewoonten een ‘weldadige time-out’ mogelijk maken van de talloze beslissingen die we toch al moeten nemen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wie zich laat verleiden tot roken of hard werken of wat dan ook, doet dat niet uit een gebrek aan zelfbeheersing, maar omdat hij in werkelijkheid gelooft dat wat hij doet ook het beste voor hem is.

Jos Kessels in Socrates op de markt

Organisatiefilosoof Jos Kessels introduceerde het socratische gesprek in Nederland als een manier om fundamentele vragen in beroep en organisatie aan te pakken. Als je geconfronteerd wordt met een crisis in je loopbaan is het van belang om je te laten leiden door wat Socrates onder kennis verstond. Volgens hem waren ondeugden, zoals ongezonde leefgewoonten of jezelf over de kop werken, namelijk niet een kwestie van een gebrek aan zelfbeheersing maar een vorm van onwetendheid. Alles wat wij doen, doen we omdat we denken dat dat het beste voor ons is. ‘Als we gaan wandelen doen we dat omdat we denken dat het goed voor ons is. Als we stilstaan evenzo.’

Over het algemeen denken wij dat kennis een verzameling weetjes, feiten en informatie is, maar voor Socrates is kennis in de eerste plaats zelfkennis. We moeten streven naar ‘inzicht in onze eigen aard, in de doelen en drijfveren van ons handelen’. Socrates vindt daarom dat niemand vrijwillig ‘zondigt’, maar alleen handelt vanuit een verkeerd beeld van wat ‘nastrevenswaardig’ is.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Strijd kloekmoedig; een gewoonte wordt door een andere overwonnen.

Thomas a Kempis in De navolging van Christus (1471-1472)

Veel psychotherapeuten en zelfhulpgoeroes van tegenwoordig waarschuwen ons dat we moeten zorgen dat we later niet het slachtoffer worden van het treuren over gemiste kansen of slecht gedrag. We moeten proactief zijn en ons morele kompas volgen. In zijn traktaat heeft de middeleeuwse mysticus Thomas van Kempen het over ‘de rouwmoedigheid des harten’, zoals een vertaling luidt van de titel van het hoofdstuk waaruit het citaat afkomstig is.

Als je ‘vooruitgang’ wilt boeken, moet je ‘niet al te vrij’ zijn en je niet overgeven aan ‘lichtvaardige vrolijkheid’. Door onze lichtzinnigheid hebben we vaak niet in de gaten dat onze ziel lijdt. ‘Wij lachen dikwijls onbezonnen, als wij redelijkerwijze behoorden te wenen.’ Als we niet steeds proberen ons geweten zuiver te houden, moeten we dat later met veel spijt bekopen. Daarbij geeft Thomas ook een belangrijke tip. Het is alleen mogelijk om van je slechte gewoonten af te komen, door er andere voor in de plaats te stellen. Bonus is dat andere mensen je met rust zullen laten als je je slechte gewoonten opgeeft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Niets is zo volledig in onze macht als ons denken.

René Descartes in Over de methode (1637)

Een van de redenen waarom René Descartes (1596–1650) wel de ‘vader van de moderne filosofie’ wordt genoemd, is dit werk waarin hij zijn methode van de twijfel uiteenzet. Overigens heeft hij daar weinig pretenties mee: hij wil alleen laten zien hoe hij zelf te werk is gegaan.
Hij vertelt hoe hij hoopte in zijn opleiding allerlei zekerheden te leren, maar het tegendeel was het geval: het enige waar hij van overtuigd raakte, was zijn onwetendheid. Omdat je nu eenmaal niet met handelen kunt wachten tot je uitgetwijfeld bent, heeft hij een ‘voorlopige moraal’ nodig, een paar leefregels. Ten eerste besluit hij zich te houden aan de wetten en gewoonten van zijn land en de godsdienst waarmee hij is opgegroeid, en zich verder ‘te houden aan de meest gematigde en de minst extreme opvattingen’. Zijn tweede stelregel is dat hij zal volharden in eenmaal genomen beslissingen, als een verdwaalde reiziger, die ook niet moet gaan dolen door het woud maar één richting aan moet houden. Ten slotte neemt hij zich voor ‘altijd te trachten mijzelf en niet het noodlot te bedwingen; mijn wensen en verlangens te veranderen en niet de loop der dingen’. Net als de stoïcijnen en veel andere filosofen denkt hij namelijk toch iets zeker te weten: dat wij tenminste ons denken in onze macht hebben.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De gewoonte om goed begrepen principes actief te gebruiken is het uiteindelijke bezit van wijsheid.

Alfred North Whitehead in ‘The rhythmic claims of freedom and discipline’ (Uit: The aims of education and other essays (1929))

In het inleidende essay uit de genoemde bundel geeft de Brits-Amerikaanse filosoof, natuurkundige en wiskundige Alfred North Whitehead (1861-1947) een definitie van ‘education’ (wat hier zowel scholing als ontwikkeling of vorming betekent): ‘Vorming is het verwerven van de kunst om kennis te gebruiken.’ Whiteheads nadruk op de noodzakelijke verbinding tussen opleiding en praktijk doet modern aan. Hij formuleerde deze ideeën in een tijd waarin veel onderwijstheorieën nog uitsluitend spraken over mentale oefening. Voor Whitehead is de geest echter geen ‘gereedschap’ dat moet worden ‘geslepen’, of een soort opslagplaats voor losse ideeën. Voor hem vormt de geest met het lichaam een organische eenheid, die in voortdurende relatie staat tot de levende omgeving. Daarom is vorming of scholing een ritmisch proces van wederzijdse groei tussen leerling en de inhoud van het onderwerp. ‘In het paradijs zag Adam de dieren voordat hij ze een naam gaf; in het traditionele schoolsysteem gaven de kinderen de dieren namen, voordat ze die ooit hadden gezien’ (Science and the modern world, 1925).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wijsheid is het kind van integriteit.

Stephen R. Covey in The 8th habit. From effectiveness to greatness (2004)

Het onwaarschijnlijk succesvolle boek The 7 habits of highly effective people (1989) van leiderschapsgoeroe Stephen Covey werd ongelukkig vertaald met De zeven eigenschappen van effectief leiderschap (1993), maar werd ook in Nederland een bestseller. In 2004 kwam Covey met een opvolger, die door de verkeerde start wel vertaald moest worden als De 8ste eigenschap. Het wezenlijke aan de aanpak van Covey is niet dat hij met makkelijke, online in te vullen testjes nagaat of u wel de ‘eigenschappen’ hebt om ‘effectief’ te worden. Het gaat er juist om de principes te ontdekken die ons handelen en samenleven bepalen, om er vervolgens een gewoonte (‘habit’) van te maken om daar naar te leven.

Pas wanneer wij de informatie en kennis die wij hebben, inzetten voor doelen en principes die dat waard zijn, is er sprake van wijsheid. Daarvoor is integriteit nodig: het vasthouden aan de juiste principes. Maar daar is de ‘afstamming’ nog niet mee ten einde. Want integriteit is zelf weer het kind van moed en nederigheid. Eigenlijk, zegt Covey, is nederigheid de moeder van alle deugden, want dat houdt de erkenning in van het feit dat er wetten en principes zijn die het universum beheersen. En niet wijzelf.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media