Skip to content

Gedachten

Augustinus

De mensheid weet nooit precies waar zij naar op zoek is.

Alfred North Whitehead in Process and Reality (1927-1928)

Onder meer met deze uitspraak verdedigt de Britse wiskundige en filosoof Alfred North Whitehead (1861-1947) zijn project in het duizelingwekkende Process and Reality. Hierin beoefent hij namelijk de zogenaamde ‘speculatieve filosofie’, en er zijn weinig filosofische ondernemingen die in de twintigste eeuw zoveel kritiek kregen als juist die.
Systematisch redeneren had in de wetenschappen voor veel vooruitgang gezorgd, maar het was veel te ambitieus om te geloven dat die methode ook zou kunnen leiden tot metafysische systemen over ‘de algemene aard van de dingen’. Dat blijkt ook wel, vinden de critici, want het heeft in de loop der tijden alleen maar talloze varianten daarvan opgeleverd, waarvan de meeste door niemand meer worden aangehangen en die elkaar onderling tegenspreken.
Maar, zegt Whitehead, dan zou je de wetenschappen hun succes ook moeten ontzeggen, want die verlaten ook steeds hun theorieën voor betere. Hij ziet bovendien ook in de metafysica vooruitgang, ook al zien we steeds weer de beperkte toepassing van die ideeën, of juist daarom. Wij weten ‘nooit precies waar wij naar op zoek zijn’, en de ‘wereld oordeelt zonder dwaling’ (Augustinus) over de bruikbaarheid van onze systemen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Leer dansen, anders weten de engelen in de hemel niets met je te beginnen.

Augustinus, geciteerd door Anselm Grün in Boek van levenskunst (2002, 2003)

Augustinus van Hippo (354-430 na Chr.) was bisschop, theoloog, filosoof en kerkvader. Volgens de Duitse benedictijner pater en auteur van vele spirituele boeken Anselm Grün (1945) was het naleven van de tien geboden voor Augustinus niet de eerste voorwaarde om tot de hemel te worden toegelaten. Het is juist de vitaliteit die we op Aarde ontwikkelen die bepaalt of wij eeuwig zullen vertoeven in het bovenaardse. En natuurlijk is dansen een teken van vitaliteit. Grün zegt dat hij zichzelf vergeet als hij danst en ‘helemaal in zijn lichaam zit’.
Volgens Augustinus moeten we ons de engelen voorstellen als dansende wezens die ons maar al te graag willen opnemen in hun hemelse reidans. Het schijnt dat een andere kerkvader, Hippolytus (ca. 170-235), Christus de ‘voordanser’ van die dans noemt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

En ik heb mij gewend tot mijzelf en gezegd tot mijzelf: ‘Wie zijt gij?’ En ik heb geantwoord: ‘Een mensch.’

Augustinus in De belijdenissen van den H. Augustinus, X. 6 (397–398 n.Chr., 1930)

Deze passage uit de Confessiones van de kerkvader Aurelius Augustinus van Hippo (354–430) wordt wel beschouwd als de eerste keer dat ‘de antropologische vraag’ wordt gesteld in de filosofie. Augustinus maakt onderscheid tussen de vraag ‘wie ben ik’ en de vraag ‘wat ben ik’. De eerste vraag (zie het citaat) kan Augustinus zelf beantwoorden door te reflecteren op zijn eigen ervaringen en begrippen. De tweede vraag, naar de aard van de mens, kan hij alleen aan God stellen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Tolerantia non est nisi in malis – tolerantie is niets zonder kwaad

Augustinus

De Nederlandse socioloog en jurist Kees Schuyt (1943) omschrijft tolerantie als ‘het bewust achterwege laten van een negatieve reactie tegen iets of iemand waar men reële en serieuze bezwaren tegen heeft’ (In: Fokkema & Grijzenhout, Rekenschap 1650–2000, 2001). Intolerantie is dan het juist wél voltrekken van een negatieve handeling op grond van die negatieve houding.

Het eerste kenmerk van tolerantie is dus het vaststellen dat iets (een idee, een gedraging, een groep of organisatie) een ‘kwaad’ vormt. Daar verwijst het citaat van Augustinus naar. Iets wat je koud laat of wat je goed vindt, hoef je niet te tolereren. Tolerantie is dus in ieder geval geen onverschilligheid.
Het tweede kenmerk van tolerantie is dat je in principe ‘bij machte’ bent om aan het kwaad een einde te maken. Het veronderstelt dus macht. Als je er toch niks aan kunt doen, rest je niets anders dan berusting. Het derde kenmerk is terughoudendheid: je zou het kwaad kunnen opheffen, maar je ziet daar vanaf, omdat je je dan aan een groter kwaad schuldig zou maken. Daarmee is het vierde kenmerk van tolerantie genoemd: het is gebaseerd op een vergelijking tussen twee kwaden. Degenen die pleitten voor (religieuze) tolerantie in de zestiende en zeventiende eeuw waren wel degelijk gekant tegen ketters, maar nog méér tegen het doden ervan.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De tijd van het verleden is het geheugen, de tijd van het heden is de contemplatie, de tijd van de toekomst is de verwachting.

Augustinus in Belijdenissen

De Belijdenissen van kerkvader Aurelius Augustinus (354-430) zijn in verschillende opzichten een mijlpaal in de geschiedenis. Zij vormen om te beginnen de eerste autobiografie, die met soms genadeloze eerlijkheid vertelt over de eigen gedachten, gevoelens en gedragingen van de auteur. Daarnaast wordt in de Belijdenissen voor het eerst in de geschiedenis van de filosofie serieus over De Tijd nagedacht. Een van Augustinus’ beroemde uitspraken in dat verband luidt: ‘Wat is de tijd? Wanneer maar niemand het me vraagt, weet ik het; wil ik het echter uitleggen aan iemand die het vraagt, dan weet ik het niet.’ Aanleiding voor hem is de vraag waar God was voordat hij de hemel en de aarde maakte, en in het verlengde daarvan: waarom God het nodig achtte een wereld te scheppen.
Na maanden van contemplatie komt Augustinus tot de gedachte dat er alleen maar heden, tegenwoordige tijd, bestaat, maar dat de menselijke ziel daarin drie aspecten kan onderscheiden: het heden van het verleden, het heden van het heden en het heden van de toekomst. Deze aspecten corresponderen met drie vermogens van de ziel: het verleden met de herinnering, het heden met de waarneming en de toekomst met de verwachting.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De kardinale deugden: prudentia (voorzichtigheid, wijsheid), iustitia (rechtvaardigheid, rechtschapenheid), fortitudo (moed, kracht), temperantia (gematigdheid).

Ambrosius van Milaan in De officiis ministrorum (Over de plichten van de clerus)

Ambrosius (339-397) werd geboren in Trier en studeerde in Rome wetenschappen en retorica. Keizer Valentinianus II stelde hem aan als gouverneur voor de Noord-Italiaanse provincies, met als zetel Milaan. In die functie werd hij gevraagd te bemiddelen bij een kerkelijk conflict rond de benoeming van een nieuwe bisschop en daarbij maakte hij zo veel indruk dat men hem zelf bisschop maakte. Daarvoor moest hij eerst nog wel even worden gedoopt…
Zijn preken zijn mede van invloed geweest op de bekering van de latere kerkvader Augustinus, die in 387 door Ambrosius werd gedoopt. In zijn geschrift over de plichten van de clerus worden de vier deugden waar reeds Plato en Aristoteles over spraken, voor het eerst ‘kardinaal’ genoemd. Ambrosius treft deze deugden aan bij oudtestamentische helden als Abraham, Jakob en David. De naam is afkomstig van het Latijnse woord cardo: scharnier(pin), deurhengsel. De genoemde vier deugden worden eigenlijk in elke andere deugd voorondersteld. Wie bijvoorbeeld onvoorzichtig, onrechtvaardig, of onmatig is in zijn eerlijkheid, of niet de moed heeft eerlijk te zijn als het er echt om gaat, kunnen we moeilijk de deugd van de eerlijkheid toeschrijven.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top