Lijden

Het kenmerk van een succesvolle religie is altijd geweest dat ze werkt, niet dat ze filosofisch of historisch kan worden bewezen.

Karen Armstrong in Een geschiedenis van God (1993, 1995)

In haar magistrale boek bespreekt Armstrong vierduizend jaar jodendom, christendom en islam, maar ze besteedt ook aandacht aan onder meer het boeddhisme. De leer van Boeddha is dat het hele bestaan één lange lijdensweg is, maar dat je je daaraan kunt ontworstelen door in je leven alle schepselen barmhartig tegemoet te treden, door in woord en daad vriendelijk te zijn en je te onthouden van roesmiddelen. Deze overtuiging is niet logisch of empirisch te funderen, maar iedereen die er oprecht naar probeert te leven merkt dat het werkt. En dat is volgens Armstrong het kenmerk van een succesvolle religie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Doen en lijden zijn twee zijden van dezelfde medaille.

Hannah Arendt in The Human Condition (1958)

Omdat iedereen die zich beweegt in de maatschappij, de ‘actor’, dat altijd doet te midden van en in relatie tot andere handelende wezens, is hij nooit alleen maar een ‘doener’, maar altijd tegelijkertijd ‘lijder’. Daarom zijn volgens Hannah Arendt (1906–1975) doen en lijden ‘twee zijden van dezelfde medaille’. Elk verhaal waarmee een daad begint, bevat ook altijd de daden en het leed die daar het gevolg van zijn. En hoewel de daad misschien ‘uit het niets’ komt, zijn de consequenties daarvan eindeloos, want er ontstaat altijd een kettingreactie van nieuwe daden en nieuw leed. Dat betekent volgens Arendt dat actie en reactie nooit in een gesloten cirkel en uitsluitend tussen twee mensen bewegen. ‘De kleinste daad … draagt het zaad in zich van dezelfde eindeloosheid, want één daad, en soms zelfs één woord, is genoeg om elke constellatie te veranderen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het bitterste van alle lijden is de ontevredenheid met onszelf.

Arthur Schopenhauer in De kunst om gelukkig te zijn

Als het gaat om ons karakter vergelijkt Schopenhauer ons met gevangen olifanten. Ze gaan dagenlang tekeer, maar als ze eenmaal inzien dat dat vruchteloos is, bieden ze gelaten hun juk aan en zijn ze voor altijd getemd. Een van de leefregels die ons volgens Arthur Schopenhauer gelukkig maakt, is daarom het streven naar zelfkennis. Dat vereist dat we naast onze goede eigenschappen en sterke kanten ook onze gebreken en zwakheden leren kennen. Op basis daarvan kunnen we dan aan de ene kant onze doelen bepalen en aan de andere kant berusten in ‘het onbereikbare’. Want wie zich op die manier niet heeft verzoend met zijn karakterologische beperkingen lijdt het bitterst.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Wie verlost wil worden van een kwaad weet altijd wat hij wil; wie wat beters wil dan hij heeft is stekeblind.

Johann Wolfgang von Goethe in Die Wahlverwandtschaften

Schopenhauer citeert in zijn Bespiegelingen over levenswijsheid Goethe als argument in zijn betoog dat het zinloos is om het geluk na te streven. Volgens hem kunnen we ons maar beter richten op het vermijden van lijden. Als we uit een vaag onbehagen naar een beter leven streven, dan hebben we steeds nieuwe zelfhulpboeken en positiviteitsgoeroes nodig om ons bij de arm te nemen naar het geluk. Maar als we pijn hebben of ons ergeren aan iemand, dan weten we precies wat we zouden moeten doen: een pijnstiller nemen of ons uit de voeten maken.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Voor elke fluitende vogel is er een veelvoud aan vogeltjes die een miserabel kort leven leiden.

Stijn Bruers in Beter worden in goed doen – Vergroot je impact met effectief altruïsme (2018)

Sommigen zullen vinden dat de Vlaamse moraalfilosoof Stijn Bruers absurd ver gaat in het rationaliseren van onze behoefte om goed te doen. Bruers maakt deel uit van een beweging van zogenaamde effectieve altruïsten, die ernaar streven met hun geld en tijd een maximale hoeveelheid aan ‘goeds’ teweeg te brengen. Het kost bijvoorbeeld 40.000 euro om een blindengeleidehond op te leiden waar één blinde een aantal jaren plezier van heeft. Maar voor 40 euro kun je voorkomen dat een kind Afrika blind wordt door een trachoom, een ontsteking van het oogbindvlies. Een effectief altruïst hoeft er dan niet lang over na te denken waar hij zijn geld voor wil inzetten.

Een meer fundamentele vraag is waar wij als individuen, door de keuze van opleiding en werk, en als samenleving, door besteding van belastinggeld, het meeste goed kunnen doen. In dat verband wijst Bruers op het ‘sterk verwaarloosde probleem’ van het enorme leed van veel dieren in het wild, door honger, ziektes, ongevallen, parasieten, roofdieren en gevechten. We mogen dit volgens hem beslist niet onderschatten want het gaat in totaal om triljarden dieren en intense ervaringen van pijn, angst en stress. En hij vindt dat we moeten ingrijpen om dit leed te verlichten, eventueel door te zorgen dat bepaalde soorten (zoals roofdieren) niet meer geboren worden … Wie daar tegen is, is ten prooi gevallen aan de morele illusie dat wilde dieren onze hulp niet waard zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De meeste genoegens strelen en omhelzen ons om ons te wurgen.

Michel de Montaigne in Essays. Een proeve van zeven (1993)

Volgens de Franse denker en ‘uitvinder van het essay’ Michel de Montaigne (1533-1592) moeten wij een middenweg zien te bewandelen tussen onze ‘afschuw van het lijden en onze liefde voor het genot’. Wie zich de deugden van de zelfbeheersing en het vinden van de juiste maat wil eigen maken, moet echter om te beginnen leren inzien wat gevoelens en begeerten met je doen. Hoewel alle aardse genoegens natuurlijk buitengewoon prettig zijn, verleiden ze je ook om het pad te verlaten dat leidt naar een bewust en waardevol leven. Je kunt er ook vergif op innemen dat jou vaak ‘een genoegen wordt gedaan’ omdat anderen invloed op je willen hebben. Daarom is het zaak onderscheid te maken tussen de ‘natuurlijke genoegens’ en de genoegens die uiteindelijk je dood versnellen. Het kan namelijk maar zo zijn dat je dan nog niet hebt geleerd te sterven, wat volgens Montaigne het doel van alle filosoferen is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Leven met je passies komt neer op leven met je pijn.

Albert Camus in Notebooks 1942–1952

Dit is de eerste zin van een van de favoriete passages van Bobby Kennedy, die zich op het werk van Albert Camus (1913-1960) stortte na de moord op zijn broer John F. in 1963. Toen hij vijf jaar later zelf werd neergeschoten had hij volgens Jack Newfield (Robert Kennedy: A Memoir) inmiddels alle essays, toneelstukken en romans van Camus gelezen én herlezen. ‘Hij leerde hem uit zijn hoofd, mediteerde over hem, citeerde hem en veranderde door hem.’ De aantekening van Camus gaat verder met een zin die een belofte inhoudt voor wie zich erop toelegt een ‘opstandige mens’ te worden in een ‘absurd universum’: ‘Als een mens geleerd heeft – en niet alleen op papier – hoe hij zijn lijden alleen weet te dragen, hoe hij zijn neiging om te vluchten overwint, dan hoeft hij niet veel meer te leren.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Vrije tijd zonder studie staat gelijk aan de dood: het betekent voor de mens levend begraven zijn.

Seneca in Epistulae (82, par. 3)

In zijn Bespiegelingen over de levenskunst citeert Arthur Schopenhauer (1788–1860) veelvuldig de klassieken, waaronder Seneca (ca. 4 v.Chr.–65 n.Chr.), om zijn betoog te onderbouwen. Volgens Schopenhauer is ons dagelijks leven ‘vervelend en flauw’, tenminste wanneer het niet door hartstochten – tegenwoordig zegt men wel ‘passies’ – wordt beroerd. Het probleem is dat hartstochtelijk leven al gauw op leed uitdraait en voor Schopenhauer is geluk de afwezigheid van lijden (en kan het nooit meer zijn dan dat). Daarom zijn volgens Schopenhauer ‘alleen diegenen gelukkig die naast de voor de diensten aan de wil benodigde hoeveelheid intellect nog een extra dosis hebben meegekregen’. Zij kunnen namelijk daarmee naast hun alledaagse leven ook nog een intellectueel leven leiden, dat hen op een pijnloze manier vermaakt. Vrije tijd alleen is daarvoor niet voldoende, want zonder intellect ga je dan dood van verveling, zoals Seneca stelt. Volgens Schopenhauer beschermt een intellectueel leven niet alleen tegen de verveling, ‘maar ook tegen de verderfelijke gevolgen ervan’: slecht gezelschap en de ‘vele gevaren, ongelukken, verliezen en verspillingen waarmee men wordt geconfronteerd als men zijn geluk geheel en al in de reële wereld zoekt’. Ter illustratie verwijst Schopenhauer naar zijn eigen filosofie: die heeft hem nooit iets opgeleverd, maar wel veel ‘bespaard’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er zijn weinig dingen waar mensen zich zo toegewijd mee bezighouden als met ongelukkig zijn.

Alain de Botton in Hoe Proust je leven kan veranderen (2010)

In Hoe Proust je leven kan veranderen, een bestseller uit 1997, ontleent de Britse filosoof Alain de Botton (1969) interessante adviezen aan met name Prousts meesterwerk Op zoek naar de verloren tijd. Want voor De Botton is dit niet het verhaal van een nostalgisch verlangen naar een verloren jeugd, maar ‘een praktisch, algemeen geldend betoog over hoe je kunt ophouden je leven te verdoen en kunt beginnen het te waarderen’. Een van de dingen die we volgens De Botton kunnen opsteken van Proust is op welke manieren je allemaal ‘verkeerd kunt lijden’.
Een van de besproken ‘patiënten’ is madame Verdurin, een dame van burgerlijke komaf die er haar levensdoel van heeft gemaakt op te klimmen tot de betere kringen. Het lukt haar echter maar niet om op de gastenlijst van de aristocratische families te komen en als reactie veinst ze onverschilligheid en noemt ze iedereen door wie ze niet wordt uitgenodigd ‘een vervelende figuur’. Volgens Proust en De Botton kunnen we onze frustraties leren relativeren en proberen de mechanismen te doorgronden waardoor mensen uit jouw kringen van de belangrijke tafels worden geweerd.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat wij hier en nu ‘geluk’ zouden noemen is niet wat God uiteindelijk met ons voor heeft: maar als we zo zijn dat hij ons zonder enige belemmering zou kunnen liefhebben, zullen we in feite gelukkig zijn.

C.S. Lewis in The problem of pain (1940)

In de filosofie en theologie wordt over het algemeen de vraag waarom God in zijn almacht het lijden in de wereld toestaat de ‘theodicee’ genoemd, naar het boek van Leibniz uit 1710. De Britse schrijver C.S. Lewis (1898-1963) brengt de vraag wat dichter bij huis: ‘waarom moeten wij lijden?’ Waarom staat God toe dat wij pijn hebben, als hij toch van ons houdt? Deze vraag is niet langer onoplosbaar als je ‘houden van’ niet triviaal opvat en niet langer denkt dat de mens het centrum van het universum is. Dat is hij namelijk, volgens Lewis, niet: God is er niet voor de mens, maar de mens is er om zo te leven dat God van hem kan houden. En wie daarin slaagt, zal gelukkig zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het zal ooit erkend worden dat het aantal benen, de harigheid van het vel of het hebben van een staart, onvoldoende redenen zijn om een sensitief wezen aan zijn lot over te laten.

Jeremy Bentham in An introduction to the principles of morals and legislation, Volume 2 (1789)

De Engelse jurist, filosoof en sociaal hervormer Jeremy Bentham (1748-1832) is een van de eerst pleitbezorgers van de rechten van het dier. Het utilitarisme, waar hij een van de grondleggers van is, meet de morele waarde van een handeling af aan de mate waarin die handeling een bijdrage levert aan het algemeen nut, dat meestal nader wordt gespecificeerd als het bevorderen van het geluk of het wegnemen van het ongeluk van zo veel mogelijk mensen. Maar volgens Bentham voelen dieren pijn op dezelfde manier als mensen en ‘de dag zal komen dat de rest van het dierenrijk dezelfde rechten zal verkrijgen, die hun alleen door tirannie zijn ontnomen’. Hij wees ook al op het gevaar om ‘logisch redeneren’ als criterium voor mensenrechten te nemen, want dan zouden immers ook baby’s en verstandelijk gehandicapten als louter dingen moeten worden behandeld. ‘De vraag is niet of dieren logisch kunnen redeneren, en ook niet of ze kunnen praten, maar of ze kunnen lijden.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De kunst van het leven is niets anders dan gebruik maken van de personen door wie we lijden.

Marcel Proust, geciteerd in Alain de Botton – Hoe Proust je leven kan veranderen (1997)

De Franse schrijver Marcel Proust (1871–1922) is vooral de auteur van één groot meesterwerk: Op zoek naar de verloren tijd. Deze meerdelige roman en Prousts leven en andere geschriften bieden volgens Alain de Botton talloze wijsheden waarmee eenieder zijn voordeel kan doen. Hij leert je onder meer van het leven te genieten, hoe je een goede vriend kunt zijn, en vooral hoe je ‘met succes kunt lijden’. Proust bleef in zijn leven op lichamelijk, relationeel en geestelijk vlak weinig bespaard, dus je kunt hem beschouwen als een ‘veteraan in het leed’. Er was hem dus veel aan gelegen niet te zoeken naar een of ander utopisch geluk, maar een ‘werkbare benadering van de ellende’ te vinden. Een van de manieren waarop je die kunt ontwikkelen, is te reflecteren op de mensen die ons in de steek laten of ‘van een gastenlijst schrappen’. Door inzicht te krijgen in de manier waarop we worden gekwetst, worden we niet van onze pijn verlost, maar ‘zodra leed wordt omgezet in ideeën, verliest het iets van zijn vermogen ons hart te verwonden’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het zekerste middel om niet heel ongelukkig te worden is niet te verlangen heel gelukkig te worden.

Arthur Schopenhauer in De kunst om gelukkig te zijn (2011)

Met dit citaat begint ‘Leefregel 36’ in het door Franco Volpi samengestelde boekje met verspreide uitspraken van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860) over de kunst van het gelukkig worden. Volgens deze pessimistische wijsgeer wordt onze wereld gekenmerkt door pijn en lijden, en geluk is voor hem vooral de (altijd tijdelijke) afwezigheid van ongeluk.
Een van de manieren waarop wij zelf van invloed zijn op ons geluk is het temperen van ons verlangen ernaar. Juist het ‘verwoede streven naar geluk trekt het meeste ongeluk aan’. Het bescheiden afstemmen van onze aanspraken op genot, bezit, aanzien en eer op onze middelen om die te verwerven, is ‘het zekerste middel om ongeluk te ontlopen’. Schopenhauer citeert met instemming de Romeinse dichter Horatius (65–8 v.Chr.):

‘Wie het gulden midden kiest
die houdt zich zeker verre van de vuiligheid van de vermolmde hut,
maar ook, in bescheidenheid, van de jaloers makende pracht en praal van het koninklijk slot’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De kunst van het liefhebben is voornamelijk de kunst van het volharden.

Albert Ellis

De rationeel-emotieve therapie van de Amerikaanse psycholoog Albert Ellis (1913–2007) wordt wel een moderne variant van de stoïcijnse filosofie genoemd. Wij lijden (geestelijk) niet door objectieve omstandigheden, maar vooral door onze eigen gedachten daarbij of daarover. Het is dus zaak te laten zien dat onze denkbeelden verkeerd zijn, en het lijden houdt op. Ook de stoïcijnen maakten daarbij gebruik van ‘oefeningen’, wat in de mede onder invloed van Ellis ontwikkelde cognitieve gedragstherapie ‘gedragsexperimenten’ heten.
Van Ellis zelf is bekend dat hij zijn verlegenheid tegenover het andere geslacht overwon met behulp van een zelf ontworpen gedragsexperiment. Hij sprak met zichzelf af dat hij iedere keer dat er voor het universiteitsgebouw een meisje op een bank zat, hij haar aan zou spreken en mee uit zou vragen. Hij verdroeg uiteindelijk meer dan honderdvijftig afwijzingen, maar hij volhardde totdat er eentje bereid was het op liefhebben aan te laten komen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het zal ooit erkend worden dat het aantal benen, de harigheid van het vel of het hebben van een staart, onvoldoende redenen zijn om een sensitief wezen aan zijn lot over te laten.

Jeremy Bentham in An Introduction to the Principles of Morals and Legislation (1789)

Onder meer vanwege dit citaat wordt de Engelse jurist, filosoof en sociaal hervormer Jeremy Bentham (1748–1832) wel beschouwd als een van de eerste voorvechters van dierenrechten. Volgens Bentham leeft de mens onder twee ‘soevereine meesters’, te weten pijn en genot. En dat geldt volgens hem evenzeer voor (andere) dieren. Dat er desalniettemin een (juridisch) onderscheid wordt gemaakt tussen mens en dier komt omdat velen menen dat alleen mensen logisch kunnen nadenken en/of spreken. Maar volgens Bentham is een volwassen paard of hond een rationeler wezen dan een baby of een verstandelijk gehandicapte – en valt er zelfs beter mee te ‘praten’. En deze laatsten willen we toch ook niet als dingen behandelen? Maar eigenlijk doet dat er voor Bentham helemaal niet toe, want de vraag is niet of levende wezens kunnen redeneren of spreken, maar of ze kunnen lijden. En volgens hem lijden dieren op dezelfde manier pijn als mensen. En dus zal de dag ‘komen dat de rest van het dierenrijk dezelfde rechten zal verkrijgen, die hun alleen door tirannie zijn ontnomen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je hebt meer geld nodig – is dat waar?

Byron Katie in ‘You Need More Money—Is That True? The Work of Byron Katie’ 

?v=s78jm5PIUDI&feature=youtu.be, geüpload op 8 nov. 2006)

Zoals meer succesvolle zelfhulpgoeroes is de aanpak van Byron Kathleen Mitchell (Byron Katie, 1942) in eerste instantie gebaseerd op een eigen levensveranderende gebeurtenis. En net als veel cognitieve of rationeel-emotieve therapeuten lijken haar ideeën sterk op die van de stoïcijnen als Epictetus: ‘Niet de dingen zelf maken de mensen van streek, maar hun denkbeelden erover.’
In februari 1986 woonde zij in een halfweghuis voor vrouwen met eetstoornissen toen zij plotseling ontdekte dat zij leed als zij haar gedachten geloofde, maar dat dat lijden ophield zodra ze er niet meer in geloofde. ‘Zo eenvoudig is vrijheid. Ik ontdekte dat lijden optioneel is.’ Zij ging andere mensen helpen met een methode die zei ‘The Work’ noemt, een vorm van zelfonderzoek waarbij je jezelf steeds vier vragen moet stellen. In het YouTube-filmpje hebben deze betrekking op de vraag of je meer geld nodig hebt:
1) Is dat waar?
2) Kun je absoluut zeker weten dat dat waar is?
3) Hoe reageer je, wat gebeurt er als je die gedachte gelooft?
4) Wie zou je zijn, zonder die gedachte?

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.

Ludwig Wittgenstein in Filosofische onderzoekingen (1953, II iv.)

De invloedrijke Filosofische onderzoekingen van Ludwig Wittgenstein (1889–1951) bestaan uit allerlei min of meer losse notities over kwesties rond logica, betekenis, psychologie, geest en taal. De betreffende paragraaf begint Wittgenstein met na te denken over de vraag wat het betekent als je zegt dat je gelooft dat iemand lijdt, en of ik op dezelfde manier ‘geloof’ dat iemand geen robot is. Dat laatste is volgens Wittgenstein geen zinvolle uitspraak. In werkelijkheid is het niet zo dat ik ‘van mening ben’ dat iemand een ziel heeft, maar dat ik een houding ten opzichte van iemand aanneem als ten opzichte van een ziel, dat ik hem behandel als een ziel. Dat we ons, zoals in de religie, iemands ziel voorstellen als iemands uiterlijke verschijning, zijn lichaam, is niet zo vreemd, volgens Wittgenstein. Beeld en woord dienen hetzelfde doel: de ander aanduiden als iemand met een ziel.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Alle mensen hebben een hart dat het lijden van anderen niet kan verdragen.

Mencius in De Mencius

De Chinese wijsgeer Mencius of Mengzi (372–289 v.C.) wordt gezien als de belangrijkste confucianistische denker na de meester zelf. Net als bij Confucius zijn de filosofische uitspraken van Mencius vooral ook bedoeld om koningen en leiders te voorzien van wijze raad.
Dat alle mensen een zekere natuurlijke goedheid hebben, toont Mencius aan met het feit dat ieder mens die ziet dat een kind in een put valt, geschokt en bezorgd is. Terwijl deze bekommernis niet voortkomt uit het feit dat iemand in een goed blaadje wil komen bij de ouders van het kind of zijn omgeving, noch omdat hij bang is voor kritiek als hij zich niet betrokken betoont.
Mencius merkt op dat ‘de oude koningen’ zo’n hart hadden dat het lijden van anderen niet kon verdragen. En daarmee gaven ze leiding aan een regering die het lijden van mensen niet kon verdragen. Als je zo’n overheid aanvoert die het lijden van mensen niet kan verdragen, dan zou je het rijk kunnen regeren ‘alsof je het in de palm van je hand had’. Drie keer herhaalt Mencius die frase, en voor snelle westerse lezers uit de eenentwintigste eeuw, is dat twee keer te veel. Maar stel je voor dat dit een mantra van de huidige Chinese of Amerikaanse of Europese leiders zou worden, dan zouden ze geen repressie, smerige verkiezingscampagnes of eindeloze reeksen toezichthouders meer nodig hebben. Wij zouden als was in hun vingers zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De aarde is de wieg van de mens, maar de mens kan niet zijn hele leven in de wieg blijven wonen.

Konstantin Edoeardovitsj Tsiolkovski, in een brief, 1911

De Pools-Russische wiskundeleraar Konstantin Edoeardovitsj Tsiolkovski (1857–1935) wordt gezien als de vader van de ruimtevaarttechnologie. Hij was de eerste die niet alleen bedacht dat raketten op vloeibare brandstof konden vliegen, maar ook hoe dat ongeveer zou moeten. Behalve in de techniek van ruimtevaart was hij ook geïnteresseerd in de ethiek en de filosofie van het leven in de ruimte. Zo meende hij dat wij niet alleen het geluk van alle mensen op aarde, maar van alle wezens in de kosmos moeten nastreven. Zijn ‘kosmische filosofie’ gaat heel ver: geluk is de eeuwige afwezigheid van alle soorten lijden in het hele universum en van alle processen die het goede kunnen vernietigen. In 1926 kwam hij met een ‘Plan voor Verkenning van de Ruimte’, waarvan punt 14 luidt: het bereiken van individuele en sociale volmaaktheid.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is een teken van ware liefde wanneer men er aan denkt hoe de ander lijdt. Want ook hij lijdt, ook hij is een arme drommel.

Ludwig Wittgenstein in een brief op 14 augustus 1946

In het jaar 1946 wordt Ludwig Wittgenstein verliefd op de student medicijnen Ben Richards, die bijna veertig jaar jonger is dan de filosoof. Naar eigen zeggen zorgt zijn liefde voor Ben ervoor dat al zijn ‘kleinzielige zorgen’ in verband met baan en werk op de achtergrond raken. Hoewel hij diverse eerdere relaties met jongemannen heeft gehad, meent zijn biograaf Ray Monk dat de relatie met Richards voor het eerst een breuk lijkt te betekenen met Wittgensteins solipsisme. Over dit geloof, dat de hele wereld alleen in de eigen geest bestaat, had hij in de Tractatus logico-philopophicus (1921) nog het volgende gezegd: ‘Wat het solipsisme bedoelt, is helemaal juist, het laat zich alleen niet zeggen, maar het toont zich.’ Voor Wittgenstein zelf is de liefde van Ben een ‘groot, zeldzaam geschenk’, al realiseert hij zich ook dat het mede-lijden met een ander zijn leven er niet gemakkelijker op maakt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media