Skip to content

Gedachten

Whitehead

De mensheid weet nooit precies waar zij naar op zoek is.

Alfred North Whitehead in Process and Reality (1927-1928)

Onder meer met deze uitspraak verdedigt de Britse wiskundige en filosoof Alfred North Whitehead (1861-1947) zijn project in het duizelingwekkende Process and Reality. Hierin beoefent hij namelijk de zogenaamde ‘speculatieve filosofie’, en er zijn weinig filosofische ondernemingen die in de twintigste eeuw zoveel kritiek kregen als juist die.
Systematisch redeneren had in de wetenschappen voor veel vooruitgang gezorgd, maar het was veel te ambitieus om te geloven dat die methode ook zou kunnen leiden tot metafysische systemen over ‘de algemene aard van de dingen’. Dat blijkt ook wel, vinden de critici, want het heeft in de loop der tijden alleen maar talloze varianten daarvan opgeleverd, waarvan de meeste door niemand meer worden aangehangen en die elkaar onderling tegenspreken.
Maar, zegt Whitehead, dan zou je de wetenschappen hun succes ook moeten ontzeggen, want die verlaten ook steeds hun theorieën voor betere. Hij ziet bovendien ook in de metafysica vooruitgang, ook al zien we steeds weer de beperkte toepassing van die ideeën, of juist daarom. Wij weten ‘nooit precies waar wij naar op zoek zijn’, en de ‘wereld oordeelt zonder dwaling’ (Augustinus) over de bruikbaarheid van onze systemen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Religie is wat de mens doet met zijn eigen alleen-zijn.

Alfred North Whitehead in De dynamiek van de religie (Religion in the making, 1926)

De Engelse denker Alfred North Whithead (1861–1947) was niet alleen een briljant wiskundige en een bijzondere filosoof, hij is ook de grondlegger van wat de ‘procestheologie’ wordt genoemd. Het is jammer dat een van zijn belangrijkste werken op dit gebied, Religion in the making (1926), in het Nederlands is vertaald als De dynamiek van de religie. ‘In the making’ betekent volgens het woordenboek ‘in de maak, in voorbereiding, in ontwikkeling, op komst’. En zeker die twee eerste vertalingen suggereren dat er een maker is of moet zijn, niet alleen een ‘dynamiek’. In dit geval is dat niet God – die ‘schept’ de religie niet –, maar de mens, en wel de mens die alleen is: ‘indien je nooit alléén bent, ben je nooit godsdienstig.’
Voor zover iemand bewust vormgeeft aan en reflecteert op zijn ‘innerlijke leven’ is hij religieus bezig. Religie is dan het krachtdadige geloof dat je ‘binnenkant zuivert’, en dat betekent dat volgens Whitehead de belangrijkste deugd van een godsdienstig mens ‘een allesdoordringende oprechtheid’ is. Overigens meent Whitehead geenszins dat religie noodzakelijk goed is. Idealiter verloopt een religieuze ontwikkeling van God-de-leegte, via God-de-vijand naar God-de-metgezel. Maar iemand kan het in zijn religieuze ervaring ook op een akkoordje gooien met de ‘God van vernieling’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Filosofie keert nooit terug naar een eerdere positie na de schok van een groot filosoof.

Alfred North Whitehead in Process and Reality (1927-1928)

De wiskunde redeneert deductief: op grond van algemene principes komt men tot conclusies over bijzondere gevallen. Onder invloed van de wiskunde is deze methode volgens wiskundige en filosoof Alfred North Whitehead (1861–1947) ook ‘opgedrongen’ aan de wijsbegeerte. Maar volgens hem is de primaire methode voor een filosoof ‘beschrijvende generalisatie’, waarbij deductie alleen een hulpmiddel is om de reikwijdte van de geformuleerde generalisaties te toetsen.
Door deze misvatting over de filosofische werkwijze hebben we het zicht verloren op het ‘aanzienlijke succes van de filosofie met het leveren van algemene ideeën die helderheid scheppen in ons begrip van de feiten in onze ervaring’. Dat grote filosofen als Plato, Aristoteles, Descartes, Leibniz, Hume, Kant en Hegel inmiddels ‘onttroond’ zijn, betekent volgens Whitehead alleen maar dat hun ideeën hun beperkingen hebben of aangepast moeten worden. Soms blijkt een door een groot denker verworpen idee juist het betere te zijn. Maar dat neemt niet weg dat zij zelfs daarmee de filosofie vooruit hebben gebracht.

Timon Meynen
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Leven is diefstal.

A.N. Whitehead in Process and reality (1927-1928)

Kun je als mens leven ‘zonder een vlieg kwaad te doen’? Boeddhisten doen hun best om eerbied te hebben voor alle levende wezens, en Indiase jaïnisten vegen het pad schoon voor ze het betreden om niet per ongeluk op een dier te stappen. Maar volgens de Brits-Amerikaanse filosoof, natuurkundige en wiskundige Alfred North Whitehead (1861-1947) geldt voor alle dingen, die hij omschrijft als ‘samenlevingen van gebeurtenissen’, dat zij voor hun bestaan afhankelijk zijn van uitwisseling met hun omgeving. In het geval van levende wezens neemt die uitwisseling de vorm aan van diefstal. Je kunt je daarbij voorstellen dat je wel vegetariër of zelfs veganist kunt zijn, maar dat je toch groente zult moeten oogsten. En je kunt ook niets doen aan de bloeddorst waarmee in je ingewanden vervolgens die plantenvezels te lijf worden gegaan.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als er nou iets een reeks voetnoten bij Plato is, dan is het The Sopranos.

Mark Rowlands in Alles wat ik weet, weet ik van tv – Filosofie voor zappers (2005)

Hoogleraar ethiek Mark Rowlands (geb. 1962) heeft een interessante manier gevonden om filosofie toegankelijk te maken voor het grote publiek door filosofische vragen te illustreren met bekende televisieseries. Zo behandelt hij aan de hand van Aristoteles de serie Friends om de vraag ‘Wat is liefde?’ te beantwoorden, en bekijkt hij Sex and the City om erachter te komen wanneer je gelukkig bent.

Dat je de filosofie kunt beschouwen als een reeks voetnoten bij Plato is een bekende uitspraak van de filosoof en wiskundige A.N. Whitehead. Rowlands vindt dat dat ook geldt voor de serie over een Amerikaanse maffiafamilie, waarvan het hoofd – Tony Soprano – regelmatig een psychiater bezoekt, omdat hij last heeft van paniekaanvallen die gepaard gaan met duizeligheid en black-outs. Volgens Rowlands gaat het in de serie onder meer om de platoonse vraag: ‘Kan een goed mens slechte dingen doen?’ De fijngevoelige, intelligente Tony – zeker in vergelijking met zijn collega’s – is een zorgzame vader en heeft een zwak voor dieren, maar moet om zijn verlangen naar macht en rijkdom te bevredigen meedogenloos zijn. Volgens Rowlands is de onverenigbaarheid van zijn passies zijn wezenlijke probleem. En volgens Plato is een goed mens iemand die geest, temperament en lichamelijke begeerten in het juiste evenwicht houdt. Ieder ander is ‘gestoord’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De gewoonte om goed begrepen principes actief te gebruiken is het uiteindelijke bezit van wijsheid.

Alfred North Whitehead in ‘The rhythmic claims of freedom and discipline’ (Uit: The aims of education and other essays (1929))

In het inleidende essay uit de genoemde bundel geeft de Brits-Amerikaanse filosoof, natuurkundige en wiskundige Alfred North Whitehead (1861-1947) een definitie van ‘education’ (wat hier zowel scholing als ontwikkeling of vorming betekent): ‘Vorming is het verwerven van de kunst om kennis te gebruiken.’ Whiteheads nadruk op de noodzakelijke verbinding tussen opleiding en praktijk doet modern aan. Hij formuleerde deze ideeën in een tijd waarin veel onderwijstheorieën nog uitsluitend spraken over mentale oefening. Voor Whitehead is de geest echter geen ‘gereedschap’ dat moet worden ‘geslepen’, of een soort opslagplaats voor losse ideeën. Voor hem vormt de geest met het lichaam een organische eenheid, die in voortdurende relatie staat tot de levende omgeving. Daarom is vorming of scholing een ritmisch proces van wederzijdse groei tussen leerling en de inhoud van het onderwerp. ‘In het paradijs zag Adam de dieren voordat hij ze een naam gaf; in het traditionele schoolsysteem gaven de kinderen de dieren namen, voordat ze die ooit hadden gezien’ (Science and the modern world, 1925).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het doel van de filosofie is het rationaliseren van mystiek.

Alfred North Whitehead in Modes of thought (1938)

Volgens Whitehead kun je filosofen onderscheiden in twee scholen, aan de hand van de ‘Drogreden van het Perfecte Woordenboek’. Deze drogreden is gebaseerd op het geloof dat alle fundamentele ideeën die van toepassing zijn op de ervaringen van de mens al tot bewustzijn zijn gekomen, en dat onze taal die ideeën expliciet uitdrukt. De kritische school in de filosofie verwerpt speculatie en beperkt zichzelf tot de analyse van de woorden die nu al in het woordenboek staan. De speculatieve school daarentegen streeft naar onmiddellijk inzicht, en probeert de betekenis daarvan te laten zien door een beroep te doen op situaties die dat inzicht geven. Daarmee verrijken de speculatieve filosofen het woordenboek. Het is een ‘strijd tussen veiligheid en avontuur’. Volgens Whitehead zelf heeft de filosofie precies daarom nut: om te zorgen dat er nieuwe ideeën worden ontwikkeld die de maatschappij verlichten. Het onmiddellijke inzicht is een mystiek gebeuren en de ware filosofie probeert dat inzicht niet weg te verklaren, maar er juist nieuwe woorden en zinnen voor te vinden, die rationeel met elkaar verbonden zijn. Filosofie lijkt daarin op poëzie ‘en beide proberen dat ultieme idee uit te drukken dat we beschaving noemen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top