Gedachten

Als je je somber voelt of geërgerd, is er iets niet in orde …

Leo Tolstoj in De weg van het leven

Tientallen jaren na zijn meesterwerken als Oorlog en vrede en Anna Karenina schreef Leo Tolstoj op wat hij onderweg zoal had geleerd over het leven. Dat leverde het boek De weg van het leven op, met veel citaten van anderen maar ook doorleefde lessen van zichzelf. Een van de ‘zonden’ die hij bespreekt is die van de woede. Dat hoofdstuk begint hij met een vergelijking tussen lichaam en geest. Als je lichaam pijn doet, weet je dat er iets niet in orde is. En dat geldt ook voor de geest. Als je gedeprimeerd of geïrriteerd bent, is er iets niet in orde: ‘of je houdt van dingen waarvan je niet moet houden, of je houdt niet van dingen waar je wel van moet houden.’

Nu is het zo dat boosheid, volgens hem, voortkomt uit machteloosheid, dus een verlangen naar macht waar die onmogelijk te verkrijgen is. Dat houdt in dat boosheid eigenlijk betekent dat je een beetje dom bent. Volgens Tolstoj ben je als een vrouw die niet beseft dat ze blind is en alles en iedereen kwalijk neemt dat ze tegen haar op botsen, terwijl het natuurlijk precies andersom is.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Er is geen genezing voor het toebehoren aan de wereld. Maar met een afdoende behandeling kunnen we in elk geval genezen van de waan dat we er niet aan toebehoren.

Bruno Latour in Oog in oog met Gaia (2015, vertaling 2017)

De Franse filosoof Bruno Latour (1947) vindt dat we allemaal gek geworden zijn. Luidt de geleerde term voor waanzin niet ‘een verstoring van de verhouding tot de wereld’? Om te begrijpen wat er ecologisch allemaal gaande is aan crises, of liever ‘totale oorlog’, moeten we beseffen dat alle veranderingen van de aarde iedereen tot waanzin drijven, maar wel tot verschillende soorten. Zo verkeren ‘klimaatsceptici’ overduidelijk in een ‘ontkenningswaan’, omdat ze de redelijke argumenten van vrijwel alle wetenschappers negeren. Anderen zijn getroffen door het delirium dat we met ‘geo-engineering’ onze controledwang op de Aarde nog moeten vergroten. Latour raadt voor hen een dwangbuis aan. Verder heb je nog de gedeprimeerden, die wel zien wat er allemaal aan het veranderen is, maar menen dat ze er toch niks aan kunnen doen. Daartegenover staan degenen die denken dat dat wel kan, maar die zijn volgens Latour waarschijnlijk in hun manische fase.

Zelf probeert Latour zich van zijn angst te bevrijden door ‘sluwe manieren’ te vinden om anderen met zijn angst te besmetten. Dat doet hij onder meer in dit Oog in oog met Gaia. Omdat we ons niet in een ‘crisis’ bevinden, maar in een definitieve verandering van onze verhouding tot de wereld (‘we zitten er midden in’), pleit hij voor een ‘zorgtraject’, waarin we leren ‘subtiel te wanhopen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als iets niet waar is in de ogen van de minstbedeelden, dan is het niet waar.

Jean-Paul Sartre in Les communistes et la paix (1964)

Aan het slot van Les communistes et la paix komt Jean-Paul Sartre (1905–1980) met een radicale oplossing voor de vraag hoe we besluiten wie er gelijk heeft als mensen met onverenigbare belangen tegelijk beweren dat het recht aan hun kant staat. We moeten volgens hem de kwestie gewoon bekijken ‘met de ogen van de minst bevoorrechten’ of ‘van degenen die het meest onrecht wordt aangedaan’.

Volgens Sarah Bakewell (De existentialisten, 2016) zou dit zelfs kunnen dienen als criterium voor de waarheid zelf. ‘Met één pennenstreek veegde Sartre’, volgens haar, ‘het misleidende jargon van tafel waar bevoorrechte groepen zich van bedienen.’ Je zou tegenwoordig kunnen denken aan de liberalen die vinden dat inkomensverschillen gerechtvaardigd zijn omdat iedereen ‘gelijke kansen’ heeft, als hij maar bereid is om hard te werken. Dat gaat natuurlijk voorbij aan degenen die minder bevoorrecht zijn als het bijvoorbeeld gaat om afkomst, intelligentie en psychische en lichamelijke gezondheid.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Door in de beslissing bij het goede te willen zijn en te blijven, wordt heel veel tijd gewonnen.

Søren Kierkegaard in Onverdeeld één ding te willen

In een lange toespraak vraagt de Deense denker Søren Kierkegaard zich af hoe je ertoe kunt komen om één ding onverdeeld te willen, met andere woorden je hele leven op één ding te richten. Wat zou dat ene dan moeten zijn? Als je erover nadenkt, kun je eigenlijk maar tot één antwoord komen: het goede. Kierkegaard laat ook zien dat het omgekeerde eveneens het geval is: als je het goede wilt, kun je eigenlijk alleen maar dat willen. Dat betekent dat alles wat je doet gericht moet zijn op het goede.
Je zou je kunnen afvragen of dat niet veel te veel gevraagd is. Nee hoor, zegt Kierkegaard, want wat doen die mensen die het zo druk hebben dat ze geen tijd hebben om onverdeeld het goede te doen? Mensen die klagen over hun gebrek aan tijd, brengen die voornamelijk door met ‘weifelachtigheid, afleiding, halve gedachten, halve besluiten, besluiteloosheid’. Nu alleen nog even bedenken wat ‘het goede’ is … Voor Kierkegaard is dat duidelijk: de liefde voor God en je naaste.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

De filosofie mag de verscheidenheid van de wereld niet veronachtzamen – de elfen dansen, en Christus is aan het kruis genageld.

A.N. Whitehead in Process and Reality (1927-1928)

In zijn ‘speculatief filosofische’ werk over ‘proces en werkelijkheid’ stelt de Brits-Amerikaanse filosoof, natuurkundige en wiskundige Alfred North Whitehead (1861–1947) dat het grootste gevaar dat de filosofie bedreigt de beperktheid van de keuze voor bewijsgronden is. Als we niet oppassen zijn denkbeelden gebaseerd op gegevens die arbitrair bepaald zijn door het temperament van de individuele denkers, de kleinsteedsheid van de sociale groep waartoe ze behoren of de beperkingen van hun denkschema.

Als je kijkt naar de grote culturele verworvenheden in de geschiedenis van plaatsen en tijdperken, van het Romeinse Rijk tot het moderne Parijs of New York, is natuurlijk op elk van die stappen in de beschaving van de mensheid velerlei kritiek mogelijk. Maar als je ze louter minacht, betekent dat dat je blind bent voor de grootsheid van bepaalde elementen daarvan die onze bewondering verdienen. ‘Er is grootsheid te vinden in de levens van degenen die religieuze stelsels stichten … en dat van de rebellen die ze vernietigen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het werpt vruchten af als je tijdig aan je toekomstige herinneringen hebt gewerkt.

Wilhelm Schmid in Gelatenheid – Wat we winnen wanneer we ouder worden

Volgens de Duitse levenskunstfilosoof Wilhelm Schmid (geb. 1953) maakt de houding van ‘gelatenheid’ het ouder worden draaglijk. Op grond van zijn eigen ervaring met het verouderingsproces komt hij tot ‘tien stappen naar de gelatenheid’. De vierde daarvan is het ‘beleven van genoegens en geluk’. Behalve aan het langzaam genieten van een goede espresso, denkt hij daarbij ook aan het grote ‘genoegen van de herinnering’. Het zwelgen daarin wordt aangenamer, omdat je niet meer bang hoeft te zijn voor wat er gaat gebeuren, want het is al achter de rug. Je kunt terugdenken aan bijzondere dingen die je hebt bereikt, maar ook een melancholieke herinnering kan zoet zijn. Wie nog niet zo oud is, kan zich door deze wijze les laten inspireren om vandaag al te beginnen aan het realiseren van memorabele ervaringen.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

De natuur heeft de mensheid onder de heerschappij gesteld van twee soevereine meesters: pijn en genot.

Jeremy Bentham in ‘Een inleiding tot de beginselen van moraliteit en wetgeving’, in Utilisme (1789, 2020).

Met het citaat begint het boek waarin de Engelse jurist en filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) zijn ideeën over het utilisme uiteenzet. Volgens hem geven alleen pijn en genot aan wat we zouden moeten doen en bepalen ook alleen deze twee wat we zullen doen. ‘Zowel de maatstaf van goed en kwaad als de keten van oorzaken en gevolgen is aan hun troon bevestigd. Zij regeren ons in alles wat we doen, in alles wat we zeggen en in alles wat we denken.’ Er zijn dus zowel logische redenen als empirische redenen te geven waarom het nuttigheidsbeginsel het leidende principe van de moraal moet zijn, want dit beginsel erkent deze ‘onderworpenheid’ en maakt er de basis van voor het systeem dat ‘de structuur van het geluk’ bouwt. ‘Stelsels die dit ter discussie proberen te stellen, geven geluid in plaats van betekenis, grilligheid in plaats van redelijkheid en duisternis in plaats van licht.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Van de geneeskunde wordt bewezen dat die goed is, doordat die de gezondheid bevordert. Maar hoe is het mogelijk om te bewijzen dat gezondheid goed is?

J.S. Mill in Utilisme (1863, 2020)

Volgens de Britse filosoof John Stuart Mill (1806-1873) kun je de theorie die stelt dat nut of (het grootste) geluk het hoogste goed is niet bewijzen in de gebruikelijk zin. Je kunt alleen bewijzen dat iets goed is, door te laten zien dat het een middel is om te komen ‘tot iets waarvan algemeen aanvaard wordt dat het zonder bewijs goed is’. In het citaat geeft hij het voorbeeld van de geneeskunde, die goed is omdat die de gezondheid bevordert, maar als iemand dan zou vragen om te bewijzen dat gezondheid goed is, zou je met lege handen staan. Als iemand dat niet ook ‘vanzelfsprekend’ vindt, eindigt het gesprek. Een ander voorbeeld dat Mill geeft is de muziekkunst. Het luisteren naar of maken van muziek is een genoegen, maar hoe kun je bewijzen dat een genoegen iets goeds is?

Overigens meent Mill dat er een ruimere betekenis van ‘bewijs’ bestaat, namelijk allerlei rationele overwegingen die een intelligent iemand ‘ertoe kunnen brengen al dan niet in te stemmen met de doctrine, en dat staat gelijk aan bewijs’. Voor Mill zelf is gezondheid goed omdat het een genoegen of genot is om gezond te zijn (en pijnlijk om het niet te zijn) en muziek omdat je er genoegen aan kunt beleven. Daarom is hij aanhanger van het utilisme.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als niets ertoe doet, zou het er ook niet toe moeten doen dat niets ertoe doet.

Irvin D. Yalom in Existential psychotherapy

Een van de levenshoudingen die de existentieel psychotherapeut Irvin D. Yalom soms aantreft bij patiënten is een ‘kosmische visie’. Zij kijken van grote afstand naar het gedoe van de andere mensen, die ook slechts ‘broodkruimels op de rok van het universum’ zijn, en vragen zich af waarom zij zich zo druk maken om nietigheden. Bij sommige filosofen leidt dit ‘globale’ of ‘galactische’ gezichtspunt tot een pessimistische filosofie, zoals bij Arthur Schopenhauer. Hoewel ook Yalom niet gelooft in een zin van het universum, vindt hij dit gebrek aan betrokkenheid toch ook niet gezond. Hij ziet er onder andere een ‘logische inconsistentie’ in. Want als het allemaal niets uitmaakt wat je doet, maakt het ook niet uit dát het niets uitmaakt. En dus hoef je je niet uit het leven terug te trekken, maar kun je er ten volle van genieten.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Het is beter om een onbevredigd mens te zijn dan een bevredigd varken, beter om een onbevredigde Socrates te zijn dan een bevredigde dwaas.

John Stuart Mill in Utilisme (1863, 2020)

In zijn verdediging van het utilisme als basis voor morele oordelen trekt de Britse filosoof John Stuart Mill (1806-1873) van leer tegen de tegenstanders van die doctrine die al vanaf de eerste formuleringen daarvan, door onder meer Epicurus, de aanhangers van het nuttigheidsbeginsel beschimpen. Anti-utilisten vinden de veronderstelling dat het leven geen hoger doel heeft dan genot armoedig en verachtelijk, ‘als een doctrine die alleen zwijnen past’. Maar dan vergissen zij zich deerlijk in de term ‘genot’ of ‘genoegen’. En juist zij stellen de menselijke natuur in een vernederend licht, want mensen ‘hebben vermogens die verheven zijn boven de dierlijke begeertes, en wanneer zij zich daar eenmaal bewust van zijn, beschouwen ze iets niet als geluk als dat die vermogens geen voldoening geeft’. Daarbij denkt Mill aan de genoegens van het verstand, de gevoelens en de verbeelding én aan morele gevoelens. ‘En als de dwaas, of het varken, er anders over denkt, komt dat omdat zij alleen hun eigen kant van de kwestie kennen. De andere partij in de vergelijking kent beide kanten.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Beleef heden de vraag.

Rainer Maria Rilke in Brieven aan een jonge dichter

Volgens Sigmund Freud stond de dichter Rainer Maria Rilke ‘nogal hulpeloos’ in het leven. Gelukkig was hij intens bevriend met Lou Salomé, voor wie ook Friedrich Nietzsche ooit een grote (onbeantwoorde) liefde koesterde. Zij was Rilkes muze én zorgzame moeder, volgens Freud. Hoewel Rilke in zijn denken overeenkomsten vertoonde met Schopenhauer en Nietzsche, wist hij de dingen niet zo zeker als die twee polemische filosofen.

‘Wees geduldig jegens alles wat nog onduidelijk is in je hart / en probeer van de vragen zelf te genieten. // Zoek heden niet naar de antwoorden, / die kunnen je niet gegeven worden, / want je zou niet in staat zijn ze te beleven. / En je moet juist alles beleven. / Beleef heden de vraag.’

Probeer het eens, zou ik zeggen. Ja en nee heb je.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Het bitterste van alle lijden is de ontevredenheid met onszelf.

Arthur Schopenhauer in De kunst om gelukkig te zijn

Als het gaat om ons karakter vergelijkt Schopenhauer ons met gevangen olifanten. Ze gaan dagenlang tekeer, maar als ze eenmaal inzien dat dat vruchteloos is, bieden ze gelaten hun juk aan en zijn ze voor altijd getemd. Een van de leefregels die ons volgens Arthur Schopenhauer gelukkig maakt, is daarom het streven naar zelfkennis. Dat vereist dat we naast onze goede eigenschappen en sterke kanten ook onze gebreken en zwakheden leren kennen. Op basis daarvan kunnen we dan aan de ene kant onze doelen bepalen en aan de andere kant berusten in ‘het onbereikbare’. Want wie zich op die manier niet heeft verzoend met zijn karakterologische beperkingen lijdt het bitterst.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

We zijn allemaal hetzelfde, dat wil zeggen: mens, maar op zodanige wijze dat niemand ooit dezelfde is als iemand anders die ooit geleefd heeft, nu leeft of ooit zal leven.

Hannah Arendt in The Human Condition (1958)

Omdat we allemaal hetzelfde zijn in het feit dat we uniek zijn, zo vindt de Duits-Amerikaanse filosofie Hannah Arendt (1906-1975), is pluraliteit een van de twee voorwaarden voor het menselijk handelen. Dat betekent dat we moeten proberen alleen intersubjectieve en representatieve oordelen te vormen, dat wil zeggen: opvattingen waarvan het de bedoeling is dat ze gedeeld kunnen worden door anderen en waarin de meningen van anderen zijn verwerkt.

De andere voorwaarde is vrijheid. De vrijheid betekent dat we als het ware telkens opnieuw worden geboren: ‘Met woord en daad treden wij de wereld binnen en dit binnentreden is als een tweede geboorte, waarmee we het naakte feit van onze oorspronkelijke fysieke verschijning bevestigen en er de consequenties van aanvaarden.’

En elke keer wanneer we echt handelen, dat wil zeggen: ervoor kiezen om iets nieuws of anders te doen en dat ook daadwerkelijk te doen, worden we opnieuw geboren. Arendt heeft dan ook ooit overwogen om haar boek Amor mundi (liefde voor de wereld) te noemen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een zelf is datgene waarnaar in de wereld het minste vraag is. En het is juist het allergevaarlijkste dat je laat merken dat je het hebt.

Søren Kierkegaard in De ziekte tot de dood (Anti-Climacus) (1849, 2018)

De ziekte die ‘tot de dood’ lijdt is volgens de Deense filosoof Søren Aabye Kierkegaard (1813–1855) de vertwijfeling. Die laatste kent vele gedaantes, maar allemaal hebben ze betrekking op onze verhouding tot ons zelf (dat zelf een verhouding is die zich tot zichzelf verhoudt, maar dat voert hier te ver …). Volgens Kierkegaard is de mens een synthese van eindigheid en oneindigheid, vrijheid en noodzaak, het tijdelijke en het eeuwige. Als een daarvan de overhand krijgt, raakt de mens vertwijfeld, omdat hij dan niet zichzelf kan zijn. Zo kan een concreet mens alleen in zijn fantasie ‘oneindig’ worden, zonder zich nog iets aan zijn eindigheid gelegen te laten liggen. Zo iemand verkeert in een soort permanente, al dan niet vrome, zelfloze roes, ook al leeft hij soms gewoon verder en trouwt hij en heeft hij een positie van aanzien. Het citaat op de voorkant gaat verder: ‘Het grootste gevaar, namelijk zichzelf te verliezen, kan in de wereld zo stil verlopen als was het niets. (…) Elk ander verlies, een arm, een been, vijf rijksdaalders, een echtgenote, etc., wordt wel opgemerkt.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zuiverheid van hart is: één ding te willen.

Søren Kierkegaard in Onverdeeld één ding te willen (1847, 2010)

In zijn ‘opbouwende toespraak’ Onverdeeld één ding te willen onderzoekt de Deense filosoof Søren Aabye Kierkegaard (1813–1855) wat het betekent om één ding te willen. Om te beginnen legt hij uit dat het voor een mens alleen mogelijk is om één ding te willen als hij het goede wil. Ga maar na welk ander ding het zou kunnen zijn wat je onverdeeld zou kunnen of willen willen. Vervolgens stelt Kierkegaard dat je ‘om werkelijk en waarachtig één ding te willen’ waarachtig het goede moet willen. En daartoe moet je eerst voor jezelf besluiten om van alle ‘verdeeldheid’ af te zien. Want als je het goede wilt om wat je dat misschien oplevert, of uit vrees voor straf, of als je het goede alleen maar tot op zekere hoogte wilt, dan ben je ‘verdeeld’. Ten slotte stelt Kierkegaarde nog vast dat je om waarachtig het goede te willen daar alles voor moet doen of voor moet willen lijden. Maar ‘in het drukke leven, in handel en wandel, van de ochtend tot de avond, luistert het niet zo nauw of iemand helemaal het goede wil. Als hij maar volop in de weer is …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Van alle aanwijzingen is geen enkele zekerder of edeler dan degene die aan de resultaten is ontleend.

Francis Bacon in Novum Organum I.73 (1620)

De Engelse filosoof en staatsman Francis Bacon, 1e Burggraaf van St. Albans (1561–1626), geldt als de vader van de ‘wetenschappelijke methode’. Als begin van de wetenschappelijke revolutie wordt vaak het jaar 1543 genomen, waarin onder meer Copernicus’ De revolutionibus orbium coelestium (over de bewegingen van de hemelsferen) werd gepubliceerd.

Voor Bacon betekende dit dat alle wetenschap van daarvoor, die nog samenviel met de filosofie en van speculatieve aard was, een afkeurenswaardige poging was om te ontsnappen aan het arbeidsintensieve werk van het empirische (op waarneming berustende) detailonderzoek van hoe de dingen werkelijk functioneren. Filosofen noemden voorheen die theorieën ‘waarheid’ waar ze ‘voldoening’ uithaalden. Bacon vond dat alleen waar was wat ‘werkzaam’ was. Daarmee werd technologische vooruitgang het criterium voor ware kennis: ‘resultaten en werken zijn de ware beschermheren en garanties voor de waarheid van filosofieën.’ Overigens betekende dat niet dat hij er een volkomen naturalistisch wereldbeeld op na hield. Integendeel: ‘We willen alle dingen hebben zoals het onze dwaasheid schikt, niet zoals het de Goddelijke Wijsheid past (…) We drukken het stempel van ons beeld op de schepselen van God, we zoeken niet vol ijver naar het stempel van God op de dingen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Bestendigheid is zelf niets anders dan een trager dansen.

Montaigne in Essais (III.2)

Volgens de Franse denker en politicus Michel Eyquem de Montaigne (1533–1592) is er geen enkel bestendig bestaan. Dat geldt zowel voor de objecten om ons heen als voor ons eigen leven. Wij en onze oordelen ‘deinen en stromen onophoudelijk’, net als alle vergankelijke dingen. Wij kunnen geen contact maken met het eeuwige zijn, omdat we ons altijd bevinden tussen geboren worden en sterven. Als je probeert met je denken grip te krijgen op het wezen van dat zijn is dat net zoiets als water willen vastgrijpen. ‘De gehele wereld is in beweging. Alle dingen daarin dansen zonder onderbreking heen en weer: de aarde, de rotsen van de Kaukasus en de piramides van Egypte.’ Dat we soms de illusie hebben dat dingen een zekere duurzaamheid hebben, komt dat omdat hun dans te traag voor ons is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wanneer je religie ziet als iets levends … dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels.

Frans Kellendonk in zijn dagboek, 30 mei 1986 (verschenen in De Revisor)

Tegenwoordig wordt Mystiek lichaam van Frans Kellendonk beschouwd als een hoogtepunt in de naoorlogse literatuur, maar na het verschijnen was de ‘bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers … ongelooflijk’. In Vrij Nederland, de Volkskrant, NRC Handelsblad verschenen beschuldigingen van antisemitisme en homohaat. En zelfs Koot en Bie lieten zich horen. Dat Kellendonk zich verdedigde in een interview in Vrij Nederland werd als een teken van zwakte opgevat.

In zijn dagboek verzucht Kellendonk dat hij blijkbaar een aantal kwesties heeft aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. In de Nederlandse literatuur was men gewend aan ‘afrekeningen’ met het godsdienstige verleden van schrijvers als Maarten ’t Hart, Jan Wolkers en Maarten Biesheuvel. Maar nu was er een schrijver die het had over religie als ‘iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten’. ‘Blijf van mijn lijf’, roept Kellendonk uit.

Uiteindelijk kreeg hij voor het boek de Ferdinand Bordewijk Prijs en werd hij genomineerd voor de AKO Literatuurprijs, maar door de ‘hevige beroering’ was Kellendonks gemoed wel ‘wat wankel geworden’. Enkele jaren later overleed hij, net 39 geworden, aan aids.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De aanhanger van het utilitarisme leeft binnen een morele horizon die niet door zijn eigen morele theorie kan worden verklaard.

Charles Taylor in Bronnen van het zelf (1989, 2007)

Een utilitarist hangt de theorie aan dat nuttigheid het eni­ge richt­snoer moet zijn voor het morele en po­li­tieke han­de­len. Het doel van dat handelen is ‘het grootst mo­ge­lijke ge­luk voor het grootst mo­ge­lijke aan­tal men­sen’. Hij meent de traditionele referentiekaders van de klassieke deugdzaamheid of de christelijke vroomheid niet nodig te hebben, omdat hij zich louter ‘rationeel’ hoeft te beraden op wat geluk is. Maar volgens de Canadese filosoof Charles Taylor (geb. 1931) heeft de utilitarist wel degelijk een referentiekader en wel in zijn toewijding aan rationaliteit en menslievendheid. ‘Hij bewondert mensen die dit ideaal in de praktijk brengen, veroordeelt degenen die daar niet in slagen of die al te zeer in verwarring verkeren om het te kunnen aanvaarden, en voelt zich niet goed als hij er zelf niet aan beantwoordt.’ Het is de vanzelfsprekendheid van het utilitarisme in onze cultuur die de utilitarist (en ons) de illusie geeft dat hij daar geen referentiekader voor nodig heeft, terwijl hij dat in feite praktiseert.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is voldoende de hartstochten aan de rede te onderwerpen, en zodra ze aldus zijn beteugeld, zijn ze soms precies even nuttig als in de mate waarin ze naar het extreme neigen.

René Descartes in een brief aan Elisabeth, 18 mei 1645

Anders dan de stoïcijnen is het volgens René Descartes (1596–1650) niet nodig om ons van de hartstochten te ontdoen. Het zijn volgens hem vaak de ‘grote geesten’, wier denkvermogen zo sterk en krachtig is dat ze de hartstochten, waardoor ze vaak ‘sterker dan gewoonlijk worden overweldigd’, toch weten te overheersen. Overigens moeten we ons dan wel eerst ‘zonder hartstocht’ door de rede laten leiden bij het onderzoeken van ‘de waarde van alle volmaaktheden van geest en lichaam’. Zo kunnen we altijd het beste kiezen, want dan blijkt vaak dat we ons bepaalde volmaaktheden moeten ontzeggen om over andere te kunnen beschikken. Maar als we onze prioriteiten eenmaal op orde hebben, kunnen we de hartstochten benutten om ze ons aan de teugels van de rede des te sneller naar het goede te leiden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een echt huwelijk, dat is een groot kunststuk. Maar ’t mislukt meestal.

Frederik van Eeden in Van de koele meren des doods (1900)

Omdat hij zelf op relationeel gebied nogal wat problemen had, besloot Frederik van Eeden (1860–1932) een roman over het huwelijk en de vrouw te schrijven. Dat werd Van de koele meren des doods (1900). Een van de personages lijkt daarin Van Eedens eigen opvattingen over het huwelijk te debiteren. Want ’t luistert nou, vindt Van Eeden, ‘er moet gloeiing, gisting bij de één, en gloeiing, gisting bij de ander’ zijn, ‘en dat tegelijk en dan voor goed’. Als die gloeiing en gisting er bij beide zijn, en goed zijn, en dat gebeurt niet vaak, dan is er binding, en daar komt ’t op aan. Dan heeft Van Eeden ten slotte nog een sombere boodschap voor wie ooit zijn grote liefde is verloren. ‘Je krijgt het niet tweemaal gloeiend in één leven, en wat ééns is afgebroken, welt nooit weer goed aaneen, ook niet meer aan anderen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De vrije mens denkt aan niets minder dan aan de dood; zijn wijsheid bestaat niet in overdenking van de dood, maar van het leven.

Spinoza in Ethica (IV, stelling 67)

Volgens Spinoza draait het voor de enkeling en de staat maar om één ding: je bevrijden van de slavernij der emoties om tot inzicht in de vrijheid te komen. Als wij erin slagen om de slechte passies, zoals haat, zelfoverschatting én zelfonderschatting, lust, schuldgevoelens en zelfverwijt, van ons af te schudden, worden we zowel lichamelijk als geestelijk gezonder. Volgens Theun de Vries (Spinoza – Biografie, 1991) vallen deugd, levenswil en sociaal bewustzijn bij Spinoza samen in het begrip ‘vrijheid’. Niet als ‘vrije wil’ om te doen waar je zin in hebt, maar in ‘zelfherkenning’ in de noodzakelijkheid: ‘Datgene zal vrij heten, wat alleen uit noodzakelijkheid van zijn eigen natuur bestaat …’ Hoop en vrees spelen dan geen rol meer, ook niet de vrees voor de dood. En als je vervolgens probeert wijzer te worden door het leven te overdenken, kom je wat Spinoza betreft uit op het adagium: bene agere et laeteri (goed te doen en blij te zijn).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Snelheid is de oorlog in pure toestand.

Paul Virilio, geciteerd door Peter Timmerman in Denkers van nu (2005)

De jonge Paul Virilio maakt in de Tweede Oorlog kennis met de verschrikkingen van de oorlog als Nantes, waar zijn ouders vanuit Parijs naartoe zijn gevlucht, onder geallieerd vuur komt te liggen. Om die ervaringen te verwerken begint hij te schrijven. Na de oorlog leert hij glas-in-loodramen maken en gaat hij schilderen, wat hem in kunstkringen doet verkeren. Later volgt hij colleges filosofie bij fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty.

Zelf ontwikkelt hij vervolgens een fenomenologie van de snelheid, die hij ‘dromoscopie’ noemt. Hij ziet de moderniteit als één groot snelheidsproject. Voor moderne mensen is vooruitgang hetzelfde als snelheid en versnelling. Op basis van die gedachte ‘herschrijft’ hij de geschiedenis. Voor hem staat snelheid voor geweld en verlies. In een trein verandert het landschap in filmische flarden. Maar hij meent vooral dat snelheid verband houdt met machtsuitoefening en oorlog. Ook in onze ‘vreedzame’ tijd is de macht in handen van degenen die het snelst over relevante informatie beschikt. Je kunt denken aan de ‘flitshandel’ met aandelen, waarbij fracties van centen worden verdiend met koersverschillen die alleen worden waargenomen door degenen met de snelste computerverbindingen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het diepste geluk ligt misschien uiteindelijk wel in de illusie dat je niet naar geluk streeft.

Hjalmar Söderberg in Dokter Glas (1905)

In Zweden wordt Hjalmar Emil Frederik Söderberg (1869-1941) beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van rond 1900. Een van zijn in het Nederlands vertaalde boeken, Dokter Glas, is volgens Maarten ’t Hart ‘een van de volmaaktste romans over moord en liefde’. In dit als dagboek vormgegeven verhaal vertelt een arts over zijn aarzelingen om een patiënte, op wie hij in stilte verliefd is, te helpen door haar van haar lompe echtgenoot te verlossen.

Op een zomeravond zit hij met twee kennissen te filosoferen over het leven. Plotseling vraagt een van hen aan dokter Glas: ‘Zeg vertel eens, streef jij naar geluk?’ Glas vermoedt van wel, want hij kent geen andere definitie van geluk dan dat dat ‘de samenvatting is van wat ieder voor zich nastrevenswaardig vindt’. Dat herinnert zijn vriend eraan dat ‘alle filosofie uitsluitend leeft van dubbelzinnigheden van de taal’. Want er zijn natuurlijk mensen die zeggen dat ze in hun leven niet naar geluk streven, maar naar ‘verlossing’ of ‘de vruchten van hun arbeid’. Daarmee bedriegen zij zichzelf met woorden, vindt hij, maar misschien is dat wel nodig om gelukkig te zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het leven is te kort om slechte koffie te drinken.

Wilhelm Schmid in Gelatenheid – Wat we winnen wanneer we ouder worden (2014, 2015)

Wie ouder wordt, kan zich hopeloos ergeren aan de eigen vergeetachtigheid of de onmisbaarheid van een leesbril. Die ergernis kan vervolgens omslaan in wanhopige vragen als: hoeveel jaren heb ik nog? De Duitse levenskunstfilosoof Wilhelm Schmid (geb. 1953) stelt daar de gelatenheid tegenover, een houding die het ouder worden draaglijker moet maken. In een klein boekje over dit thema doet hij een poging om de ‘tien stappen naar de gelatenheid’ te destilleren uit zijn eigen waarnemingen, ervaringen en overwegingen.

De vierde stap is ‘het beleven van genoegens en geluk’, en daar is het citaat uit afkomstig. Op gevorderde leeftijd kunnen met name de ‘bescheiden genoegens’ compensatie zijn voor eventuele ongemakken die met deze levensfase gepaard gaan, zoals ‘van een espresso nippen die lichaam en ziel verwarmt en de geest vleugels geeft’. Misschien moet je er niet te veel van drinken, maar gelatenheid wil zeggen dat je ‘zo’n genieting door je heen laat stromen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De existentiële situatie waarin iemand verdoemenis vreest, verschilt volkomen van de situatie waarin iemand boven alles bang is voor zinloosheid.

Charles Taylor in Bronnen van het zelf (1989, 2007)

Lang geleden stond de zin van het individuele leven niet ter discussie. De mens was door God geschapen. Iemand als Luther leed onder veel angst voordat hij inzag dat er verlossing door het geloof mogelijk was, maar de zin van zijn eigen leven was ‘onbetwistbaar’. Charles Taylor zet dat tegenover het grote moderne probleem van de betekenis van het bestaan. Volgens hem zie je dat verschil ook terug in de psychopathologieën van die verschillende tijdperken. In de begintijd van de psychoanalyse leden velen aan hysterie en fobieën, maar nu draaien de belangrijkste klachten om ‘egoverlies’, een gevoel van leegte, verlies van het gevoel van eigenwaarde en een gebrek aan doelgerichtheid.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Laat mij ’m op zijn bek slaan, de eerstvolgende die zegt: alles gebeurt met een reden.

Emily McDowell, ‘empathy card’ (https://emilymcdowell.com/collections/empathy-cards)

Hoewel haar omgeving denkt dat ze de ‘achterlijke religie’ achter zich hebben gelaten, ontdekt Emily McDowell dat dat helemaal niet zo is. Als zij 24 jaar is, krijgt ze kanker en ligt maanden in het ziekenhuis, waarin ze talloze ‘goedbedoelde’ kaarten kreeg van familie en vrienden. De meeste vond ze volstrekt misplaatst. Ze beseft dat mensen geen idee hebben wat ze moeten zeggen tegen iemand die pijn heeft en misschien wel gaat sterven. Behalve ‘alles gebeurt met een reden’ kreeg ze ook kaarten met ‘je bent nu in Gods handen’, of dat citaat van Nietzsche: ‘Alles wat mij niet doodt, maakt mij sterker.’

Na haar genezing besloot ze andere kaarten te gaan maken om aan ernstig zieke of terminale mensen te sturen. Ze noemt ze ‘empathiekaarten’, met teksten als: ‘Als dit Gods plan is, dan is God een beroerde planner.’ En: ‘Laten we samen een medicijn zoeken tegen de zin: Alles wat mij niet doodt, maakt mij sterker.’ Misschien nog wel de meest empathische van allemaal is: ‘Hier is geen goede kaart voor. Het spijt me heel erg.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

We leven in een tijd die zichzelf ziet als overtuigingsloos.

Gerko Tempelman in Ongeneeslijk religieus (2018)

De ondertitel van het boek van filosoof en theoloog Gerko Tempelman is lastig weer te geven, omdat hij hierin een grapje uithaalt wat postmodernisten wel vaker doen: de doorhaling. In het lettertype van de rest van de omslag staat er: ‘Hoe God verdween uit onze wereld en waarom steeds meer filosofen zeggen dat-ie terug is.’ Vervolgens is ‘onze wereld’ als het ware met potlood doorgestreept en staat daarboven: ‘mijn leven.’ En beide lezingen dekken de lading. Het is een zeer persoonlijk verslag van zijn gelovige jeugd, zijn twijfels, maar ook zijn lezing van postmoderne denkers als Derrida en Caputo, die hij aardig toegankelijk weet te maken.

Het citaat is afkomstig uit een bespreking van de ideeën van Slavoj Žižek. Deze meent dat mensen tegenwoordig niet verlichter zijn dan vroeger, maar juist meer dan ooit blind zijn voor hun eigen overtuigingen, juist omdat ze menen ‘overtuigingsloos’ te zijn. Veel mensen zeggen nergens in te geloven, maar uit hun handelen blijkt onvermijdelijk het tegendeel. Daar blijkt dat we nog altijd door en door ideologisch zijn, onder meer in ons geloof in de vrije markt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat geldt voor een toneelstuk, geldt ook voor het leven: het gaat er niet om hoe lang het duurt, maar hoe goed de opvoering is.

Seneca in De goede dood, geciteerd in Marja Havermans in Sterven als een stoïcijn – Filosofie bij ziekte en dood (2019)

In 2016 krijgen filosofe Marja Havermans en haar man Paul te horen dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft. Over wat dat voor hen beiden betekent, schrijft zij na zijn dood het aangrijpende boek Sterven als een stoïcijn. Behalve een liefdevol verslag van de laatste maanden van haar echtgenoot laat het ook zien hoe zij beiden (tot op zekere hoogte) baat hebben bij de stoïcijnse filosofie.

Een van hun leidsmannen is de Romeinse filosoof Lucius Annaeus Seneca (± 4 v. Chr.–65 n. Chr.). Het citaat dat zij als motto voor haar boek koos, gaat nog verder: ‘Het maakt niets uit op welk punt je stopt. Stop waar je wilt, zorg alleen voor een goede slotscène.’ Dat betekent voor Paul dat hij ervoor kiest om toch pijnlijke behandelingen te ondergaan, hoewel de kans op herstel klein is. Die verlenging van zijn leven betekent veel voor hem en zijn gezin. Dat neemt niet weg dat die laatste maanden ook een oefening zijn in sterven. Havermans krijgt een hart onder de riem van Seneca: ‘Prijs de man, spiegel je aan de man die niet met tegenzin sterft terwijl hij intussen wel graag leeft.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De halve waarheid is vaak een grote leugen.

Benjamin Franklin in Poor Richard’s Almanack (1732–1758)

Benjamin Franklin (1706–1790) is vooral bekend als een van de opstellers van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) en de Amerikaanse grondwet, waardoor hij wordt beschouwd als een van Founding Fathers van het land. Zijn beeltenis siert het biljet van honderd dollar.

Franklin, zoon van een kaarsenmaker, was zelf in eerste instantie boekdrukker, maar richtte vervolgens een nieuwsblad op waarvan hij hoofdredacteur werd. Jarenlang publiceerde hij onder het pseudoniem Richard Saunders een humoristische almanak, waaruit het citaat afkomstig is. Daarin heeft Franklin het meer dan eens over de waarheid. Enkele voorbeelden:

– ‘Een leugen staat op één been, de waarheid op twee.’

– ‘Wat je raakt in een verwijt is de waarheid ervan.’

– ‘Als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan.’

Zo kennen we althans die laatste uitspraak in het Nederlands. Franklin zei het natuurlijk anders: ‘When the wine enters, out goes the truth.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Denkers

Thema's