Gedachten

Dat wat wordt gebruikt om al het andere te bewijzen, kan zelf niet bewezen worden.

Jeremy Bentham in ‘Een inleiding tot de beginselen van moraliteit en wetgeving’, in Utilisme (1789, 2020)

Het nuttigheidsbeginsel beoordeelt handelingen naar gelang die het geluk van betrokkenen vermeerderen of verminderen. Volgens Bentham is de juistheid van dit principe eigenlijk alleen betwist door mensen die het niet begrepen. Sterker nog, er kan eigenlijk geen bewijs voor bestaan, want het wordt zelf gebruikt om al het andere te bewijzen. ‘Een keten van bewijzen moet ergens een begin hebben.’ Volgens hem hanteren de meeste mensen dit principe overigens van nature bij de meeste gebeurtenissen in hun leven, zonder erbij na te denken. Toch hebben diezelfde mensen de juistheid van het nuttigheidsbeginsel bestreden. Consistentie is ‘de zeldzaamste van alle menselijke eigenschappen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Utilisme kan haar doel alleen bereiken door de algemene bevordering van edelmoedigheid van karakter.

John Stuart Mill in Utilisme (2020)

De utilistische maatstaf voor de moraal is niet het grootste geluk voor de handelende persoon zelf, maar ‘de grootste hoeveelheid geluk in totaal’. Dat betekent volgens Mill dat iemand met een edelmoedig karakter misschien zelf niet gelukkig is, wellicht juist omdat hij lijdt onder het feit dat er maar zo weinig mensen zijn zoals hij. Er kan echter geen twijfel over bestaan dat zo iemand andere mensen gelukkig maakt en dat de wereld in het algemeen onmetelijk veel profijt van diens edelmoedigheid heeft. Volgens het principe van utilisme moeten we dus in opvoeding en onderwijs de edelmoedigheid van karakter bevorderen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De paar minuten die je in het stemhokje doorbrengt, kunnen wel eens de effectiefste minuten zijn van de volgende paar jaren.

Stijn Bruers in Beter worden in goed doen – Vergroot je impact met effectief altruïsme (2018)

Wie goeddoen goed wil doen, moet zijn oor te luister leggen bij de ‘effectief altruïsten’. Als je de wereld wilt verbeteren kun je natuurlijk denken aan donaties aan goede doelen, maar kies dan een doel dat de beste ‘prijs-kwaliteitverhouding’ heeft, net als wanneer je een wasmachine koopt. Je kunt overigens ook je tijd inzetten. En ook dan probeert de effectief altruïst te bepalen waar je het best in kunt investeren. Het lijkt niet veel, die ene stem naast de miljoenen andere, maar het kost ook maar heel weinig tijd om daarmee het beleid van een land, provincie of gemeente te beïnvloeden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wanneer het tapijt onder je voeten wordt weggetrokken, begrijp je meteen dat je je bezig moet gaan houden met de vloer …

Bruno Latour in Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het Nieuwe Klimaatregime (2017, 2018)

Volgens Latour gaap je van verveling als je wordt gevraagd op te komen voor de natuur, maar ben je meteen klaarwakker als je je territorium moet verdedigen. ‘Oog in oog met Gaia’ beseffen we dat natuur territorium geworden is: niet langer iets wat buiten ons staat, maar iets waar we zelf deel van uitmaken. En dat is iets wat ‘veel vitaler, veel existentiëler – en ook veel begrijpelijker, want veel directer is’. Omdat de volken die door de moderniserende westerlingen werden gekoloniseerd noodgedwongen experts zijn geworden in hoe je ‘verovering, uitroeiing en inbezitneming van land overleeft’, kunnen we juist van hen veel leren.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het lot leidt de gewillige, de onwillige sleept het mee.

Voltaire in Le philosophe ignorant (1766)

In zijn Traité de métaphysique van ruim dertig jaar eerder had de verlichtingsdenker Voltaire de wilsvrijheid verdedigd, maar op gevorderde leeftijd was hij overtuigd geraakt van de noodzakelijkheid van wilsuitingen. Hij noemt zichzelf een ‘dwaas’ en voelt zich gedwongen zich gewonnen te geven. Is het immers niet zo dat Archimedes evenzeer wordt genoodzaakt in zijn kamer te blijven wanneer men hem opsluit, als wanneer hij zozeer in een probleem verdiept is dat het niet in hem opkomt om uit te gaan? In beide gevallen is hij overgeleverd aan een wil: in het eerste die van een ander, in het tweede zijn eigen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Veel woorden voor iets nodig hebben betekent meestal dat je er als mens maar weinig van begrijpt.

Augustinus in Belijdenissen (378-379 n.Chr., 2009)

In zijn ‘autobiografie’ dankt Augustinus de Heer dat de woorden van Zijn Heilige Schrift hebben ‘aangeklopt bij zijn hart’. Hoewel de Bijbel bepaald geen dun boek is, stelt Augustinus dat het zoeken meer woorden nodig heeft dan het vinden, het vragen langer van stof is dan het verkrijgen en een hand drukker in de weer is als ze aanklopt dan wanneer ze ontvangt. En hij leest nu de belofte dat wie vraagt zal krijgen, wie zoekt zal vinden en dat er wordt opengedaan voor wie aanklopt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Al bestond God wel, daar zou niets mee veranderen.

Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1965)

In het boekje waarin hij het existentialisme een humanisme noemt, stelt Sartre (1905-1980) dat het slechts een poging is ‘om uit een steekhoudend atheïsme alle consequenties te trekken’. De existentialisten maken zich niet druk om het vinden van bewijzen dat God niet bestaat, want zijn al dan niet bestaan is het probleem niet. ‘De mens dient zichzelf te hervinden en zich te realiseren dat niets hem van zichzelf kan redden.’ Christenen die het existentialisme een uiting van ‘wanhoop’ noemen, zijn onwaarachtig, want het is een optimisme, ‘een leer van de actie’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Omdat we dagelijks stom met elkaar gewerkt hebben, daarom kunnen we nu een gemeenschap vormen en beginnen met elkaar te praten.

Eugen Rosenstock-Huessy, geciteerd in Ko Vos – Eugen Rosenstock-Huessy. Een kleine biografie (1993)

De Duitse filosoof, jurist en socioloog Rosenstock-Huessy (1888-1973) was in de Eerste Wereldoorlog officier aan het front. Daar ontdekte hij dat het moreel van de troepen op peil kon worden gebracht door ze samen te laten werken. Na de oorlog pleitte hij daarom voor werkkampen in plaats van vakantiekampen, want voor handhaving van de vrede was een werkelijk ‘tijdsoffer’ nodig. Hij deed hiermee experimenten in Silezië, waaraan boeren, arbeiders én studenten, en mensen met uiteenlopende godsdienstige en etnische achtergronden deelnamen. Biografe Ko Vos parafraseert zijn overtuiging: ‘Pas wie met de ander gezwoegd en gezweet heeft, kan met hem praten.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

We leren wie we geacht worden te zijn om te worden geaccepteerd als lerenden.

Francisco Varela in Ethical Know-How: Action, Wisdom and Cognition (1999)

De Chileense bioloog en cognitiewetenschapper Varela (1946–2001) meent een radicale paradigmaverandering te zien in het denken over ethiek, namelijk van abstracte analyse van de rechtvaardiging van wilsbesluiten, naar belichaamde ‘knowhow’ in concrete situaties. Deze expertise hebben we veel vaker nodig dan expliciete ethische overwegingen. Ons ethische gedrag leren we vrijwel op dezelfde manier als we ander gedrag leren, namelijk door circulaire socialisatie: als we ons goed gedragen mogen we meedoen in de samenleving en leren we hoe we goed moeten zijn. ‘Een ethische expert is niets meer of minder dan iemand die volledig deelneemt aan een gemeenschap.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Vóór het ego cogito is er een ego conquiro: ‘Ik verover’ is de praktische fundering van ‘Ik denk’.

Enrique Dussel, geciteerd in Ubuntu – Stroom van het bestaan als levensfilosofie van Mogobe Rasmose (2017)

De Argentijns-Mexicaanse geleerde Enrique Domingo Dussel Ambrosini (1934) is een van de belangrijkste zogenaamde bevrijdingsfilosofen. In het citaat drukt hij, met instemming van de Afrikaanse denker Rasmose, de overtuiging uit dat het kolonialisme niet alleen allerlei maatschappelijke aspecten heeft, maar ook filosofische. Volgens hem gaat er nog iets vooraf aan het fundament van de moderne filosofie van Descartes (‘ik denk, dus ik ben’). De westerse filosofie ‘situeerde alle mensen en alle culturen … binnen haar eigen grenzen als manipuleerbare gereedschappen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Taal is geen gevangenis; het is een vorm van bestaan.

Humberto R. Maturana in gesprek met Bernhard Poerksen in From being to doing – The origins of the biology of cognition (2004)

Volgens bioloog Maturana (1928-2021) is taal een manier van (samen) leven. Er wordt wel gezegd dat taal een ‘gevangenis’ is waar we niet uit kunnen ‘ontsnappen’, maar dat suggereert dat er een andere plaats bestaat, een plaats voorbij de taal, ook al kan die nooit gevonden worden. Maturana vindt dat een zinloze aanname. Dat geldt ook voor de vergelijkbare gedachte dat er iets buiten het universum zou bestaan. ‘Het universum is waar ik ook maar naartoe ga. En wij bewegen ons daarin onlosmakelijk verbonden met elkaar.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Niemand geeft aan anderen zijn geld weg, iedereen doet dat wel met zijn tijd en zijn leven.

Montaigne, geciteerd in Levenskunst à la Montaigne van Ronald Wolbink (2016)

Volgens Montaigne (1533–1592) ligt er bij jezelf ‘werk genoeg’, dus je moet dat niet elders zoeken. Hij zet vraagtekens bij het gemak waarmee wij ons inzetten voor iemand anders, zoals in ons werk. Veel regels en voorschriften in de maatschappij ‘verdrijven ons uit onszelf en jagen ons voor het nut van het algemeen de marktplaats op’. Mensen laten zich ‘inhuren’ en gebruiken hun talenten voor degenen aan wie zij zich ‘onderwerpen’. ‘Het zijn hun huurders die in hen huizen, niet zijzelf.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zonder natuurwetenschap is het niet mogelijk om puur te genieten.

Epicurus in Over de natuur en het geluk (2011)

We zouden de natuurwetenschap volgens Epicurus (341 v.Chr.–270 v.Chr.) niet nodig hebben als wij niet werden geplaagd door angst voor de hemellichamen en de dood. Ook ons gebrek aan inzicht in de grenzen van pijn en ons verlangen brengt ons ertoe meer onderzoek te doen. Onze wezenlijkste angsten kun je alleen wegnemen als je weet wat de aard van het heelal is en niet langer bang opziet tegen wat de mythen zeggen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het avontuur van de afgelopen drie eeuwen kan worden samengevat in het … Grote Verhaal … van een dubbele verschuiving: van economie naar ecologie.

Bruno Latour in An inquiry into modes of existence (2013)

Zowel ‘economie’ als ‘ecologie’ stammen in het eerste lid af van het Griekse oikos, huishouden. In de loop van de afgelopen driehonderd jaar hebben we volgens Latour (1947-2022) de hele wereld gedwongen in De Economie te huizen, waarvan we nu weten dat die een onbewoonbare dystopie was, zoiets als ‘opium van het volk’ (zoals Marx de religie betitelde). Nu moeten we met ons oude meubilair plotseling verhuizen naar iets wat ‘ecologie’ heet, maar dat nog geen vorm of inhoud heeft. Het verbaast dan ook niet dat de moderne mens somber is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wie lange tijd een goede advocaat is geweest behoeft daarom nog niet een betere rechter te zijn.

René Descartes in Over de methode (1637, 1987)

Aan het slot van zijn betoog over de methode van het denken merkt Descartes (1596–1650) op dat hij nog bijna nooit een criticus is tegengekomen die zijn opvattingen strenger of rechtvaardiger beoordeelde dan hijzelf. Bezwaren die ertegen zijn denkbeelden werden opgeworpen had hij zelf vaak allang bedacht. Ook is hem opgevallen dat er in de debatten op de universiteiten nooit nieuwe waarheden worden ontdekt. Daar wil iedereen alleen maar winnen en komt het nooit tot het afwegen van argumenten. Daar vind je dus misschien wel goede ‘advocaten’ van opvattingen, maar nog niet een rechter die tot een wijs oordeel komt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er zijn sterke aanwijzingen dat onze hersenen een bureaucratisch orgaan zijn.

René ten Bos in Later word ik filosoof – Het denken van René ten Bos van Peter Henk Steenhuis (2017)

De aanwijzingen voor deze stelling ontleent René ten Bos (1959) onder meer aan de Deense filosoof Jakob Hohwy. Volgens de laatste proberen de hersenen al het onverwachte te negeren, en als dat niet lukt proberen ze de stimuli te duwen in de richting van herkenbare patronen. Een bureaucratie is volgens Ten Bos het ‘standaardiseren van antwoorden op vragen uit de samenleving’. Ook bureaucraten negeren het onverwachte en het afwijkende. ‘Maatwerk haal je maar bij de kleermaker.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wie verdwaald is, moet in de eerste plaats het feit accepteren dat hij verdwaald is.

John Huth, geparafraseerd in René ten Bos in Dwalen door het Antropoceen (2017)

In de ‘Aantekeningen en opmerkingen’ bij zijn boek over het Antropoceen, de nieuwe geologische tijd waarin de aarde verandert onder invloed van de mens, mijmert René ten Bos (1959) over het (ver)dwalen uit de titel. Als je verdwaald bent in een bos schijnt het in één rechte lijn blijven lopen niet de beste strategie te zijn (zoals Descartes dacht). ‘Rechte lijnen zijn iets voor landbouwers en stadsmensen, maar niets voor bosbewoners.’ Volgens Ten Bos (what’s in a name) is de beste manier om uit het bos te geraken, eerst maar eens te wennen aan het bos.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

… er bestaat geen zin voor iemand alleen.

Georges Bataille in De innerlijke ervaring (1943, vertaling 1989)

Als het gaat om de zin van het leven kun je volgens Bataille (1897–1962) niet alleen bij jezelf te rade gaan, maar heb je bijvoorbeeld ook vrienden nodig. Als je wilt dat het leven zin voor jou heeft, moet dat er een zijn die het ook voor de ander heeft. Als je tot het uiterste van het leven gaat, stuit je weliswaar op de on-zin, ‘maar slechts van datgene, wat tot op dat moment een zin had, want de smeekbede – die geboren wordt uit de afwezigheid van zin – legt definitief een zin vast, een laatste zin’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hemel en aarde bestaan en roepen luid dat ze geschapen zijn.

Augustinus in Belijdenissen

In zijn ‘autobiografie’ stelt kerkvader Augustinus (354-430) allerlei vragen aan zijn God, zoals hoe hemel en aarde gemaakt zijn, ‘en wat voor gereedschap had u ter beschikking voor zo’n grote onderneming?’ Dát hemel en aarde geschapen moeten zijn blijkt volgens hem uit het feit dat ze verandering en afwisseling kennen. Hemel en aarde roepen ook dat ze zichzelf niet gemaakt hebben. De stem die dat roept, is volgens Augustinus ‘de evidentie’, de niet-beredeneerde zekerheid dat het zo is. ‘U hebt ze gemaakt, Heer, en u bent mooi, want zij zijn mooi.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Kijk uit dat je niet verkeizert en verpurpert.

Marcus Aurelius in Tot mijzelf (6,30)

In 161 n. Chr. wordt Marcus Aurelius keizer van het Romeinse Rijk, en tot zijn dood in het jaar 180 schrijft hij tijdens zijn vele veldtochten een boek met ‘dingen die je tegen jezelf zegt’ (Ta heis heauton). In het citaat (vertaling Anton van Hooff) houdt de keizer-filosoof zichzelf voor dat je als machthebber maar al te gauw vergeet dat je eenvoudig, goed, zuiver, waardig, ongekunsteld, rechtvaardig, godvrezend, welwillend en liefdevol moet blijven. Hij wil vastbesloten zijn in het vervullen van zijn taak en de goden eerbiedigen en de mensen beschermen. Want het leven is kort.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Dit is je opdracht: de rol die je hebt gekregen goed spelen.

Epictetus in Encheiridion (handboekje)

Volgens de stoïcijnse filosoof Epictetus (ca. 50-130 n. Chr.) moet je je steeds bedenken dat je in je leven een toneelrol speelt in een stuk dat door iemand anders geschreven is. Die schrijver heeft bepaald of je een grote of een kleine rol hebt. Het enige wat jezelf kunt doen is die rol goed vervullen: wil hij dat je een bedelaar speelt, of een kreupele, een ambtsdrager of een gewone burger, dan moet je je best doen dat zo goed en natuurlijk mogelijk te doen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

We zijn in niemands macht, zolang de dood in onze macht ligt.

Seneca in Brieven 91,21

In zijn verhandeling over de woede zegt de Romeinse filosoof en staatsman Seneca (3 v.Chr.–65 n.Chr) dat je zelf een einde aan je ellende kunt maken als je bijvoorbeeld te maken krijgt met een ‘koning die met pijlen schiet op het hart van zijn vrienden’. Want overal waar je kijkt zie je de mogelijkheid van zelfdoding: je kunt je in een ravijn storten of laten verdrinken in de zee, een rivier of zelfs een put. Je kunt je verhangen aan ‘die korte, dorre, onvruchtbare boom’. ‘Vraag je wat de weg naar de vrijheid is? Elke ader in je lichaam.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Geluk is … iets volkomens dat op zichzelf bestaat: het is het doel van ons handelen.

Aristoteles in Ethica Nicomachea

Aristoteles (384–322 v.Chr) wil bepalen wat de aard van het goede is, want het lijkt in elke activiteit en vaardigheid iets anders te zijn: in de geneeskunde gezondheid, in de bouwkunst een huis enzovoort. Nu kun je onderscheid maken tussen zaken die ‘om zichzelf worden nagestreefd’ en die om iets anders worden nagestreefd. De eerste noemen we ‘meer volkomen’ dan de tweede. Volgens Aristoteles is geluk van dien aard dat het altijd omwille van zichzelf en nooit omwille van iets anders wordt gekozen. Zaken als inzicht en genot kiezen we weliswaar ook om zichzelf, maar ook in de overtuiging dat ze ons gelukkig zullen maken.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hij die niet zelf inziet en ook niet andermans woord ter harte neemt, dat is een waardeloos man.

Hesiodus

In onderzoek naar het goede waar de politiek zich op richt, namelijk wat edel en rechtvaardig is (jawel!), moet je volgens Aristoteles (384–322 v.Chr.) in zijn Ethica Nicomachea onder meer uitgaan van wat ons bekend is. Daartoe moet je eigenlijk al door je opvoeding bekend zijn met edele gewoonten. Wie echter niet beschikt over deze principes en ze ook niet kan verwerven, moet volgens hem maar luisteren naar Hesiodus. Die zegt dat ‘veruit de beste hij is die zelf alles inziet’, en iemand die naar goede raad wil horen deugt ook nog wel, maar wie het eerste niet kan en het tweede niet doet, is een ‘waardeloos’ man.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Alleen iemand die pijn heeft, voelt werkelijk niets anders dan zichzelf.

Hannah Arendt in The Human Condition (1958)

Volgens Hannah Arendt (1906–1975) is het principe van elk hedonisme niet het nastreven van genot maar het vermijden van pijn. Zij baseert zich onder meer op David Hume die stelt dat wie gezondheid wil, uiteindelijk moet toegeven dat hij dat wil omdat ziekte pijnlijk is. Als je nog verder doorvraagt, zul je merken dat iemand geen reden kan geven waarom hij een hekel heeft aan pijn. Bij genot gaat het niet om jezelf, maar om iets anders dan jezelf. Maar pijn is een innerlijk gevoel dat niet afhankelijk is van iets buiten jezelf en daarmee net zo zeker als logica of wiskunde.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hoewel de dood zelf ons kan vernietigen, kan het idéé van de dood ons redden.

Irvin D. Yalom in Dicht bij het einde, terug naar het begin – Memoires van een psychiater (2017)

Juist vanwege zijn eigen doodsangst houdt de existentiële psychotherapeut en romanschrijver Irvin D. Yalom (1931) zich veel bezig met onze sterfelijkheid. Hij begeleidde groepen terminale patiënten en schreef erover, onder meer in Tegen de zon inkijken. In zijn autobiografie noemt hij een oefening die hij vaak toepast om zijn patiënten te helpen hun leven te veranderen: zet een streep op papier, waarbij het begin staat voor je geboorte en het eind voor je dood. Zet een kruisje bij waar je nu bent, en sta daar uitgebreid bij stil. Het gaat erom op je sterfbed zo min mogelijk te hoeven betreuren.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een gesprek voeren vergt dat je kunt luisteren … niet alleen naar anderen, maar ook naar jezelf.

Jos Kessels in Het poëtisch argument – Socratische gesprekken over het goede leven (2006)

De grondlegger van de praktijk van het socratisch gesprek in Nederland, Jos Kessels (1948), is op zoek naar het punt in een dialoog waar ‘nieuw denken’ ontstaat. Daartoe moet je niet alleen naar je gespreksgenoten luisteren, maar ook naar je eigen gedachten en gevoelens die worden opgewekt door het gesprek. Want dat is nog geen ‘denken’: ‘gedachten zijn letterlijk oud denken, dingen die we ooit gedacht hebben.’ Het zijn een soort geheugenreflexen. Door ze uit te spreken kun je ze ‘afleggen’ en de vrije ruimte creëren waarin zich nieuwe inzichten kunnen aandienen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Met behulp van bezinning kan in plaats van een finale nervositeit ten slotte de finale ontspannenheid ontstaan.

Wilhelm Schmid in Gelatenheid (2014–2015)

In zijn tienstappenplan om op je oude dag tot een houding van gelatenheid te komen, is bezinning volgens Schmid (1953) de achtste en ‘beslissende’ stap. Natuurlijk gaat het daarbij om bezinning op je eigen leven, maar hij verwijst ook naar Democritus (ca. 460-370 v.Chr.), die ‘welgemoedheid’ (euthymia) ontleende aan zijn ideeën over de atomen, de kleinste deeltjes waarmee hij het wereldgebeuren meende te kunnen verklaren. Democritus beschouwde blijmoedigheid, met als basiskenmerk gevoel voor humor, als ‘het hoogste innerlijke goed’ en staat daarom bekend als ‘de lachende filosoof’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In een filosofisch gesprek wordt een opvatting niet verdedigd, maar onderzocht.

Kristof Van Rossem in Het filosofisch gesprek – de basis (2020)

In zijn boek over het filosofisch gesprek vergelijkt de Vlaamse filosoof Kristof Van Rossem het voeren van een filosofisch gesprek met de muziek van een zigeunerorkest. Om zo’n gesprek te voeren moeten de betrokkenen een zekere ‘emotionele afstand’ hebben tot het onderwerp, zodat ze het probleem van verschillende kanten kunnen bekijken. Het filosofisch gesprek onderscheidt zich dus nadrukkelijk van een discussie of een debat, waarin het gaat om het overtuigen van anderen. Daarom heb je in een filosofisch gesprek een ‘houding van beschikbaarheid’ om aandacht en tijd te hebben voor het onderzoeken van de vraag die aan de orde is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Vrije wil is het vermogen om omwille van redenen te handelen.

Lieke Asma in Mijn intenties en ik – Filosofie van de vrije wil (2021)

De Nederlandse filosofe Lieke Asma (1984) bekritiseert aan de hand van de Engelse analytische filosofe Elizabeth Anscombe de conclusies die getrokken worden uit neurologische onderzoeken dat de vrije wil een ‘illusie’ zou zijn. Juist omdat de vrije wil een ‘vermogen’ is, zullen we dat niet in de hersenen aantreffen. Weliswaar vereist dat vermogen dat we bepaalde fysieke en mentale eigenschappen hebben, maar net als de breekbaarheid van het glas is dat vermogen niet te reduceren tot die eigenschappen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Denkers

Thema's