Gedachten

Het tegendeel van een diepzinnige waarheid kan best een andere diepzinnige waarheid zijn.

Niels Bohr, geciteerd door Werner Heisenberg in Der Teil und das Ganze (1969)

De natuurkundigen Paul Dirac (1902-1984) en de Duitse fysicus Werner Heisenberg (1901–1976) discussiëren over de toekomst van hun vakgebied. Dirac denkt dat het arrogant is om te denken dat je meer dan één probleem tegelijk kunt oplossen in zoiets vreemds als de atoomfysica. Heisenberg meent echter dat je nooit één geïsoleerde moeilijkheid kunt overwinnen, maar er altijd meerdere tegelijk te lijf moet gaan. Dan moet hij echter denken hun collega Bohr die zei dat het tegenovergestelde van een juiste bewering een onjuiste bewering is, maar dat twee tegengestelde diepe inzichten best tegelijk waar kunnen zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Leid een grote staat zoals u een kleine vis zou bereiden.

Lao-tse in Tao Te King

Volgens de overlevering is Lao-tse of Laozi een van de grondleggers van het taoïsme. Teleurgesteld over het gebrek aan respons op zijn wijsheden, verliet hij China. Bij de grens haalde een poortwachter hem over zijn ideeën toch op te schrijven, en daarom is de Tao Te King of Dao De Jing overgeleverd. Hierin adviseert Lao-tse leiders om niet zozeer doortastend en besluitvaardig te zijn, maar om voorzichtigheid te betrachten en compassie te tonen als teken van kracht en niet van zwakte. ‘Een goede baas houdt zijn hoofd lager dan zijn werknemers.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wil je dit nog een keer en nog ontelbare keren?

Friedrich Nietzsche in Die fröhliche Wissenschaft (1882)

Nietzsche (1844–1900) stelt dit gedachte-experiment voor: wat als er een demon je ‘in je eenzaamste eenzaamheid’ vertelt dat je dit leven, met alle pijn en alle genot, en met alle ‘onzegbaar kleine en grote dingen’ precies zo nog een keer moet leiden, en nog een keer? Zou je dan tandenknarsend ter aarde storten en die demon vervloeken? Of zou het je ertoe aanzetten om te zorgen dat je naar niets meer hoeft te verlangen dan naar deze ‘laatste eeuwige bevestiging en bezegeling’? Deze vraag drukt volgens Nietzsche als ‘het grootste gewicht’ op al je handelen zodra je haar hebt gesteld.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zelfs de wijze zal pas in allerlaatste instantie de roemzucht laten vallen.

Tacitus

Volgens Arthur Schopenhauer (1788–1860) is ons streven naar roem een aangeboren afwijking. In Bespiegelingen over levenswijsheid legt hij uit hoe je kunt genezen van deze dwaasheid. Om te beginnen moet je je er bewust van zijn, en vervolgens moet je bedenken hoe ‘volstrekt onjuist, verkeerd, bedrieglijk en absurd’ de meeste meningen van andere mensen zijn. Die verdienen dan ook geen enkele aandacht en zijn bovendien vaak ‘ronduit ongunstig’. Als het ons lukt van de roemzucht af te komen, zou dat heel veel ‘gemoedsrust en eveneens een doortastender optreden en een onbevangener houding tot gevolg hebben’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het grootste gevaar voor de filosofie is bekrompenheid wat betreft de keuze voor bewijzen.

A.N. Whitehead in Process and Reality (1927–1928)

Met dit citaat begint de Brits-Amerikaanse natuurkundige, wiskundige en filosoof Alfred North Whitehead (1861–1947) het hoofdstuk waarin hij pleit voor onpartijdig onderzoek naar de ‘ultieme idealen’ van de mensheid. In alle historische periodes zijn voorbeelden te vinden van de realisatie van dergelijke hogere doelen, zowel bij de latere ‘winnaars’ als bij de ‘verliezers’. In alle gevallen zijn er elementen aan te wijzen die onze bewondering verdienen. Er ligt grootheid in de levens van de bouwers van religieuze stelsels, maar ook in dat van de rebellen die dergelijke systemen vernietigen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Uit het feit dat ik niet wil dat mij iets geschiedt, volgt geenszins dat ik het anderen niet moet aandoen.

Arthur Schopenhauer in Dat ben jij – Over de grondslag van de moraal (1840, 2010)

Quod tibi fieri non vis, alteri ne feceris, oftewel: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dit gezegde wordt wel toegeschreven aan keizer Severus, maar Schopenhauer (1788–1860) vindt het maar een ‘triviale’ stelling. Er wordt immers alleen maar een ‘rechtsplicht’ in uitgedrukt en geen ‘deugdplicht’. Overigens is dat volgens hem gemakkelijk te verhelpen door ‘non’ en ‘ne’ weg te halen. Maar dan blijkt dat het neerkomt op wat Schopenhauer zelf beschouwt als het principe waar alle ethici het eigenlijk over eens zijn: neminem laede, imo omnes, quantum potes juva, oftewel: doe niemand kwaad, maar help iedereen, zoveel je kunt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Is het voor een mens mogelijk om de aarde te verplaatsen? Ja, maar dan moet hij eerst een andere aarde vinden om op te staan.

Jeremy Bentham in ‘Een inleiding tot de beginselen van moraliteit en wetgeving’, in Utilisme (1789, 2020)

Jeremy Bentham (1748–1832) is de grondlegger van de stroming die bekend staat als het utilisme of utilitarisme. Hij begint zijn verdediging van het nuttigheidsbeginsel met de vaststelling dat ‘de natuur de mensheid onder de heerschappij heeft gesteld van twee soevereine meesters: pijn en genot’. Vervolgens stelt hij dat alles wat pijn vermindert of genot verhoogt, nuttig is. ‘Stelsels die dit ter discussie proberen te stellen, geven geluid in plaats van betekenis, grilligheid in plaats van redelijkheid en duisternis in plaats van licht.’ En als je probeert dit beginsel te bestrijden, dan doe je dat, zonder dat je je daar bewust van bent, met redenen die aan dat beginsel zijn ontleend. De juistheid van het principe kan echter ook niet worden bewezen, want ‘wat wordt gebruikt om al het andere te bewijzen, kan zelf niet bewezen worden; een keten van bewijzen moet ergens een begin hebben’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In de moderne samenleving zijn mensen heel goed in staat om een gelukkig leven te leiden zonder een coherente of expliciete levensfilosofie.

Roy Baumeister in The meanings of life (1991)

Hoewel de Amerikaanse sociaalpsycholoog Roy F. Baumeister (geb. 1953) dus vindt dat je geen uitgewerkte filosofie van het bestaan nodig hebt om gelukkig te zijn, meent hij niettemin dat iedereen ten minste ‘vier behoeften aan zin’ heeft. Hij noemt deze ‘een existentieel boodschappenlijstje’. Om te beginnen hebben we het nodig dat ons leven een hoger doel heeft (dan het pure overleven). De Engelse term hiervoor is ‘purpose’ en dat is momenteel een ‘zoemwoord’ in de managementliteratuur. Wat we verder nodig hebben zijn waarden (value), waarmee hij bedoelt dat we het gevoel moeten hebben dat onze daden juist, goed en te rechtvaardigen (tegenover anderen) zijn. In de derde plaats willen we het gevoel hebben dat we in staat zijn om dat hogere doel te bereiken of die waarden te realiseren (efficacy). Ten slotte hebben we behoefte aan een of ander fundament waaraan we een positieve eigenwaarde (self-worth) kunnen ontlenen. Overigens is Baumeister tamelijk nuchter als het om deze zaken gaat. In de praktijk ontlenen veel mensen hun eigenwaarde aan hun superioriteitsgevoelens tegenover anderen …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Alle schijnbare causaliteit in het zieleleven stamt uit de neiging van vele psychologen om hun dogma’s in een mechanistische of natuurkundige vermomming te steken.

Alfred Adler in De zin van het leven (1933, 1935)

Tegen het eind van zijn leven heeft Alfred Adler (1870–1937), een van de stamvaders van de psychoanalyse, volledig afscheid genomen van het freudiaanse denken in termen van onbewuste driften. Hij hanteert bij zijn ontmoetingen met patiënten de stelregel: ‘alles kan ook anders zijn.’ Hij is overtuigd geraakt van de ‘vrij scheppende kracht van het individu’. Alleen ziet hij deze kracht alleen in de eerste levensjaren en constateert hij dat dit vermogen in het latere leven beperkt is doordat de mens dan een levensstijl heeft gekozen. Dat het voor een wetenschappelijke psychologie nodig zou zijn om te denken in termen van oorzaak en gevolg als het om het ‘zieleleven’ gaat, is volgens hem ook niet meer nodig, omdat de fysica zelf het ‘dogma van de causaliteit’ inmiddels verlaten heeft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Schuldig worden is een voorrecht van de mens – en geeft hem de verantwoordelijkheid om deze schuld de baas te worden.

Viktor E. Frankl in De wil zinvol te leven: Logotherapie als hulp in deze tijd (1969, 1980)

Volgens psychiater en grondlegger van de logotherapie Viktor Frankl (1905–1997) is het ‘objectiveren’ en ‘tot ding maken’ van de mens de ‘erfzonde van de psychotherapie’. Hij werd ooit gevraagd om te spreken voor de gevangenen in de beruchte San Quentin-gevangenis in Californië. Deze voelden zich volgens Frankl voor het eerst ‘echt begrepen’ omdat hij iets deed wat hij zelf helemaal niet zo uitzonderlijk vond: hij sprak ze aan als mensen en beschouwde ze niet als ‘machines die gerepareerd moesten worden’. Hij had ze begrepen zoals ze zichzelf ook altijd hadden begrepen: als vrije en verantwoordelijke individuen. Hij had ze niet de gebruikelijke ‘ontsnappingsmogelijkheid’ voor hun schuldgevoelens gegeven door hun daden biologisch, psychologisch of sociologisch te verklaren. ‘Ik had ze geen alibi verschaft. De schuld was niet van hen afgenomen. Ik had hen als gelijken behandeld.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Doen en lijden zijn twee zijden van dezelfde medaille.

Hannah Arendt in The Human Condition (1958)

Omdat iedereen die zich beweegt in de maatschappij, de ‘actor’, dat altijd doet te midden van en in relatie tot andere handelende wezens, is hij nooit alleen maar een ‘doener’, maar altijd tegelijkertijd ‘lijder’. Daarom zijn volgens Hannah Arendt (1906–1975) doen en lijden ‘twee zijden van dezelfde medaille’. Elk verhaal waarmee een daad begint, bevat ook altijd de daden en het leed die daar het gevolg van zijn. En hoewel de daad misschien ‘uit het niets’ komt, zijn de consequenties daarvan eindeloos, want er ontstaat altijd een kettingreactie van nieuwe daden en nieuw leed. Dat betekent volgens Arendt dat actie en reactie nooit in een gesloten cirkel en uitsluitend tussen twee mensen bewegen. ‘De kleinste daad … draagt het zaad in zich van dezelfde eindeloosheid, want één daad, en soms zelfs één woord, is genoeg om elke constellatie te veranderen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Vanuit het oogpunt van de moderne natuurwetenschap … komen we in zekere zin altijd alleen maar onszelf tegen.

Werner Heisenberg in Das Naturbild der heutigen Physik (1955)

De moderne natuurwetenschap heeft ons steeds meer duidelijk gemaakt dat we bij het bestuderen van de natuur niet op onze natuurlijke zintuigen kunnen vertrouwen. Het allergrootste, het allerverste, het alleroudste en het allerkleinste zijn alleen ‘in beeld te brengen door steeds verfijndere instrumenten en berekeningen’. Volgens de Britse astronoom Eddington hebben we daarom te maken met een universum waarvan we niet méér weten dan de manier waarop het onze meetinstrumenten beïnvloedt: de eigenschappen van de natuur verhouden zich tot die metingen als mijn telefoonnummer tot mij als abonnee. Voor de Duitse fysicus Heisenberg (1901–1976) staat de mens alleen nog tegenover zichzelf.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De zelfgenoegzaamheid van ieder wezen wordt onophoudelijk aangevochten door zijn naasten.

Georges Bataille in De innerlijke ervaring (1943, vertaling 1989)

In zijn boek, dat hij zelf een ‘relaas van wanhoop’ noemt, probeert Bataille (1897–1962) de innerlijke ervaring te beschrijven. Het gaat om de ervaring waar innerlijk en uiterlijk, object en subject, binnen en buiten versmelten, en die zich daarom juist niet beschrijven laat. In het fragmentarische essay heeft hij het onder meer over de ‘samenstelling van de wezens’, en stelt hij dat aan de basis van het menselijk leven een ‘beginsel van ontoereikendheid’ ligt. Dit principe wordt ons pijnlijk duidelijk in onze omgang met anderen. ‘Zelfs een blik die bewondering uitdrukt, klampt zich als twijfel aan mij vast.’ Zelfs als iemand je ‘begaafdheid’ prijst, verlaagt hij je meer dan dat hij je verhoogt. Want dan is het onmogelijk geworden nog ‘eenvoudig’ te leven, want wee je gebeente als je een keer tekortschiet. ‘Een schaterlach, een uitdrukking van afkeer oogsten gebaren, zinnen, gebreken waarin mijn diepe ontoereikendheid zich verraadt.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is tegenwoordig makkelijker je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.

Frederic Jameson in ‘Future City’ in New Left Review (2003)

Literatuurcriticus en marxistisch politiek filosoof Frederic Jameson (1934) wijst hier op een onvermogen om nog te denken in alternatieven voor een kapitalistische economie, terwijl we toch weten dat die het voortbestaan van de aarde bedreigt. Hij ziet mensen in ‘shopping malls’ rondslenteren terwijl ze er allang niet meer op uit zijn om te kopen wat ze nodig hebben. Kopen is een ‘politiek-metafysische handeling’ geworden waarin wordt uitgedrukt dat we iets verlangen dat principieel nooit bevredigd kan worden. Terwijl voor de productie en distributie van al die onnodige artikelen de aarde verwoest wordt, valt er voor ons weinig anders te doen dan door te gaan met ‘shoppen’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een minimum aan wijsheid zou ons ertoe kunnen nopen om alle stellingen tegelijk te verdedigen in een glimlachend en destructief eclecticisme.

E.M. Cioran in Bittere syllogismen (1952, 1993)

De van oorsprong Roemeense filosoof E.M. (Emil) Cioran (1911–1995) maakt het de lezer niet makkelijk met zijn donkere, misantropische aforismen. Hoewel hij het best mogelijk acht dat er achter alle uiterlijke schijn nog een werkelijkheid verborgen zit, maak je je belachelijk als je denkt dat die in taal weer te geven zou zijn. Dan hoef je het je ook niet moeilijk te maken met de vraag welke mening de betere is. Je kunt schrijven wat je wilt, hoe platvloers of onvatbaar het ook is. En dat doet hij dan ook.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Volwassenen noemen hun spel ‘zaken doen’.

Aurelius Augustinus in Belijdenissen (vert. 2009)

De filosoof en latere kerkvader Augustinus (354–430) schreef met zijn belijdenissen voor zover bekend de eerste ‘autobiografie’. Hij begint die openhartige reflectie op zijn bestaan bij zijn geboorte. Wanneer hij naar school wordt ‘gestuurd’ om te leren en schrijven, bekent hij dat hij daar het nut niet van inzag, ‘helaas’. In die tijd begint hij ook met bidden, in eerste instantie met het verzoek aan God dat hij geen klappen meer zou krijgen. ‘U verhoorde mij niet, en niet tot mijn nadeel.’ Die klappen kreeg hij omdat hij niet erg zijn best deed. Overigens stelt hij vast dat zijn Heer hem voldoende geheugen en verstand had gegeven voor zijn leeftijd. Hij was nu eenmaal gek op spelen, ‘en daar kreeg ik dan straf voor van mensen die ook zoiets deden’. Het probleem was dat die volwassenen hun spel ‘zaken doen’ noemden, en niet zagen dat dat ‘nog veel ergere spelletjes’ waren. En zijn meester die hem sloeg, werd ook driftig en jaloers als hij bij een ‘futiele aangelegenheid’ niet kon winnen van een collega.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Europa is bij alle volken binnengevallen, alle volken komen op hun beurt naar Europa.

Bruno Latour in Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het Nieuwe Klimaatregime (2017, vert. 2018)

Volken die grotendeels voor de Europese expansiedrift gespaard zijn gebleven, zoals China en Japan, komen hier voornamelijk met fototoestel en selfiestick. Maar met de potentiële migranten uit onder meer Afrika lijkt Europa een soort honderdjarig pact te hebben gesloten: wij zijn daar naartoe gegaan zonder hun iets te vragen, zij komen hier zonder ons iets te vragen. Volgens Bruno Latour is er sprake van een ‘onverbiddelijke logica’. En wie de complottheorie van De Grote Vervanging aanhangt, had ‘om te beginnen niet moeten afreizen om “ongerept land” te vervangen door zijn eigen leefwijze’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De zin ‘er is een baby op die stoel’ is tegelijk constatief en performatief.

Bruno Latour in Oog in oog met Gaia (2015, vertaling 2017)

De vraag wat het verschil is tussen constatieve uitingen en performatieve uitingen heeft de filosofen altijd sterk beziggehouden. Stel, zegt Bruno Latour, dat u in een bus zit en er wil iemand gaan zitten op de plaats waar u uw baby hebt neergelegd. U zegt dan misschien ‘Er is een baby op die stoel’. Dat is dan een onloochenbare vaststelling, een constatieve uiting. Maar u zou geen mens zijn als u dat niet ook zou zeggen om die ander aan te sporen tot een reactie, en dat is een van de vormen van een performatieve uiting. ‘U doet méér dan wijzen op het objectieve feit dat de baby zich (…) op de stoel bevindt; u uit heftig bezwaar tegen een handelwijze waarbij de bewuste passagier de bewuste baby onder zijn achterste zou bedelven.’ Vroeger dacht men dat alleen wetenschappers nog zuiver constatieve uitspraken deden, maar tegenwoordig willen ‘alleen klimaatsceptici ons nog doen geloven dat objectiviteit tot geen enkele vorm van actie mag leiden’. De uitspraken van klimaatwetenschappers zijn inderdaad alarmerend, en moeten dat ook zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De zon noch de dood kun je in de ogen kijken.

François de La Rochefoucauld, geciteerd in Irvin D. Yalom – Tegen de zon in kijken (2008)

Het citaat van De La Rochefoucauld is het motto van Yaloms boek over ‘doodsangst en hoe die te overwinnen’, en in zijn nawoord komt hij erop terug. Het volksgeloof wil inderdaad dat het schadelijk voor je gezondheid is om tegen de zon of de dood in te kijken. Tegen de zon in kijken zou Yalom inderdaad niemand aanraden, maar in het boek pleit hij voor ‘een standvastige blik recht in het gezicht van de dood’. Yalom was gewend dat collega’s en vrienden altijd zeer geïnteresseerd waren in wat hij aan het schrijven was, maar dat gold niet voor dit boek. Als hij vertelde waar dit boek over ging, viel het gesprek stil. Yalom vindt echter dat je doodsangst net zo moet behandelen als andere angsten, want ontkenning van die ‘waarheid van het leven’ perkt ons innerlijk in, maakt onze blik onscherp en stompt ons denkvermogen af.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Steeds weer verbaas ik mij dat, hoezeer ook eenieder zichzelf het meeste liefheeft, iedereen aan zijn eigen mening over zichzelf minder waarde hecht dan wat anderen van hem denken.

Marcus Aurelius in Overpeinzingen

Na verloop van tijd ontdekt psychiater en existentieel psychotherapeut Irvin D. Yalom dat veel kwesties die filosofen al duizenden jaren bezighouden ook zijn patiënten kwellen. Als hij vervolgens besluit dat hij eigenlijk voor iedere patiënt een nieuwe therapie moet ontwikkelen (en dat die ontwikkeling de therapie is), weerhoudt niets hem er meer van om hun ook filosofische boeken als ‘huiswerk’ mee te geven. In Eendagsvlinders (2015) beschrijft hij hoe hij patiënt Jarod de Overpeinzingen van Marcus Aurelius aanraadt. Terwijl de therapie al een tijdje helemaal vastzit, heeft dit een verbluffend effect. Onder andere naar aanleiding van het citaat ziet Jarod in dat hij al die tijd vooral bezig is geweest aardig te worden gevonden en bewonderd te worden door zijn therapeut. Nu laat hij zijn zelfbeeld niet meer afhangen van het oordeel van anderen, want zoals Marcus Aurelius zegt: ‘Wanneer iemand mij minacht is dat zijn zaak. Het is mijn zaak ervoor te zorgen dat ik niets doe of zeg dat verachtelijk is.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De taal is wijzer dan degene die haar spreekt.

Eugen Rosenstock-Huessy, geciteerd in Ko Vos – Eugen Rosenstock-Huessy. Een kleine biografie (1993)

Eugen Rosenstock-Huessy (1888–1973) werd in eerste instantie opgeleid tot rechtshistoricus, maar had al van jongs af aan een grote passie voor taal. Toen hij bij de juridische faculteit zijn Habilitationsschrift inleverde, bleek dit vele filologische overwegingen te bevatten. Met name een passage met daarin de zin uit het citaat werd als ‘ketters’ beschouwd. Wetenschappers komen immers traditioneel van denken tot spreken of schrijven, en worden dan gehoord. Maar volgens Rosenstock-Huessy lag het heel anders. In onze ervaring horen we eerst (jarenlang) onze naam (door onze ouders), leren we vervolgens spreken ‘zoals het hoort’ en komen we daarna pas (eventueel) tot denken, maar daarmee nooit los van de wijsheid die in de taal der eeuwen is vastgelegd. Hij werd gedwongen het zinnetje uit het Habilitationsschrift te verwijderen, maar deed dat uiteindelijk alleen bij de exemplaren voor de commissie …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je kunt ook van de goede weg af raken, doordat je te lang het rechte pad volgt.

Theodor Mommsen in Römische Forschungen (1879)

Maatschappelijke veranderingen doen zich niet vanzelf voor. Augustinus schreef al: ‘Quod aetates, tot mortes’, oftewel: zo veel tijden, zo veel doden moeten vallen. De Duitse geschiedkundige en winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 1902, Theodor Mommsen (1817–1903), stelde vast dat de Romeinen geneigd waren oude instellingen in stand te houden, ook als die allang van taak en betekenis veranderd waren. Daarmee volgden ze weliswaar het rechte pad, maar raakten ze ook van de goede weg af.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

We zouden ‘het denkt’ moeten zeggen, zoals we ook ‘het onweert’ zeggen.

Georg Christoph Lichtenberg in Sudelbücher

Als je probeert te bedenken waar je gedachten vandaan komen, kun je eigenlijk niet volhouden dat het jouw gedachten zijn. Dan zou je ze namelijk al moeten hebben voor je ze hebt. Georg Christoph Lichtenberg (1742–1799) stelt dat het daarom al te veel is om cogito (ergo sum) te zeggen, zoals Descartes deed om daarmee een onbetwijfelbare grond te vinden. Overigens gaat het in het gedachte-experiment van Descartes in eerste instantie niet om denken, maar om twijfelen. De ervaring van het twijfelen leerde hem dat je aan alles kunt twijfelen (de hele zintuiglijke werkelijkheid), behalve aan het feit dat je twijfelt. En twijfelen is een vorm van denken, dus … Maar als je cogito vertaalt met ‘ich denke’, introduceer je een ‘ik’ die niet de bron van de gedachten kan zijn. ‘Het aannemen, het postuleren van het ik is een praktische behoefte.’ We kunnen immers ook niet beweren dat mijn gedachten eigenlijk de jouwe zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De liefde is het echte ontologische bewijs voor het bestaan van iets buiten ons hoofd.

Ludwig Feuerbach in Grundsätzen der Philosophie der Zukunft (1843)

Als we liefde definiëren als ‘de omstandigheid dat andere geestelijke wezens zich beschermend over ons ontfermen’ (naar Markus Gabriel) dan kunnen wij in de eerste jaren van ons leven alleen overleven als er van ons gehouden wordt. Volgens Feuerbach (1804–1872) bestaat er daarom ‘geen ander bewijs van het zijn dan de liefde, het gevoel in het algemeen’. Begrijpen wat liefde is en wat de betekenis daarvan voor ons leven is, maakt ook duidelijk dat het solipsisme (de filosofische leer dat alleen onze eigen bewustzijnsdaden bestaan) misschien toch niet zo ‘richtig’ (juist) is als Wittgenstein meende. Overigens gaat Feuerbach nog een stap verder, want dat ‘iets buiten ons hoofd’ uit het citaat beperkt hij tot ‘dat waarvan het zijn jou vreugde brengt en het niet-zijn jou pijn doet – dat alleen is’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een tot dusver onderschatte bron van gevaren die de digitalisering met zich meebrengt is dat we ons zelfbegrip als mensen afstemmen op een misleidend denkmodel.

Markus Gabriel in De zin van denken (2018, 2019)

In zijn boek haalt Gabriel (1980) heel wat filosofische ideeën en denkers van stal om ons ervan te overtuigen dat kunstmatige intelligentie (AI) niet echt ‘denkt’, omdat de moderne dataverwerkingssystemen geen bewustzijn hebben. Tegenover het gevaar van de digitalisering moeten we ‘de zin van het denken terugwinnen en behoeden voor de onjuiste voorstelling als zou ons denken een rekenproces zijn dat zich door de hersencomputer onder ons schedeldak afspeelt’. AI-systemen simuleren ons denken, in de zin dat ze modellen daarvan gebruiken om bepaalde programma’s te kunnen uitvoeren. Maar die simulaties zijn ‘net zomin het denken als een Michelinkaart van Frankrijk identiek is met het gebied dat erop staat afgebeeld’. Dat neemt niet weg dat wat we AI noemen wel degelijk bestaat. ‘Het is alleen niet intelligent, en juist daarom gevaarlijk.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zingeving zit ook in een theezakje.

Ilse Vooren en Merlijn Koch in Zin kun je maken. Processen van zingeving begeleiden (2017)

Volgens de humanistici Vooren en Koch is zingeving niet alleen ‘het bewust nadenken over de hogere bedoeling van het leven’. De meeste tijd zijn we gewoon aan het leven, maar ook dan zijn we bezig zin te geven, zonder ons daar bewust van te zijn. Want welke thee kies je? Fairtrade, biologisch, duurzaam, of toch de goedkoopste of waarvan de reclame gezelligheid belooft? De auteurs verwijzen naar socioloog Meerten ter Borg, die zingeving gelijkstelde aan ademen. Net zo vanzelfsprekend, net zo onbewust. ‘Zo bezien is zingeving eerder een gegeven dan een keuze.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De waarde van het leven is omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand tot de dood.

Lev Tolstoj in De weg van het leven (1912, 2016)

Ten tijde van de coronapandemie waren er mensen die vonden dat het (redden van het) leven van jonge mensen meer waard was dan dat van oude. Sommigen vergeleken vooral ouderen die ongezond hadden geleefd met ‘dor hout’ dat wel gekapt mocht worden. Er waren zelfs ouderen die hun potentiële IC-bed wel wilden geven voor dat van een jongere. Voor Tolstoj (1828–1910) geldt het tegenovergestelde: ‘hoge ouderdom is het kostbaarste, noodzakelijkste deel van het leven.’ En: ‘Het waardevolste is de laatste minuut van het sterven.’ Dat geldt niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen, want je kunt goed of slecht sterven. ‘Probeer om goed te sterven,’ besluit Tolstoj, ‘voor hen die achterblijven.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er bestaat een bezorgde gids, een kundige begeleider, die ons opmerkzaam maakt, die de wandelaar toeroept dat hij moet oppassen …

Søren Kierkegaard in Onverdeeld één ding te willen (1847, 2010)

Welke gids zou dat zijn, die volgens Kierkegaard ‘trouw en oprecht’ is? Zij is weliswaar niet zo goed ter been als de verbeelding, ‘die soepel de wens van dienst is’. Zij is ook niet zo sterk als het succesvolle voornemen, maar komt ‘langzaam achteraan, wat weerbarstig’. Die gids, dat is de spijt. Kierkegaard noemt haar ‘een wonderlijke macht’. Want als je het verkeerde gedaan hebt of het juiste hebt nagelaten, dan kun je misschien ‘koppig en gewiekst’ aan de spijt willen ontkomen. Maar wat zou er dan erger zijn? Dat dat je niet lukt? Of juist dat het je wel lukt …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er moeten nog drie rechten worden toegevoegd aan de Verklaring van de Rechten van de Mens.

Humberto R. Maturana in From being to doing. The origins of the biology of cognition (2004)

In zijn voorwoord bij de gesprekken die hij voerde met Humberto R. Maturana noemt Bernhard Poerksen diens werk ‘neurosofie’: een ‘specifieke mengeling van logisch en wild denken langs de grenzen van natuurwetenschap en filosofie’. Voor Maturana spreekt het voor zich dat hij zich ook ‘als bioloog’ uitspreekt over het wetenschappelijke, het sociale en het politieke ‘leven’. Een van zijn voorstellen is om drie rechten toe te voegen aan de Verklaring van de Rechten van de Mens:

  1. het recht om fouten te maken; als je fouten mag maken, kun je die rechtzetten;
  2. het recht om van gedachten te veranderen; dat betekent dat je mag en kunt reflecteren op wat anderen zeggen, maar ook op wat je zelf zegt en ervaart;
  3. het recht om op ieder moment de ruimte te verlaten; als je dat recht hebt, hoef je alleen te blijven wanneer je dat echt wilt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Laat ons heiligen zijn als wij dat kunnen, of wij daarin nu zichtbaar en tijdelijk slagen of niet.

William James in The varieties of religious experience (1902)

De pragmatische filosoof en grondlegger van de Amerikaanse psychologie William James (1842–1910) stelt in zijn onderzoek naar de verscheidenheid van religieuze ervaringen vast dat religie, ook als je theologische criteria afwijst en haar louter met je gezond verstand of met de empirische methode onderzoekt, een verheven plek in de geschiedenis behoudt. Economisch gezien zijn de eigenschappen van de heiligen, zoals toewijding aan een hogere macht, zuiverheid, liefdadigheid en ascetisme, onmisbaar voor de welvaart van de wereld. ‘De grote heiligen zijn een rechtstreeks succes, de kleinere zijn op z’n minst herauten en voorboden; en zij kunnen ook het zuurdesem zijn voor een betere wereld.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Denkers

Thema's