Leren

Een fijn gesprek kan eenzaamheid tegengaan, de dag inhoud geven en mooie ontmoetingen tot stand brengen.

Marja Havermans en Aagje van der Vossen in Spreken is zilver, vragen is goud. In dialoog met ouderen (2014)

In het voorwoord bij hun fraai vormgegeven boek Spreken is zilver, vragen is goud (2014) merken praktisch filosofe Marja Havermans en stervensbegeleidster Aagje van der Vossen op dat het kenmerkend is voor een dialoog dat de gespreksdeelnemers gezamenlijk tot resultaten en inzichten komen ze die ieder voor zichzelf niet zouden bereiken. Zij presenteren een aantal vormen waarin dit kan plaatsvinden, onder andere het socratisch gesprek. Bij al deze vormen blijven de voorwaarden van de dialoog van kracht:

  1. luister goed naar elkaar;
  2. schort je eigen oordeel op;
  3. stel vooral vragen;
  4. toon belangstelling voor de ander en probeer iets van hem/haar te leren;
  5. spreek je twijfels uit als je die hebt;
  6. formuleer zo kort, zo helder en zo concreet mogelijk;
  7. wees eerlijk;
  8. neem de tijd.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Alle mensen die … hun leven of zichzelf gelukkig noemden, gaven – zonder uitzondering – aan dat ze actief dankbaarheid beoefenen, en schreven het daaraan toe dat ze gelukkig waren

Brené Brown, geciteerd in Ernst-Jan Pfauth in Dankboek (2017, p. 13)

De uitgever van De Correspondent, Ernst-Jan Pfauth, raakte op zeker moment bijna geobsedeerd door het beter en efficiënter leren werken. Maar uiteindelijk werd hij daardoor een ‘productiviteitsmachine’. Uit alle literatuur van gedragswetenschappers, neurologen, psychologen en ervaringsdeskundigen leerde hij dat streven naar succes en rijkdom uiteindelijk niet gelukkig maakt, maar ‘dagelijkse voldoening’ wel. Uit alle zelfhulpboeken die hij las haalde hij vier toepasbare strategieën voor het vinden daarvan:

  1. Je werk, hobby’s en projecten zien als oefenen – dus niet alleen denken aan het resultaat, maar overal van leren.
  2. Ruimte maken voor flow en rust in je leven.
  3. Je leren richten op anderen.
  4. Actief oefenen in dankbaar zijn.

Bij deze laatste strategie citeert hij Brené Brown. Deze ontdekking was voor hem aanleiding om een Dankboek te schrijven, dat maar 53 bladzijden ‘theorie’ bevat en 180 bladzijden om je eigen oefeningen in dankbaarheid te noteren.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

En je kunt niet gewoon alles leren op school!

Mark, geciteerd in Catherine C. McCall in Anders denken – Filosoferen vanaf de basisschool (2010, p. 101)

Mark is een van de vijfjarige (!) deelnemers aan een Community of Philosophical Inquiry, de methode die Catherine McCall ontwikkelde voor het filosoferen met kinderen. Hij geeft dit als argument voor de stelling dat de mens niet alles kan weten.
McCall stond nog aan het begin van haar carrière toen ze cursussen voor leerkrachten van de basisschool organiseerde en per ongeluk ook leerkrachten van de eerste groepen inschreef. Op theoretische gronden, zowel van psychologen als Piaget als van pioniers van de kinderfilosofie, werd tot dan toe gedacht dat kinderen pas op een leeftijd van acht tot tien jaar in staat waren tot filosofisch onderzoek. Toen McCall toch maar probeerde om ook met vijfjarigen te filosoferen bleek dat zij niet alleen in staat waren om anderhalf uur (!) hun aandacht bij de les te houden, maar ook konden redeneren en argumenteren.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Menen dat je iets al weet is het voornaamste obstakel voor het verwerven van nieuwe kennis.

Jos Kessels, inleiding in Leonard Nelson – De socratische methode (1994)

De methode die Socrates (470–399 v.Chr.) hanteert in zijn gesprekken met uiteenlopende Atheners staat bekend als de elenchus: weerlegging, verlegenheid of beschaming. Zij is bedoeld om iemand te ‘ondervragen op die punten waar hij denkt iets zinnigs te zeggen, ook al zegt hij in feite niets zinnigs’ (Plato in De sofist). De onjuistheid van ‘verwarde ideeën’ kun je volgens Plato gemakkelijk aantonen door ze naast elkaar te zetten en te laten zien dat ze strijdig zijn. Kessels noemt de elenchus ‘primair negatief en destructief van vorm, bedoeld om iemands pretentie van kennis te vernietigen’ (p. 13). Pas als iemand denkt iets te kunnen leren, valt er voor hem ook echt iets te leren. Maar de elenchus heeft ook een ‘positief en constructief doel, namelijk iemand bewegen tot verder onderzoek’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het recht om te leren wordt voor de meeste mensen beknot door een verplicht schoolbezoek.

Ivan Illich in De ontscholing van de maatschappij (1971)

In 2002 overleed Ivan Illich, een van de meest radicale criciti van de moderne maatschappij. Jarenlang doorstond hij de last van een kankergezwel in zijn gezicht omdat hij geen deel wilde worden van het m

edisch-farmaceutische complex. Leren was volgens hem ook iets waarvoor onze moderne instituties volledig ongeschikt waren. Kennis en vaardigheden waar je echt wat aan hebt, zijn niet het gevolg van instructie door anderen, maar van ‘een onbelemmerde participatie in een zinvolle omgeving’. Scholen zijn dat bij uitstek niet. Daar leer je niet zelfstandig denken, maar word je alleen maar afhankelijk gemaakt en geïndoctrineerd. In plaats van dergelijke onderwijstrechters moet leren plaatsvinden in onderwijsnetwerken. Een individu kan ieder moment van zijn leven ‘transformeren in een tijd van leren, participatie en begaan zijn’. Dat zijn allemaal waarden die Illich onderschrijft. Hij ziet institutionalisering ervan echter als de oorzaak van milieuproblemen, sociale polarisatie en ‘psychische onmacht, ‘drie dimensies van een proces van mondiaal verval en gemoderniseerde ellende’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media