Samenleving

Zolang er het stille midden is dat weerstand biedt aan wij-zijdenken is er ook ergens in de samenleving rust en vrede.

Bart Brandsma in Vrij Nederland (8 januari 2019)

Filosoof Bart Brandsma adviseert onder meer burgemeesters, officieren van justitie, politiemensen en radicaliseringsexperts in binnen- en buitenland over hoe je het best kunt omgaan met polarisatie in het maatschappelijk debat. Overigens is hij niet tégen polarisatie: je hebt activisten nodig om de samenleving verder te brengen. Maar tegenwoordig lijkt er sprake van ‘polarisatiedruk’: wie niet voor ons is, is tegen ons. En doordat de media vooral belang hebben bij reuring, zorgen zij 24/7 voor brandstof voor polarisatie. Met name de mensen in wat Brandsma ‘het stillen midden’ noemt, hebben hier last van. Een deel van die mensen wil helemaal niet kiezen, maar is betrokken en genuanceerd, en voelt zich doodongelukkig bij de situatie. Een ander deel is onverschillig, wat volgens Brandsma ook niet alleen maar slecht is. ‘Veel mensen hebben andere dingen aan hun hoofd dan de vraag of ze privileges hebben omdat ze wit zijn of dat er vluchtelingen naar Nederland komen.’ Wat hij de ‘pushers’, de aanjagers, van het debat noemt en hun supporters, de ‘joiners’, nemen dat het stille midden kwalijk. Voor bestuurders is het juist belangrijk om in het midden te gaan staan en het stille midden te versterken. Dat doe je door niet mee te gaan in het praten in termen van identiteiten (bijv. racisten versus gutmenschen), maar de vraag aan de orde te stellen die aan de polen ten grondslag ligt, bijvoorbeeld: in welk land willen wij leven?

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Iedereen, met welke filosofische overtuiging ook, die op een hete kachel zit, zal zonder enige intellectuele argumentatie bevestigen dat hij zich onmiskenbaar in een situatie van lage kwaliteit bevindt.

Robert M. Pirsig in Lila. An inquiry into values (1991)

Op 24 april 2017 overleed de Amerikaanse schrijver Robert Maynard Pirsig (geb. 1928). In alle krantenstukken naar aanleiding van zijn dood ging het vooral over de bestseller Zen en de kunst van het motoronderhoud (1974), het boek dat eerst door 122 uitgevers was geweigerd. Al die in memoriams lieten bovendien niet onvermeld dat de ‘opvolger’, Lila, veel minder succes had.
De opzet van het tweede boek is dezelfde als Zen: de schrijver houdt lange betogen tegen de lezer terwijl hij een reis maakt, waarbij alle gebeurtenissen tijdens die reis een commentaar zijn op de theoretische uitweidingen. In Lila werkt Pirsig de aanzetten uit Zen uit tot een ‘metafysica van de kwaliteit’. Voor Pirsig is kwaliteit of ‘waarde’ het kernbegrip om de natuur, onszelf en onze samenleving te begrijpen. En de kwaliteit of waarde waar het hem om gaat is geen ‘vage, wollige, cryptoreligieuze, metafysische abstractie’. Het is de ervaring zelf. Wie vloekend opspringt omdat hij per ongeluk op een gloeiend hete kachel is gaan zitten, weet één ding zeker: de waarde van die toestand was negatief. Die waarde is de primaire realiteit, waar je later zulke zaken als kachels, hitte, vloeken en je zelf intellectueel uit kunt construeren.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De taak die we onszelf moeten stellen is niet om ons veilig te voelen, maar om onzekerheid te kunnen verdragen.

Erich Fromm in The sane society (1955, p. 196)

In De gezonde samenleving suggereert de Duits-Amerikaanse psycholoog en filosoof Erich Fromm (1900–1980) dat mensen zo geobsedeerd zijn door veiligheid omdat de vervreemde enkeling verlangt naar conformiteit en zich daardoor juist steeds onzekerder voelt. Volgens Fromm hebben mensen in de kapitalistische samenleving steeds meer het gevoel gekregen dat ze geen problemen, zorgen of twijfels zouden hoeven te hebben, en dat als ze geen risico’s nemen, ze zich veilig zouden moeten voelen. Hij vindt dit een dubieuze overtuiging. Net zoals actieve en betrokken mensen verdriet of pijn niet kunnen vermijden, zo moet iemand die nadenkt onzekerheid kunnen verdragen zonder in paniek te raken.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In de verabsolutering van de individuele vrijheid van de persoon met zijn eindeloze behoeften en verlangens kweekt onze samenleving cultuurloos gepeupel dat zich asociaal en gewelddadig manifesteert.

Ad Verbrugge in Tijd van onbehagen. Filosofische essays over een cultuur op drift (2004)

Volgens de Nederlandse filosoof en politiek activist Ad Verbrugge (1967) moeten we bij de (Hegeliaanse) term ‘gepeupel’ niet alleen denken aan het armlastige deel van de samenleving. Ook de rijkdom kent zijn gepeupel. Het ontstaan van gepeupel hangt veel meer samen met wat Verbrugge ‘cultuurverlies’ noemt. In steeds meer Nederlandse milieus is het hele idee van een ‘gemeenschap’ verdwenen. Deugden als rechtschapenheid, gemeenschapszin, eergevoel en verantwoordelijkheidsbesef hebben daar geen betekenis meer.
Het gaat er dus niet om dat die mensen niet meer naar het theater of een museum gaan, maar dat zij niet meer opgroeien in een beschaving die zorgt voor de ‘zedelijke ontwikkeling van haar burgers, zodat dezen zich lid weten van een gemeenschap en hun leven mede daarop afstemmen’. Tegenwoordig is het zelfs in kringen van de intelligentsia gebruikelijk om dan vooral te wijzen naar allochtonen (‘kutmarrokanen’), maar volgens Verbrugge is het eerder precies andersom: ‘een samenleving die door haar cultuurverlies zelf desintegreert, kan moeilijk de voorwaarden scheppen voor integratie van allochtone bevolkingsgroepen.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Bavianen en wetenschappers stellen dezelfde vragen.

Shirley Strum en Bruno Latour in ‘Redefining the social link: from baboons to humans’ (1987)

Van oudsher gingen biologen ervan uit dat je een bavianengemeenschap in betrekkelijk eenvoudige termen en structuren kon beschrijven, bijvoorbeeld aan de hand van een dominantiehiërarchie. Een baviaan had een bepaalde rol in zijn groep op grond van zijn (dominantie)positie. Maar waarom zijn bavianen dan – zoals uit onderzoek blijkt – voortdurend aan het toetsen wat de verhoudingen zijn, wie er bondgenoot is met wie, wie er over wie de baas speelt, en welke strategieën hun doelen het best dienen? In feite zijn de bavianen onderling voortdurend aan het onderhandelen om te bepalen hoe hun samenleving in elkaar zit. En dat is precies hetzelfde wat de biologen doen die hen observeren!

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een gemeenschap van schapen zal ooit een wolvenbestuur krijgen.

Bertrand de Jouvenel in Du pouvoir (1945)

De Franse econoom en diplomaat Bertrand de Jouvenel (1903-1987) wordt nog graag geciteerd door libertariërs, anarcho-kapitalisten en conservatief-liberalen die net als hij vinden dat democratie met een overheid die het algemeen belang soms boven individuele vrijheid stelt, eigenlijk een symptoom is van een samenleving in verval. Zelf heeft hij volgens zijn biograaf, Daniel J. Mahoney, in zijn leven met vele winden mee gewaaid. In de jaren twintig was hij een socialist en pacifist, in de jaren dertig interviewde hij Hitler zeer welwillend, in 1942 sloot hij zich aan bij het Franse verzet, in de jaren vijftig en zestig bestreed hij de Gaullisten, en in de jaren zeventig en tachtig vleide hij de studenten en de milieubeweging. Zo was hij uiteindelijk zelf een voorbeeld van een schaap: hij wilde niets liever dan bij een kudde horen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ecologie is niet de wetenschap van de natuur, maar het argumenteren, de logos, over hoe we samen willen leven op leefbare plaatsen.

Bruno Latour in ‘Coming out as a philosopher’ (rede bij de aanvaarding van de derde Siegfried Unseld Prijs, Frankfurt, 28 september 2008)

Hoewel hij bekend stond als (wetenschaps)socioloog, bleek Bruno Latour (1947) al heel lang stiekem een filosoof te zijn. Zijn studieobject – de moderne wetenschap – bleek alleen te begrijpen als je je ook verdiepte in de ‘achterliggende’ zijnsleer van wetenschappers. Een van de dingen die hij probeert te doorbreken is het desastreuze onderscheid tussen natuur en cultuur of maatschappij. Hij spreekt liever van ‘naturen-culturen’, waarin alles met alles samenhangt en geen van beide tot de ander te herleiden is. Juist de toestand van ons milieu maakt het noodzakelijk dat we niet langer de natuur overlaten aan de wetenschappers, de samenleving aan de sociologen en het onderscheid aan de wetenschapsfilosofen. Misschien is Europa wel de plek bij uitstek om te praten over ‘samen leven op leefbare plaatsen’, nu dat werelddeel niet langer denkt dat het voor de rest van de wereld kan bepalen wat ‘universeel’ is. ‘Momenten van zwakheid zijn een goede gelegenheid om eindelijk te bepalen waar we het innigst aan vast willen houden. Dat maakt de globalisering zo interessant: aan de onderhandelingstafel zijn de voormalige moderne denkers misschien eindelijk in staat om te zeggen waar het hun al die tijd om ging. Uiteindelijk gaat het erom voor welke waarden je bereid bent te sterven.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Respondeo etsi mutabor. (Ik antwoord, al verander ik daardoor.)

Eugen Rosenstock-Huessy in Out of Revolution: Autobiography of Western Man (1938)

Geboren als Eugen Rosenstock (1888-1973) voegde de Duitse filosoof, jurist en socioloog na zijn huwelijk met Margaretha Huessy haar naam toe aan de zijne. Rosenstock-Huessy was zowel een actief schrijver als een betrokken maatschappelijk hervormer. Hij kwam uit een joods gezin, maar sloot zich op jonge leeftijd aan bij de protestants-christelijke kerk. Dat neemt niet weg dat zijn werk beïnvloed is door zijn intensieve contacten met joodse denkers als Rosenzweig en Buber.
In het betreffende werk, dat verscheen nadat hij in 1933 naar Amerika was geëmigreerd, spreekt hij in het hoofdstuk ‘Afscheid van Descartes’ over de eenzijdigheid van diens ‘cogito ergo sum’ (ik denk, dus ik besta). Volgens Rosenstock-Huessy is zijn generatie, die de (Eerste) Wereldoorlog heeft meegemaakt, niet meer geïnteresseerd in de openbaarwording van de ware God of de ware aard van de natuur, maar meer in het overleven van een ware menselijke samenleving. Tegenover het cogito stelt hij de dialogische inzet, waarbij de waarheid ‘vitaal’ is en sociaal moet worden gerepresenteerd: respondeo etsi mutabor – ik antwoord, al verander ik daardoor.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Moderniseren of ecologiseren? Dat is de vraag.

Bruno Latour in To modernize or to ecologize? That’s the question (1998)

Wat de ‘groene’ partijen en de milieubeweging voor ogen staat noemt Latour ‘politieke ecologie’. Politieke ecologie heeft geen plek in een moderne samenleving, maar moet veel eerder worden begrepen als een alternatief voor modernisering. Veel mensen die zich sterk maken voor ‘de natuur’ hebben bij die ‘natuur’ een beeld dat mede wordt bepaald doordat het in tegenstelling wordt gezien tot ‘cultuur’, ‘samenleving’, ‘politiek’ of ‘geest’. Maar die Grote Scheidingen zijn kenmerkend voor de moderne manier van denken. Volgens Latour is een enkele blik in de krant voldoende om vast te stellen dat als het bijvoorbeeld gaat om het ‘gat in de ozonlaag’ deze manier van denken niet langer bruikbaar is. Het wemelt er van de ‘hybriden’. ‘In een en hetzelfde artikel worden chemische reacties en politieke reacties door elkaar gehaald. Een en dezelfde draad verbindt de meest esoterische wetenschap met de meest laag-bij-de-grondse politiek, de hoogste hemel met die ene fabriek in een buitenwijk van Lyon, wereldomvattende risico’s met de aanstaande verkiezingen of de volgende directievergadering’ (Wij zijn nooit modern geweest, 1994). Er is daarom een nieuwe manier van denken nodig: een niet-moderne. In Politics of nature – how to bring the sciences into democracy (2004) stelt hij dat we moeten kiezen: moderniseren of ecologiseren.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er valt over de postmodernen maar één positief ding te vertellen: na hen is er niets meer.

Bruno Latour in We zijn nooit modern geweest (1991)

In de jaren tachtig van de twintigste eeuw wordt Bruno Latour (1947) een van de voormannen van de ‘empirische wending’ in het denken over wetenschap. Hij noemt zichzelf ‘wetenschapsantropoloog’ en bekijkt een laboratorium vol wetenschappers zoals wij een ‘vreemde stam’ zien, als een onbekende cultuur met allerlei vreemde gebruiken, overtuigingen en goden. Op verzoek van zijn uitgever schrijft Latour in het begin van de jaren negentig een ‘echt Frans boek’. Dat wil (in zijn eigen woorden) zeggen met veel ‘grote woorden’ en ‘zonder empirische onderbouwing’. In dit boek laat hij zien hoe al sinds Kant een scheiding is ontstaan tussen natuur en samenleving, tussen werkelijkheid en subjectiviteit. Deze onderscheiding werd aan de ene kant als zeer problematisch ervaren, maar aan de andere kant als min of meer onvermijdelijk gezien. Zo proberen allerlei filosofen sindsdien deze ‘moderne dimensie’ te overwinnen, maar slagen ze er alleen maar in om de twee polen steeds definitiever van elkaar te vervreemden. Latour pleit daarom voor een ‘symmetrische antropologie’: we moeten onze eigen cultuur en die van vroeger en elders op dezelfde manier onderzoeken en we moeten onderzoeken wat de ‘geschiedenis’ van (de geconstrueerde) objecten en feiten is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media