Skip to content

Gedachten

Hegel

De mens is het wezen wiens project het is om god te zijn.

Jean-Paul Sartre in Het zijn en het niet (1943)

In de laatste hoofdstukken van een van zijn filosofische hoofdwerken bespreekt de Franse filosoof en (toneel-)schrijver Jean-Paul Sartre (1905-1980) de consequenties van het door hem vastgestelde feit dat de mens veroordeeld is tot de vrijheid. Sartre karakteriseert de zijnswijze van de (bewuste) mens als het ‘voor-zich’ (pour-soi), een term die hij ontleent aan Hegel. Dit voor-zich is het ‘zijnde dat voor zichzelf zijn eigen tekort aan zijn is’. Het ontbreekt het voor-zich namelijk aan de stabiliteit en het gewicht van het ‘in-zich’. In de praktijk betekent dat dat ik niet ‘iets’ ben wat alleen maar te zijn heeft (een steen, een briefopener), maar voortdurend moet bepalen wat ik wil gaan worden.
Voor de atheïst Sartre is een van de consequenties hiervan dat de mens zich een beeld maakt van wat hij zelf in uiterste zin is: de schepper van een (eigen) wereld, met alle verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. In de grond is de mens daarom het verlangen om god te zijn. Misschien ook omdat die altijd meteen ‘zag dat het goed was’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Verantwoordelijkheid is het besef dat je de onbetwiste schepper bent van een gebeurtenis of een ding.

Jean-Paul Sartre in L’être et le néant (1943)

Tegen het einde van een van zijn filosofische hoofdwerken (in het Nederlands vertaald als Het zijn en het niet) bespreekt de Franse filosoof en (toneel-)schrijver Jean-Paul Sartre (1905–1980) de consequenties van de door hem als fundamenteel beschouwde menselijke vrijheid. Als hij over de verantwoordelijkheid komt te spreken, merkt hij op dat dat onderwerp voornamelijk van belang is voor ethici. Hij is van plan geweest de ethische consequenties van zijn ‘fenomenologische ontologie’ uit te werken, maar dat is tijdens zijn leven niet gebeurd. Na zijn dood verschenen zijn aantekeningen daarvoor onder de titel Cahiers pour une morale en Vérité et existence (het laatste werd in het Nederlands vertaald als Waarheid en existentie).
Volgens Sartre is de mens veroordeeld tot de vrijheid en draagt hij daarmee het gewicht van de hele wereld op zijn schouders. Hij is verantwoordelijk voor de wereld en voor zichzelf als levend wezen. Sartres, aan Hegel ontleende, technische term voor mens of bewustzijn is het ‘voor-zich-zijn’. Hij acht dit verantwoordelijk voor het feit dat er überhaupt een wereld is, en dus is diens verantwoordelijkheid overweldigend. En hij kan niet anders dan deze dragen, ook als dat eigenlijk onmogelijk is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De utopie van de filosofische praktijk zou een verstandige ziel of een fijngevoelig verstand zijn.

Gerd B. Achenbach in Philosophische Praxis. Vorträge und Aufsätze (1984)

Als je een bezoek brengt aan de filosofische praktijk van Gerd B. Achenbach (geb. 1947), grondlegger van deze vorm van dienstverlening, word je leven daar niet in het licht van een bepaalde theorie bezien. Ook is er geen andere methode, dan de methode die in het samen reflecteren ontstaat. Voor de ‘bezoekers’ betekent dat dat er met ieder van hen een ‘individuele filosofische geschiedenis’ begint. Je ‘eigent je jezelf toe’ door je herinneringen te verwerken en vorm te geven, zodat een ‘vertelbare biografie’ ontstaat, een ‘minitraditie’. Volgens Achenbach heeft het filosofische denken drie vijanden: de voorbarige overtuiging, de kille gelijkhebberigheid en de zielloze waarheid. Het soort kennis of verstand waar het in de filosofische praktijk om gaat is die van het ‘denkende hart’ (Hegel).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het lezen van de krant ‘s ochtends is een soort realistisch ochtendgebed.

G.W.F. Hegel in Jenaer Schriften (1801-1807)

Zelf was de grote Duitse denker Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770–1831) korte tijd hoofdredacteur van de Bamberger Zeitung. Hij vond dat de Duitse (politieke) kranten vrijwel allemaal inferieur waren aan de Franse. Hem stond daarom een krant voor ogen in die Franse stijl, maar ‘natuurlijk zonder de pedanterie en onafhankelijkheid in de verslaggeving op te geven waar vooral de Duitsers om vragen’. Na een conflict zei hij de journalistiek vaarwel, maar hij bleef de massamedia trouw. In het vervolg op dit aforisme legt hij uit waarom: ‘De mens moet zijn houding ten opzichte van de wereld bepalen aan de hand van God of aan de hand van hoe de wereld is. Beide bieden dezelfde zekerheid: dat je weet, hoe je eraan toe bent.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De filosofie begint met zichzelf.

Elisabeth de Schipper in Heimgeführt. Über Aporie und Wirklichkeit (2010)

In de inleiding op haar boek over aporie en werkelijkheid neemt de Nederlandse filosofe Elisabeth de Schipper (1953) de lezer meteen mee de diepte in. Zij citeert Hegel, die in de inleiding op zijn Wissenschaft der Logik beweert dat er in de filosofie in het algemeen en de logica in het bijzonder geen ‘inleiding’ in de zin van voorafgaande filosofische bespiegelingen kan bestaan. Zou je bijvoorbeeld in die inleiding spreken over de methode (de logica) die je gaat gebruiken, dan heb je het eigenlijk ook al over het onderwerp (de logica) dat je wilt bespreken.
De Schipper gaat echter nog een stap verder. Volgens haar is er helemaal geen methode nodig. Toch is het voor haar ook niet voldoende om, zoals Derrida, de idee van een methode te deconstrueren. Dat is een weg die zij ook niet kan en wil gaan: ‘we begaan überhaupt geen weg, we blijven thuis.’ ‘Om dat wat zich voordoet, zich te laten voordoen, is ieder denken van een weg, een route of een methode een hindernis, een valstrik.’ Daarom kan er in haar inleiding ook geen sprake zijn van een inleiding: ‘wij leiden de lezer rond in een veld waarin hij zich reeds bevindt.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Dat het christelijk gezien zo zou zijn als door Hegel werd geleerd (wat ik hem, kinderlijk genoeg, heb nagepraat in mijn proefschrift), dat het doel van de staat de veredeling van de mens zou zijn enz., is natuurlijk kletskoek.

Søren Kierkegaard in Papirer (VI 2 A 108)

Volgens Kierkegaard is de staat het ‘menselijk egoïsme in zijn grote proporties’. Plato heeft dan ook ongelijk dat je de deugden kunt ontdekken door ze in de staat te bestuderen. De staat is relatief goed, maar alleen in zoverre dat het egoïsme van de enkelingen ten opzichte van elkaar door de staat in balans wordt gehouden. Dat je een beter mens zou worden met behulp van de staat is ‘even twijfelachtig als dat dit in een tuchthuis kan gebeuren’. In de staat word je hoogstens wat slimmer, door rekening te houden met de krachten van de andere ego’s, maar je wordt er niet minder egoïstisch. Overigens probeerde Plato dan nog de deugd en de staat met elkaar in verband te brengen. De ‘klucht van de moderne staten’ is dat geen politicus zich meer afvraagt hoe hij zich moet gedragen als minister, maar alleen nog maar: ‘Hoe speel ik het klaar om minister te worden?’ Kierkegaard ziet staten zo te gronde gaan, want er wordt niet meer geregeerd of bestuurd, maar alleen nog geprobeerd om op het pluche te komen. ‘En dan wordt men minister, maar dan weet men niets meer.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top