Skip to content

Gedachten

Egoïsme

… de tijd, de bondgenoot van de waarheid …

Arthur Schopenhauer in Dat ben jij – Over de grondslag van de moraal (1841)

Op zoek naar het fundament voor een ethiek vraagt de Duitse denker Arthur Schopenhauer (1788–1860) zich af wat ons mensen ertoe brengt om af te zien van ons aangeboren egoïsme en in plaats daarvan het goede te doen. Tot zijn grote ergernis won hij met zijn antwoord Über die Grundlage der Moral niet de prijsvraag van de Koninklijke Deense Academie van Wetenschappen. Maar als je je er door hem van laat overtuigen dat de grondslag van de moraal gelegen is in het medelijden met andere levende wezens en dat je daarmee een vorm van onsterfelijkheid kunt bereiken, dan heeft Schopenhauer gelijk met de uitspraak in het citaat. Want de juryleden van die Deense prijsvraag zijn reeds lang vergeten en Schopenhauers gedachtegoed heeft de tijd overleefd.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Dat het christelijk gezien zo zou zijn als door Hegel werd geleerd (wat ik hem, kinderlijk genoeg, heb nagepraat in mijn proefschrift), dat het doel van de staat de veredeling van de mens zou zijn enz., is natuurlijk kletskoek.

Søren Kierkegaard in Papirer (VI 2 A 108)

Volgens Kierkegaard is de staat het ‘menselijk egoïsme in zijn grote proporties’. Plato heeft dan ook ongelijk dat je de deugden kunt ontdekken door ze in de staat te bestuderen. De staat is relatief goed, maar alleen in zoverre dat het egoïsme van de enkelingen ten opzichte van elkaar door de staat in balans wordt gehouden. Dat je een beter mens zou worden met behulp van de staat is ‘even twijfelachtig als dat dit in een tuchthuis kan gebeuren’. In de staat word je hoogstens wat slimmer, door rekening te houden met de krachten van de andere ego’s, maar je wordt er niet minder egoïstisch. Overigens probeerde Plato dan nog de deugd en de staat met elkaar in verband te brengen. De ‘klucht van de moderne staten’ is dat geen politicus zich meer afvraagt hoe hij zich moet gedragen als minister, maar alleen nog maar: ‘Hoe speel ik het klaar om minister te worden?’ Kierkegaard ziet staten zo te gronde gaan, want er wordt niet meer geregeerd of bestuurd, maar alleen nog geprobeerd om op het pluche te komen. ‘En dan wordt men minister, maar dan weet men niets meer.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De diepste en eigenlijke aandrift van de mens is opgaan in een hogere diersoort, de massa, en zich daarin zo volkomen te verliezen dat het is alsof er nooit een mens is geweest.

Elias Canetti in Die Blendung (1936)

De in Bulgarije geboren, maar Duitstalige schrijver en Nobelprijswinnaar Elias Canetti (1905-1994) overleed uiteindelijk in Zwitserland als Brits staatsburger. Hoewel hij ook een bekende antropologische studie schreef over ‘massa en macht’ (1960) is het citaat uit de roman Die Blendung (in 1967 vertaald als Het martyrium). Hierin is Canetti niet zelf aan het woord maar ‘de goede psychiater’. De ‘foute psychiater’ meent dat waanzin een straf voor egoïsme is. Dat kun je volgens hem zien aan de krankzinnigeninrichtingen waar ‘het grootste gepeupel van het land’ verzameld is. Volgens de ‘goede psychiater’ echter heeft de mens onderwijs en opvoeding (Bildung) nodig als een ‘vestingsgordel’ van het individu tegen de ‘massa in zichzelf’. Hij meent dat iedere mens de grootste strijd in zijn leven voert om deze massa te doden. In de roman voert de hoofdpersoon, een kluizenaarachtige geleerde met een enorme bibliotheek, een gruwelijke strijd met zijn voormalige huishoudster die zijn vrouw is geworden. Het blijft de vraag welke psychiater gelijk krijgt als de hoofdpersoon uiteindelijk gek wordt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top