Skip to content

Gedachten

James

Het Zelf van een mens is de optelsom van alles wat hij het zijne mag noemen.

William James in The Principles of Psychology (1890)

De oorspronkelijk als arts opgeleide Amerikaanse psycholoog en filosoof William James (1842-1910) constateert in het hoofdstuk over het bewustzijn van het zelf in zijn standaardwerk over de psychologie dat het woord ‘zelf’ op allerlei manieren wordt gebruikt. Soms verwijst het naar een deel van mij, soms naar gewoon mijzelf, en soms zelfs naar iets waar ik zelf niks mee te maken heb. Maar in de breedste zin is ons zelf volgens James de optelsom van alles wat iemand ‘het zijne’ mag noemen. Daarbij gaat het volgens hem niet alleen om zijn lichaam en zijn ‘geesteskrachten’, maar ook om ‘zijn kleren en zijn huis, zijn echtgenote en kinderen, zijn voorouders en vrienden, zijn reputatie en verrichtingen, zijn landerijen en paarden, en jacht en bankrekening’. De belangrijkste reden die James hiervoor noemt, is dat al deze zaken bij iemand dezelfde emoties oproepen. ‘Als zij toenemen of gedijen, voelt hij zich een winnaar; als zij afnemen en wegkwijnen, voelt hij zich terneergeslagen – niet noodzakelijk in dezelfde mate voor iedere zaak, maar grotendeels hetzelfde voor alle.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

‘Wat zou beter voor ons zijn om te geloven’! Dat lijkt heel erg op een definitie van de waarheid.

William James in Pragmatism (1907, 1955)

Iedereen heeft wel een vaag idee wat ‘waarheid’ zou kunnen betekenen, anders zouden we het woord ‘waar’ niet kunnen gebruiken. Maar de werkelijke betekenis van waarheid is een kwestie die zo oud is als de filosofie zelf. Is waarheid ‘overeenstemming met de feiten’? Maar hoe bepaal je dan wat de feiten zijn? Is waarheid dat ‘wat de meeste verstandige mensen aannemen dat het geval is’? Maar de geschiedenis is vol met uitspraken en theorieën die destijds werden verketterd of belachelijk gemaakt, en slechts door een enkeling werden geloofd, maar waarvan we nu behoorlijk zeker zijn.
Het pragmatisme, waarvan de Amerikaanse denker William James (1842-1910) een van de belangrijkste vertegenwoordigers is, komt met een alternatief. Volgens James is het niet zo dat waarheid een categorie is die naast bijvoorbeeld ‘het goede’ en ‘het schone’ bestaat, maar is de waarheid een bepaald soort ‘goeds’. ‘Het ware is de naam voor alles wat zichzelf bewijst als een goede overtuiging.’ Als er een leven is dat we beter zouden kunnen leiden, en een idee dat ons zou helpen dat betere leven te leiden als we erin zouden geloven, dan zou het werkelijk beter zijn om daarin te geloven.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Mijn eerste daad van vrije wil is dat ik geloof in vrije wil.

William James in zijn dagboek op 30 april 1870

Deze ferme geloofsdaad stelde de Amerikaanse denker William James (1842-1910) na lezing van de Essais van de in Nederland nauwelijks bekende Franse filosoof Charles Bernard Renouvier (1815–1903). In zijn dagboek noemt hij dit inzicht het gevolg van een ‘crisis’ in zijn leven. Renouvier definieerde de vrije wil als ‘het vasthouden aan een gedachte omdat ik dat verkies, ook als ik andere gedachten heb’. James zag geen reden om deze vrije wil als een ‘illusie’ te zien en daarom besloot hij er ‘voorlopig – tot volgend jaar –‘ van uit te gaan dat het ook geen illusie was. Als je weet dat uit onderzoek blijkt dat het geloof in onvrijheid van de wil leidt tot immoreler gedrag, en als je weet dat James ‘waarheid’ definieerde als ‘wat beter voor ons is om te geloven’, dan zou hij zeker vinden dat het beter zou zijn als wij zijn geloof delen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Filosofie zal zich hervinden als ze stopt om een instrument te zijn voor het omgaan met de problemen van de filosofen en een methode wordt, ontwikkeld door filosofen, voor het omgaan met de problemen van de mens.

John Dewey in The Need for a Recovery of Philosophy (1917)

Zelf noemde de Amerikaanse filosoof, psycholoog en pedagoog John Dewey (1859–1952) zijn leer ‘instrumentalisme’, maar de historici beschouwen hem als een van de hoofdfiguren in het Amerikaanse pragmatisme, naast Charles Sanders Peirce en William James.
Voor pragmatisten is de verbinding van het wijsgerig denken met de praktijk van groot belang. Dat blijkt ook uit het citaat van Dewey, die ervan uitgaat dat filosofie ons moet helpen onszelf te redden in het leven. Dewey doet een rechtstreekse oproep aan de filosofie om niet langer een in zichzelf besloten machinerie van academisch commentaar op academisch commentaar te zijn, maar om methoden te ontwikkelen die mensen helpen hun levensproblemen op te lossen. Deze omschrijving komt het dichtst in de buurt van een oproep voor het bestaan van filosofische praktijken. Vandaar dat een van de bekende voorvechters daarvan, Lou Marinoff, dit beschouwt als een van de ‘acht manieren waarop filosofie je leven kan veranderen’ (Levensvragen. Hoe filosofie je leven kan veranderen, 2004).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top