Skip to content

Gedachten

Cicero

Weet dus, dat je een god bent …

Cicero in De re publica VI (9–29; vertaling van H.W.A. van Rooijen-Dijkman in Hermeneus, februari 1987)

Net als Plato eindigt Cicero (106–43 v.Chr.) zijn uiteenzetting over de ideale staat af met een mythisch verhaal over de beloningen die de rechtvaardige wachten na zijn dood. Zijn ideeën hierover geeft Cicero weer in de beschrijving van een droom van Publius Scipio Aemilianus, de triomfator in de oorlog Carthago (146 v.Chr.). Deze krijgt in de droom te horen dat er ‘voor de mensen die het vaderland goede diensten hebben bewezen om zo te zeggen een weg naar de hemelpoort openstaat’. Scipio belooft zich nog meer in te spannen nu hij weet welk heil hij verwachten mag. Vervolgens wordt hem verteld dat hij moet beseffen dat niet hijzelf sterfelijk is, maar zijn lichaam. Jij bent niet degene die zichtbaar is, ‘die met de vinger kan worden aangewezen’, maar ‘de ziel van iedere mens, dat is zijn ware ik’. In die zin is ieder mens een god, ‘in zover god is wat levenskracht geeft, wat voelt, zich herinnert en vooruitziet, wat dit lichaam, waarover het de leiding heeft gekregen, bestuurt, regelt en beweegt op dezelfde wijze als die hoogste god deze wereld’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Dat hele complex dat door de mensen ‘liefde’ wordt genoemd … is iets zo oppervlakkigs, dat ik niets kan bedenken wat daarmee te vergelijken is.

Cicero in Gesprekken in Tusculum (45 v.C.)

Een van de vragen die Marcus Tullius Cicero (106–43 v.C.) aan de orde stelt in deze Gesprekken is ‘wat de therapie waard is die door de filosofie tegen de ziekten van de geest wordt toegepast’. Een van de ‘beroeringen’ die het volgens Cicero verdient om te worden genezen door de filosofie is de liefde, al lijkt hij vooral de verliefdheid te bedoelen. Ironisch merkt hij op dat de poëzie een ‘bijzondere bijdrage’ levert door Amor een god te noemen, terwijl het toch om een ‘bron van schandelijke daden en van oppervlakkigheid’ gaat.
Dat de liefde geen erg hoogstaand aspect van het menselijk leven is, blijkt volgens Cicero onder meer uit het feit dat niemand van de oude Grieken, die zo hoog opgaven van de liefde die vriendschap is, hield van een lelijke jongeman of een mooie oude man. Nee, hij stemt in met Ennius die zegt dat het begin van schande is zich te midden van medeburgers het lichaam te ontbloten, zoals de gewoonte was in de sportscholen van Griekenland. De enige liefde die van Cicero wel mag bestaan is de stoïcijnse ‘poging om op grond van een indruk van schoonheid vriendschap te sluiten’. Want die vorm van liefde is ‘zonder zenuwachtigheid, zonder heimwee, zonder zorgen en zuchten’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een verzameling mooie uitspraken is meer waard dan een hoop schatten.

Isocrates

Genoemde uitspraak is natuurlijk vooral waar voor wie zijn beroep heeft gemaakt van het schrijven van toespraken (of kalenderwijsheden), want daarin komt een welgekozen citaat altijd van pas. Dat laatste geldt zeker voor Isocrates (436-338 v.C.), een der grote redenaars van het antieke Athene. Omdat hij een zwakke stem had en nogal snel zenuwachtig werd, schreef hij in eerste instantie vooral voor anderen, maar later stichtte hij een beroemde retorenschool, waaruit volgens Cicero ‘net als uit het paard van Troje enkel vorsten kwamen’.
Anders dan zijn leermeesters, de Sofisten, bracht Isocrates zijn leerlingen niet alleen de theorie en de praktijk van de welsprekendheid bij, maar ook politiek en ethiek. Als docent retorica kwam hij niettemin nu en dan in aanvaring met zijn tijdgenoot Plato, die weinig ophad met de kunst van de welsprekendheid, juist omdat redenaars zowel leerden de waarheid als de leugen te verdedigen. Het moet ook gezegd worden dat Isocrates het verwerven van de deugd nogal opportunistisch propageerde: alleen met een goede reputatie kun je je medeburgers overtuigen …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top