Skip to content

Gedachten

Waarheid

Als er sub specie aeternitatis geen reden is om te geloven dat iets ertoe doet, dan doet dat er ook niet toe.

Thomas Nagel in ‘The Absurd’ (1971, in Journal of Philosophy, pp. 716–727)

In dit citaat van de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel maakt hij gebruik van een uitdrukking in het Latijn, die afkomstig is uit het werk van Spinoza. Zij betekent zoveel als: ‘in het licht van de eeuwigheid.’ Het verwijst naar een denkhouding waarin je afziet van alles wat tijdelijk en toevallig is, om uiteindelijk te komen tot dat wat universeel en eeuwig waar is.
In het citaat gaat Thomas Nagel in tegen de filosofen van het absurde, zoals Camus, die meenden dat er uiteindelijk geen waarden zijn die voor eens en voor altijd geldig zijn. Voor de existentialistische helden in de romans en toneelstukken van Camus en Sartre rest er dan slechts ongericht heldendom of wanhoop. Maar volgens Nagel is dat niet de enige mogelijke houding: we kunnen ons absurde leven ook met ironie bezien.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

In het algemeen is de behoefte aan eenzaamheid er een teken van dat er nog geest is in een mens en de maatstaf wat voor geest hij is.

Søren Kierkegaard in Sygdommen til døden (1849), vertaald door F. van Raalten in Eenzaamheid & communicatie (1982)

Volgens de Deense denker Søren Kierkegaard (1813-1855) kan een mens zijn individualiteit alleen ontwikkelen als ‘enkeling’. Daarmee geldt hij als de grondlegger van de existentiefilosofie. Als enkeling vormt hij een tegenstelling met ‘het algemeen sociale’ en ‘een tegenstelling maakt altijd eenzaam’. Kierkegaard was het liefst alleen, maar was ook diep doordrongen van zijn opdracht om te ‘getuigen van de waarheid’ (van het christendom) en daarom moest hij toch weer steeds onder de mensen komen.
Het citaat is afkomstig uit een van zijn laatste boeken, dat in 2008 in vertaling uitkwam als De ziekte tot de dood, met als ondertitel ‘een christelijk psychologische uiteenzetting tot opbouwing en opwekking’. Het vervolgt met een bespotting van onze ‘continue society-tijd’ die de eenzaamheid zo verafschuwt ‘dat men (wat een voortreffelijke spitsvondigheid) niet weet hoe die anders te gebruiken dan als straf voor misdadigers’. Maar misschien past dat ook wel in een tijd waarin het een misdaad is om ‘geest te bezitten’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De mens is zo geschapen dat, als men hem maar vaak genoeg zegt dat hij gek is, hij het gelooft.

Blaise Pascal in Gedachten (1667, 2009)

Hoe komt het, vraagt de geniale wiskundige en filosoof Blaise Pascal (1623–1662) zich met Epictetus af, dat we níét boos worden als iemand beweert dat we hoofdpijn hebben, maar wél als iemand zegt dat onze redenering niet deugt of dat we een verkeerde keuze hebben gemaakt. Volgens Pascal is de reden dat we er volkomen zeker van zijn of we al dan niet hoofdpijn hebben, maar er minder van overtuigd zijn dat we het juiste hebben gekozen. En zeker als veel mensen je beslissing belachelijk vinden, is het ‘gewaagd en moeilijk’ om daaraan vast te houden. En als ze je een dwaas vinden, neig je er zelfs vaak toe hun gelijk te geven.
Sterker nog, zegt Pascal, ook als je maar vaak genoeg tegen jezelf zegt dat je gek bent, maak je dat jezelf nog wijs ook. ‘Want een mens voert een gesprek met zichzelf als hij alleen is, en het is belangrijk dat de juiste richting te geven.’ Voor Pascal is er uiteindelijk ook dit keer een christelijke moraal: ‘We moeten zwijgen zo veel we kunnen, en met onszelf alleen over God spreken, van wie we weten dat hij de waarheid is; en zo overtuigen we ons daarvan.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De politiek staat tegenover de moraal zoals de filosofie tegenover de naïviteit.

Emmanuel Levinas in Totaliteit en oneindigheid (1961)

In zijn ‘Woord vooraf’ bij zijn zeer diepzinnige, en daarom nogal moeilijk te doorgronden hoofdwerk Totaliteit en oneindigheid, begint de Joods-Franse denker van Litouwse afkomst Emmanuel Levinas (1906-1995) met zich af te vragen of we ons wel iets moeten aantrekken van de moraal. Moeten wij, als wij open willen staan voor de waarheid, niet voortdurend rekening houden met de mogelijkheid dat het oorlog wordt? En in tijden van oorlog wordt de moraal ‘opgeschort’. Dan gelden onze geboden van naastenliefde of respect niet meer. In feite maakt de oorlog onze moraal ‘belachelijk’. Vraag het de strijders overal ter wereld maar. De ‘ware uitoefening van de rede’ is dan ook niet het vinden van een fundament voor die mooie woorden, maar ‘de kunst de oorlog te voorzien en met alle middelen te winnen’. En dat laatste is Levinas’ definitie van de politiek. De filosofie leidt ons weg van de ‘naïviteit’ van de ervaring van het gelaat van onze lijdende medemensen, zoals de politiek de moraal ondergraaft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Stel me geen vragen, want ik zou je wel eens de (waarheid) kunnen vertellen.

Humberto R. Maturana in Networker (mei-juni 1985)

Op een foto van Andrea Schara-Maloney kijkt de Chileense bioloog Humberto Maturana (geboren 1928) de lezer grijnzend aan. Hij draagt een T-shirt met de waarschuwende tekst: Don’t ask me any questions, I might just tell you the (truth). Aan de ene kant is deze theoretische bioloog, en dus filosoof, een ‘radicale constructivist’: alle kennis is een constructie die alleen relevant is binnen de wetenschappelijke gemeenschap, maar zegt niets over de werkelijkheid zelf: de objectiviteit staat voortdurend tussen haakjes. Maar eenmaal binnen in zijn merkwaardige, hermetische oeuvre heerst een soort onontkoombare naar zichzelf verwijzende logica die de lezer ervaart als de waarheid.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In de klassieke zorg voor het zelf … is [het] niet mogelijk om immoreel te zijn en toch de waarheid te kennen.

Dick Kleinlugtenbelt in ‘Het domein van filosofische praktijken’, in: Delnoij & Van der Vlist, Filosofisch consulentschap (1998)

In onze moderne cultuur van het zelf, zo constateert socioloog en filosoof Dick Kleinlugtenbelt (1949), gaat het om het ontdekken van het ‘ware zelf’. Dit ontdekken is ons over het algemeen niet zelf gegeven, maar het moet ‘ontcijferd’ worden door de psychologie of de psychoanalyse. Maar in de klassieke zelfzorg kun je geen toegang tot de waarheid krijgen als je niet eerst aan jezelf werkt. Door deze ‘arbeid’ ontwikkel je een ‘gezonde achterdocht ten aanzien van het kennen van de waarheid’ en ga je daar vervolgens ‘behoedzaam’ mee om. Je streeft naar ‘zuivering’ door jezelf te bevragen en over jezelf na te denken. Daartoe moet je eerst leren autonoom te zijn en zelfstandig te denken. De waarheid heeft vervolgens wel een ‘prijs’: je moet een beter mens worden om jezelf werkelijk te kennen in je eigen unieke situatie. Zolang je jezelf niet moreel ontwikkelt, zul je daar nooit in doordringen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Weten wij wat de dood is? Is het volgens ons niet de scheiding van ziel en lichaam?

Plato in Phaedo / Phaidoon (vertaling www.arsfloreat.nl)

In deze dialoog van Plato (427–247 v.Chr.) vertelt Phaedo/Phaidoon aan Echekrates over de laatste dag van het leven van Sokrates. Nadat deze laatste is beschuldigd van het bederven van de jeugd van Athene krijgt hij te horen dat aan het eind van die dag het doodsvonnis zal worden voltrokken middels de gifbeker. Tot verbazing van de aanwezige vrienden lijkt Sokrates zijn sterven te verwelkomen: hij merkt op dat de dichter Evenos als liefhebber van de waarheid hem maar snel moet volgen in de dood. Waar het om gaat is die liefde voor de waarheid. Sokrates probeert zijn vrienden ervan te overtuigen dat wij bij het verwerven van kennis alleen maar worden belemmerd door ons lichaam, met al die zintuigen die niet helder en nauwkeurig kunnen waarnemen. Zij komen uiteindelijk tot de conclusie dat de wijsgeer zich zo min mogelijk moet laten leiden door het lichaam, maar dat het beoefenen van de deugden de ziel zuivert van wat onwaar en ongezond is. En volgens Plato en Sokrates zijn we eenmaal bevrijd van dat lichaam in de dood pas werkelijk (weer) in staat de zuivere waarheid waar te nemen, namelijk met onze goddelijke ziel.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een nette leugen is beter dan de rommelige waarheid.

Rodaan Al Galidi in Hoe ik talent voor het leven kreeg (2016)

Zijn geboortedatum is onbekend, want daar deden ze niet aan in het gebied in Irak waar hij geboren werd. Dat is een van de vele moeilijkheden waar Rodaan Al Galidi tegen aanloopt als hij probeert asiel te verkrijgen in Nederland. Uiteindelijk verblijft hij negen jaar in een asielzoekerscentrum, een tijd waarin hij zeven boeken schrijft, totdat het generaal pardon van 2007 hem een verblijfsvergunning oplevert.
Het talent dat Al Galidi voor het schrijven heeft, maakt dat je als geboren Nederlander in een genadeloze spiegel kijkt, een lachspiegel die je af en toe doet huiveren om de kafkaëske toestanden waar je hier in belandt als je geen burger van dit land bent.
Als hij tijdens zijn eerste ‘gehoor’ ‘in alle eerlijkheid’ zegt dat hij niet meer weet wanneer hij Irak precies verlaten heeft, geeft zijn ondervrager hem twintig minuten om het zich te herinneren. Als hij dan maar ‘4 augustus’ zegt, wordt dat in het tweede gehoor tegen hem gebruikt: waarom wist hij het eerst niet en daarna wel? Als hij zich een betere mensensmokkelaar had kunnen veroorloven, had die hem geleerd zich op dit soort situaties voor te bereiden met een reeks ‘nette leugens’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het idee van ‘overeenstemming met de werkelijkheid’ heeft geen duidelijke toepassing.

Ludwig Wittgenstein in Über Gewissheit / On certainty (1969)

Lang hebben filosofen gezocht naar een fundament voor de zekerheden die ze dachten te hebben (‘evidenties’). Als we ergens zeker van kunnen zijn, is het van uitspraken die ‘waar’ zijn. Een van de manieren waarop je ‘waarheid’ kunt definiëren is ‘overeenstemming met de werkelijkheid’. Dit is een van de ideeën die de Oostenrijks-Engelse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889–1959) onderzoekt in zijn aantekeningen die uitgegeven zijn onder de titel Über Gewissheit / On certainty.
Hij doet dat ‘tentatief’ (proberend, tastend) door voorbeelden te onderzoeken van uitspraken waarvan we zeggen er zeker over te zijn. Kunnen we bijvoorbeeld zeker zijn dat de aarde bestaat of dat die voor onze geboorte ook heeft bestaan? Wittgenstein vraagt zich af wat het zou betekenen als iemand zou zeggen daaraan te twijfelen. Wat voor betekenis zou die twijfel kunnen hebben? En hoe zou ik zekerder kunnen worden van dat bestaan? Door naar New York te bellen? Volgens Wittgenstein krijgen twijfel en zekerheid pas betekenis als dergelijke ‘gegevenheden’ deel uitmaken van het totaalbeeld dat het uitgangspunt vormt van overtuigingen. Dat de aarde bestaat, behoort tot de levensvorm waarin het ‘taalspel’ van twijfel en zekerheid pas betekenis krijgt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het essay … is de ziel van de filosofie.

Michel Foucault in Het gebruik van de lust. Geschiedenis van de seksualiteit 2 (1984)

Het woord filosofie kan verschillende dingen betekenen. Het kan verwijzen naar iets wat al af is, zoals het werk van een filosoof of de visie van een organisatie. De Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984) vraagt zich af wat de filosofische activiteit is, dat wat nog gaande is en een ongewisse uitkomst heeft. Hij definieert die als ‘kritische zelfwerkzaamheid van het denken’. Als zodanig is filosofie niet bedoeld om te rechtvaardigen wat we al weten, maar om er achter te komen ‘hoe en in hoeverre het mogelijk zou zijn anders te denken’. Een filosoof die anderen de wet wil voorschrijven of vertellen wat de waarheid is, vindt hij ‘iets lachwekkends’ hebben.
Het ‘essay’ is een ‘proeve’ om jezelf in het ‘waarheidsspel’ te veranderen en niet bedoeld om de ander ‘in bezit te nemen’ om zo in contact te treden. Zo begrepen beschouwt hij het essay als de ziel van de filosofie, ‘als ze tenminste nu nog is wat ze vroeger was, dat wil zeggen een “ascese”, een zelfoefening in het denken’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Filosofie moet het leven moeilijker maken.

Arnold Heumakers in NRC Handelsblad, 11 april 2008

Volgens criticus en essayist Arnold Heumakers (1950) is het een misverstand dat het de taak is van de filosofie om problemen op te lossen. Dat kunnen we overlaten aan andere sectoren, zoals ‘het alom aanwezige therapeutendom’. Hij vraagt zich af of filosofie niet juist begint waar geen oplossingen meer zijn, zodat je ook niet meer van problemen kunt spreken. Wie denkt dat de filosofie een einde kan maken aan de problemen van mens en cultuur, bijvoorbeeld in de vorm van levenskunst of cultuurkritiek, neemt volgens hem de ‘eindigheid van de menselijke conditie’ niet serieus.
Heumakers wil dat filosofen zich richten op de waarheid en dan zou weleens kunnen blijken dat die zich niet verdraagt met het goede leven. Als je het moeilijk vindt om daarmee te leven, moet je je misschien bezighouden met levenskunst. Maar als je filosofie wilt bedrijven, moet je die ‘tegenstrijdigheid zelf, zo volledig en zo radicaal mogelijk’ aan het licht brengen. ‘In onze humanistische, liberale en pragmatische wereld die voor elk probleem de passende oplossing zoekt en vaak meent te vinden, zou de filosofie het als haar rechtvaardiging, haar trots en haar unieke belang moeten beschouwen dat zij het leven niet makkelijker maakt, maar juist moeilijker.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De verhouding tussen de macht van het woord en de samenstelling van de ziel is dezelfde als die tussen de samenstelling van een geneesmiddel en de staat van het lichaam.

Gorgias in Helena (vertaling vincenthunink.nl)

De Griekse sofist en wijsgeer Gorgias van Leontini (ca. 480–376 v.Chr.) heeft een slechte naam gekregen door de gelijknamige dialoog van Plato, waarin Socrates de grond aanveegt met hem en zijn collega’s. Plato/Socrates verwijt Gorgias dat het hem meer om de vorm dan de inhoud van zijn beweringen gaat. Kentheoretisch én politiek gezien lopen Plato en Gorgias zeer uiteen. Volgens Plato bestaat er een werkelijkheid achter de zintuiglijke werkelijkheid, de wereld van de Ideeën, en daar is kennis van mogelijk, maar alleen voor de wijsgeer. Vandaar dat de staat moet worden geleid door een filosoof-koning. Voor Gorgias bestaat er niet zoiets als een objectieve waarheid, en dus gaat het erom dat je je eigen mening zo goed mogelijk verwoordt om anderen daarvan te overtuigen. Hij is dan ook een voorstander van democratie.

Uit het citaat blijkt dat hij zich zeer wel bewust is van de kracht van het woord. ‘Want zoals bepaalde middelen bepaalde sappen uit het lichaam drijven en sommige een eind aan een ziekte maken, maar andere aan het leven, zo is het ook met woorden: sommige brengen verdriet, andere genoegen, andere jagen angst aan, weer andere doen hun toehoorders moed vatten òf bedwelmen en betoveren hun ziel met een kwalijk soort overreding.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De waarheid kan niet bewezen worden. De waarheid bewijst al het andere.

Leo Tolstoj in Mijn kleine evangelie (1883, 2002)

Er zijn meer pogingen gedaan om de essentie van de Bijbelse evangelies van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes tot een geheel te vormen, maar er was de visie en het talent van de Russische schrijver Leo Tolstoj (1828-1910) voor nodig om daar in zekere mate in te slagen. Het begon ermee dat Tolstoj toen hij vijftig was zichzelf en alle wijzen in zijn omgeving vroeg wie hij was en waar de zin van zijn leven uit bestond. Hij kreeg alleen maar antwoorden die hem zeer deprimeerden: dat hij een toevallige verzameling deeltjes was en dat het leven geen zin had. Maar dan realiseert hij zich dat hij als kind, toen hij nog geloofde, wel wist wat de zin van het leven was, en dat de mensen om hem heen die nog wel geloven (‘de meerderheid van hen die niet door rijkdom werden verdorven’), een waarachtig leven leiden.
Bij het citaat verwijst Tolstoj naar Johannes 10:1-3, de gelijkenis van de goede herder. De schapen herkennen de goede herder aan het feit dat hij de schaapskooi ‘door de deur’ binnengaat, en niet als een rover ergens anders naar binnenklimt. Jezus vergelijkt zichzelf met de deur van de schaapskooi: ‘wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

‘Wat zou beter voor ons zijn om te geloven’! Dat lijkt heel erg op een definitie van de waarheid.

William James in Pragmatism (1907, 1955)

Iedereen heeft wel een vaag idee wat ‘waarheid’ zou kunnen betekenen, anders zouden we het woord ‘waar’ niet kunnen gebruiken. Maar de werkelijke betekenis van waarheid is een kwestie die zo oud is als de filosofie zelf. Is waarheid ‘overeenstemming met de feiten’? Maar hoe bepaal je dan wat de feiten zijn? Is waarheid dat ‘wat de meeste verstandige mensen aannemen dat het geval is’? Maar de geschiedenis is vol met uitspraken en theorieën die destijds werden verketterd of belachelijk gemaakt, en slechts door een enkeling werden geloofd, maar waarvan we nu behoorlijk zeker zijn.
Het pragmatisme, waarvan de Amerikaanse denker William James (1842-1910) een van de belangrijkste vertegenwoordigers is, komt met een alternatief. Volgens James is het niet zo dat waarheid een categorie is die naast bijvoorbeeld ‘het goede’ en ‘het schone’ bestaat, maar is de waarheid een bepaald soort ‘goeds’. ‘Het ware is de naam voor alles wat zichzelf bewijst als een goede overtuiging.’ Als er een leven is dat we beter zouden kunnen leiden, en een idee dat ons zou helpen dat betere leven te leiden als we erin zouden geloven, dan zou het werkelijk beter zijn om daarin te geloven.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

… want alles is slechts een web van gissingen.

Xenophanes, door Karl Popper gekozen als motto van hoofdstuk 1 van Realism and the aim of science (1983)

Op zoek naar de juiste wetenschappelijke houding keek wetenschapsfilosoof en kentheoreticus sir Karl Popper (1902–1994) niet alleen naar de eerste natuurwetenschappers als Galilei en Kepler, maar ook naar wat hij ‘de oude Griekse verlichting’ noemde (die eindigt met Socrates). Een van zijn antieke helden wordt de dichter en denker Xenophanes (560–ca. 478 v.Chr.) die een visie op kennis heeft die hem volgens Popper de eerste kritische wetenschapper maakt. Xenophanes wordt ook wel gezien als de eerste empirische wetenschapper, vanwege zijn uitspraak dat de goden niet vanaf het begin alles aan ons stervelingen hebben geopenbaard, maar dat wij gaandeweg onze kennis verbeteren.
Het gedicht waarvan het citaat de slotregel is, vertaalt Popper zelf in het Engels. In het Nederlands zou het ongeveer zo klinken:
Maar wat betreft de zekere waarheid, die heeft geen mens gekend
En zal die ook nooit kennen; noch van de goden
Noch van alle dingen waarover ik spreek
En zelfs als hij per ongeluk
de volmaakte waarheid zou zeggen, dan zou hij het zelf niet weten
Want alles is slechts een web van gissingen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Vergevingsgezindheid is een sieraad van de dapperen.

Sanskritisch gezegde

Op deze dag vieren de jaïnisten Wereldvergevingsdag. Het is een onderdeel van de reflectie op hun spirituele reis van het afgelopen jaar, waarbij zij iedereen die zij hebben beledigd om vergeving vragen. Het jaïnisme is een Indiase religie die al sinds mensenheugenis geldt als een zelfstandige filosofie en godsdienst. In India is het denken van de jaïnisten van invloed geweest op allerlei terreinen, niet in de laatste plaats op de satyagraha-filosofie van Mahatma Gandhi. Satyagraha is een samentrekking van de Sanskritische termen voor ‘vasthouden aan’ en ‘de waarheid’. Zoals algemeen bekend is een van de basisprincipes van Gandhi’s filosofie de geweldloosheid. In dat verband verwijst hij naar het Sanskritische gezegde over de vergevingsgezindheid. Wie ‘vasthoudt aan de waarheid’ (de satyagrahi) probeert zelf nooit fouten te maken, maar vergeeft ze de ander. Bovendien probeert hij alle zwakheden uit te bannen. Een daarvan is het wantrouwen. Dit is niet op zijn plek waar een tegenstander niet moet worden vernietigd, maar moet worden overgehaald.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik droom van een wereld waarin men voor een komma zou willen sterven.

E.M. Cioran in Bittere syllogismen (1952, 1993)

Er zijn filosofen met wie bijna niet te leven is. Hun denken is zo zwart, zij hebben zo weinig fiducie in de mensheid, dat je ze het liefst ongelezen zou laten. Alleen zijn ze door hun stijl ook weer zo boeiend, dat je je uitgedaagd voelt de arme homo sapiens tegen hen in bescherming te nemen. In een laatste interview (De Groene Amsterdammer, 14 december 1994), gegeven terwijl hij op zijn dood wachtte in een Parijs’ verpleeghuis, spuwt de van oorsprong Roemeense filosoof E.M. (Emil) Cioran (1911–1995) nog eenmaal zijn gal over de mens, ‘een avontuur dat onmogelijk goed kan eindigen’.
Voor Cioran is de mens een verdorven dier, minder dan een beest, zonder toekomst. De wetenschap krijgt het verwijt dat die de mensen eindeloos in leven houdt. En daardoor kunnen jonge mensen niet aan een woning komen … Hier lijkt de ooit voor een fascistische partij actieve Cioran toch een beetje een knorrige oude man te worden. Terwijl uit het citaat blijkt dat hij vooral zo bitter is uit teleurstelling. Blijkbaar heeft hij ooit de hoop gehad dat de mensen bereid waren het gewicht van de waarheid te dragen en daarvoor hun leven op het spel te zetten.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

… de tijd, de bondgenoot van de waarheid …

Arthur Schopenhauer in Dat ben jij – Over de grondslag van de moraal (1841)

Op zoek naar het fundament voor een ethiek vraagt de Duitse denker Arthur Schopenhauer (1788–1860) zich af wat ons mensen ertoe brengt om af te zien van ons aangeboren egoïsme en in plaats daarvan het goede te doen. Tot zijn grote ergernis won hij met zijn antwoord Über die Grundlage der Moral niet de prijsvraag van de Koninklijke Deense Academie van Wetenschappen. Maar als je je er door hem van laat overtuigen dat de grondslag van de moraal gelegen is in het medelijden met andere levende wezens en dat je daarmee een vorm van onsterfelijkheid kunt bereiken, dan heeft Schopenhauer gelijk met de uitspraak in het citaat. Want de juryleden van die Deense prijsvraag zijn reeds lang vergeten en Schopenhauers gedachtegoed heeft de tijd overleefd.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De mensen die voor je liegen, zullen tegen je liegen.

Robert Cialdini in ‘Meester van de macht’, NRC Handelsblad, 19 oktober 2013

Als je zijn lemma opzoekt op Wikipedia, word je dubbel gewaarschuwd. Het artikel heeft aanvullende referenties nodig ter verificatie, en ‘dit artikel lijkt geschreven als een advertentie’. Oud-hoogleraar psychologie en marketing Robert Cialdini (geb. 1945) heeft zijn werk dus niet helemaal goed gedaan of laten doen, want dan was dat laatste niet opgevallen. Sinds zijn boek Influence uit 1984 wordt hij beschouwd als expert op het gebied van beïnvloeding en manipulatie. In zijn volgende boek, Moments of power, onderzoekt hij wat het ‘beste moment’ is om iets te zeggen. ‘Timing is everything’, maar hoe kun je die precies voor je laten werken?
Cialdini houdt zich ook bezig met de vraag of bedrijven of reclamemakers zich ethisch moeten gedragen tegenover hun klanten. Vanouds werd die vraag bevestigend beantwoord, omdat je anders het gevaar loopt je reputatie te schaden. Maar er blijken nog drie andere redenen te zijn om maar beter niet oneerlijk te zijn:
  1. je medewerkers ervaren ‘morele stress’, als gevolg van de spanning tussen de eigen normen en die van de organisatie, waardoor ze minder goed presteren;
  2. hoe meer verrot de cultuur is, hoe meer mensen weglopen, de meest ethische het eerst;
  3. je houdt als organisatie uiteindelijk alleen oneerlijke werknemers over; en de kans is groot dat die al snel hun eigen bedrijf zullen oplichten.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen.

Voltaire (?)

Dit citaat of een variant ervan is wellicht de bekendste uitspraak van de Franse verlichtingsfilosoof Voltaire (pseudoniem van François-Marie Arouet, 1694–1778). Alleen heeft hij haar nooit gedaan … Columnist en filosoof Maxim Februari (geb. 1963) schrijft (in NRC Handelsblad van 30 juli 2013) over het feit dat wel vaker citaten ten onrechte aan mensen worden toegeschreven, met als mechanisme ‘iemand zegt iets, een ander herhaalt het (…) en het is waar’. Wat Voltaire in ieder geval wel heeft gezegd toen hij hoorde dat een geschrift van een filosoof zou worden verbrand was: ‘Tant de bruit pour un omette’ (wat een drukte om niets). Biografe Evelyn Beatrice Hall vond dat zij dit uit moest leggen, Reader’s Digest schreef die uitleg toe aan Voltaire zelf, en toen was het al gauw ‘waar’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Mijn eerste daad van vrije wil is dat ik geloof in vrije wil.

William James in zijn dagboek op 30 april 1870

Deze ferme geloofsdaad stelde de Amerikaanse denker William James (1842-1910) na lezing van de Essais van de in Nederland nauwelijks bekende Franse filosoof Charles Bernard Renouvier (1815–1903). In zijn dagboek noemt hij dit inzicht het gevolg van een ‘crisis’ in zijn leven. Renouvier definieerde de vrije wil als ‘het vasthouden aan een gedachte omdat ik dat verkies, ook als ik andere gedachten heb’. James zag geen reden om deze vrije wil als een ‘illusie’ te zien en daarom besloot hij er ‘voorlopig – tot volgend jaar –‘ van uit te gaan dat het ook geen illusie was. Als je weet dat uit onderzoek blijkt dat het geloof in onvrijheid van de wil leidt tot immoreler gedrag, en als je weet dat James ‘waarheid’ definieerde als ‘wat beter voor ons is om te geloven’, dan zou hij zeker vinden dat het beter zou zijn als wij zijn geloof delen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Waar het op aankomt is een waarheid te vinden die een waarheid voor mij is, de idee te vinden waarvoor ik wil leven en sterven.

Søren Kierkegaard in Dagboeken (1 augustus 1835)

Even overweegt Kierkegaard (1813-1855) om zich af te keren van filosofie en theologie, om zo wat rust te krijgen, maar dan realiseert hij zich dat de onrust terug zal keren, ‘als een koortsaanval na het drinken van koud water’. En dan formuleert hij een besef dat leidt tot de ‘existentialistische wending’ in de filosofie. Het gaat niet meer om die ene kantiaanse vraag naar het epistemologische fundament van kennis (‘wat kan ik weten?’), maar om die andere vraag: ‘wat moet ik doen?’ De existentialistische filosoof verliest zich niet in het construeren van het beeld van een wereld waarin hij niet leeft, maar die hij alleen aan anderen voorhoudt, maar wil helderheid ten aanzien van zichzelf, wil weten wat zijn eigen bestemming is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Respondeo etsi mutabor. (Ik antwoord, al verander ik daardoor.)

Eugen Rosenstock-Huessy in Out of Revolution: Autobiography of Western Man (1938)

Geboren als Eugen Rosenstock (1888-1973) voegde de Duitse filosoof, jurist en socioloog na zijn huwelijk met Margaretha Huessy haar naam toe aan de zijne. Rosenstock-Huessy was zowel een actief schrijver als een betrokken maatschappelijk hervormer. Hij kwam uit een joods gezin, maar sloot zich op jonge leeftijd aan bij de protestants-christelijke kerk. Dat neemt niet weg dat zijn werk beïnvloed is door zijn intensieve contacten met joodse denkers als Rosenzweig en Buber.
In het betreffende werk, dat verscheen nadat hij in 1933 naar Amerika was geëmigreerd, spreekt hij in het hoofdstuk ‘Afscheid van Descartes’ over de eenzijdigheid van diens ‘cogito ergo sum’ (ik denk, dus ik besta). Volgens Rosenstock-Huessy is zijn generatie, die de (Eerste) Wereldoorlog heeft meegemaakt, niet meer geïnteresseerd in de openbaarwording van de ware God of de ware aard van de natuur, maar meer in het overleven van een ware menselijke samenleving. Tegenover het cogito stelt hij de dialogische inzet, waarbij de waarheid ‘vitaal’ is en sociaal moet worden gerepresenteerd: respondeo etsi mutabor – ik antwoord, al verander ik daardoor.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hoe komt het dat een kreupele ons niet boos maakt en een kreupele geest ons wel boos maakt?

Pascal in De gedachten (1670, 1889; VII:19)

‘Omdat een kreupele erkent, dat wij goed gaan, maar een kreupele geest zegt dat wij hinken.’ Deze idee van Pascal staat in een hoofdstuk dat gaat over ‘’s menschens grootheid en ellende’. Hij verwijst in dit verband ook naar de Griekse stoïcijn Epictetus die zich afvroeg waarom wij niet kwaad worden als iemand zegt dat wij hoofdpijn hebben, maar wel als iemand zegt dat we slecht redeneren of een verkeerde keuze maken. Volgens Pascal komt die kwaadheid in beide gevallen voort uit het feit dat wij wél zeker weten dat we niet kreupel zijn en geen hoofdpijn hebben, maar dat we er níét zo zeker van zijn of wij wel ‘het ware’ hebben gedacht of gekozen. We worden boos als iemand dit aan het licht brengt, en het brengt ons aan het twijfelen. Want bij zoveel verschillende visies moeten we ‘onze wijsheid verkiezen boven die van zoveel anderen, en dat is vermetel en gaat moeilijk’. Pascal raadt de mens daarom aan zich zoveel mogelijk stil te houden en alleen bij God te zijn, want van Hem weten wij dat hij de waarheid is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik besefte (…) dat het lezen van elk goed boek een soort gesprek is met de schrijver ervan, en dus met de meest voortreffelijke mensen uit het verleden, ja men zou kunnen zeggen, een geleerd debat waarin ze ons hun beste denkbeelden meedelen.

René Descartes in Over de methode (1637)

Descartes was leerling aan een van de beroemdste scholen van het Europa van zijn tijd: het in 1604 door de jezuïeten gestichte Collège Henri IV. Hij had ‘waardering’ voor wat men hem daar leerde aan talen, geschiedenis, welsprekendheid, literatuur, moraalleer, theologie, rechtsgeleerdheid, geneeskunde en dergelijke. En ook de filosofie die er werd onderwezen is volgens hem niet zonder belang, onder andere omdat die de mens in staat stelt ‘de bewondering te oogsten van wie minder geleerd is’. Maar uiteindelijk brachten zijn opleiding, boeken, reizen et cetera Descartes tot de overtuiging dat hij slechts heel veel verschillende, vaak tegengestelde ‘meningen’ was tegengekomen. Om de waarheid te vinden kon hij beter helemaal opnieuw beginnen door alles in twijfel te trekken. Maar als je je voorstelt dat alles wat je ooit gedacht hebt niet waar is, weet je tegelijk één ding zeker. Om dat te kunnen denken moet er namelijk ten minste iets zijn wat denkt. En dat brengt Descartes tot een eerste waarheid, niet als een redenering, maar als een helder en onmiddellijk inzicht: ‘ik denk, dus ik ben.’
Velen die met Descartes het ‘geleerde debat’ zijn aangegaan, moesten deze waarheid eerst uitbreiden tot ‘ik lees, dus het boek van Descartes en ik bestaan’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

‘En u,’ zei ik met kinderlijke vrijpostigheid, ‘maakt u nooit vergissingen?’ ‘Dikwijls’ antwoordde hij. ‘Maar in plaats van er één te concipiëren, bedenk ik er vele, zodoende word ik van geen enkele de slaaf.’

Umberto Eco in De naam van de roos (1980)

De historische misdaadroman De naam van de roos van de Italiaanse taalgeleerde Umberto Eco zit vol met filosofische verwijzingen en grapjes. In een middeleeuws klooster wordt een aantal moorden gepleegd die verband houden met een manuscript van Aristoteles. Hoofdpersoon William van Baskerville (in de film gespeeld door Sean Connery) ontpopt zich als een soort modern-wetenschappelijke superspeurder.
Dat hij het beter vindt om vele gissingen te doen, waarvan er vele vergissingen zullen zijn, zou gezegd kunnen zijn door de wetenschapsfilosoof sir Karl Popper. Volgens hem is het uiteindelijk onmogelijk om van iets vast te stellen dat het waar is door steeds naar bevestigingen van je ‘gissingen’ te zoeken. Ook al heb je inmiddels duizend witte zwanen gezien, dat zegt nog niets over de mogelijkheid dat de volgende zwart zal zijn. De kennis wordt alleen vergroot als je er in slaagt je gissing te verwerpen. Alleen in dat geval weet je iets zeker, namelijk dat niet het geval is wat je dacht. Volgens Popper boekt de wetenschap alleen vooruitgang door trial and error.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top