Wijsheid

De weg van de overdaad leidt naar het paleis van de wijsheid.

William Blake

De Engelse schrijver, dichter, tekenaar, schilder en graveur William Blake (1757–1827) ontwikkelde een eigen mythologie, met een romantische en mystieke inslag, die door velen duister wordt gevonden. Voor hem zijn vrijheid en verbeelding belangrijker dan conventies en rede. In zijn belangrijkste prozawerk, met gravures van eigen hand, The Marriage of Heaven and Hell, geeft hij in de ‘Proverbs of Hell’ zijn levens- en kunstbeschouwing weer. Die heeft dionysische trekjes. Waar prudentie (wijsheid, beleid, inzicht, tact) voor veel filosofen tot de kardinale deugden behoort, omschrijft hij haar als ‘een rijke, lelijke oude vrijster die het hof gemaakt wordt door Onvermogen’. En waar traditioneel bezonnenheid tot wijsheid leidt, moet je volgens Blake juist de weg van de overdaad gaan om bij het paleis van de wijsheid te komen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De geneeskunde geneest ziekten van het lichaam, wijsheid bevrijdt de ziel van de hartstochten.

Democritus

Zowel de stoïcijnse filosoof Seneca als een criticaster van het stoïcisme als Plutarchus verwijzen in hun werk naar een tekst van de presocratische filosoof Democritus die zou gaan over euthumia, oftewel ‘het goede humeur van de ziel’. Dit vreugdevolle leven zocht Democritus in een evenwichtige toestand van de ziel. Alleen een kind kent ‘buitensporige verlangens’, maar een volwassene past zijn handelingen aan aan zijn mogelijkheden. De beheersing die daarvoor nodig is, ontleen je aan zelfkennis (je beperkingen kennen). En dat levert ook wat op, want ‘door weinig te verlangen, maakt een arm mens zichzelf rijk’.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Werkt uw levensfilosofie voor u, tegen u, of werkt zij helemaal niet?

Lou Marinoff in Levensvragen – Hoe filosofie je leven kan veranderen (2003)

Deze vraag moeten wij ons stellen van Lou Marinoff (1951), een van de bekendste filosofische practici ter wereld en oprichter van de Amerikaanse vereniging voor filosofische practici. Als je op een of andere manier ‘niet goed in je vel zit’, moet je je om te beginnen afvragen of je misschien lichamelijk niet in orde bent. Ga even langs bij de dokter. Maar als die niets kan vinden, moet je voordat je denkt dat je dan wel aan een psychische stoornis zult lijden, eerst even bedenken of er eigenlijk niet eerder sprake is van ‘onbehagen’. En voor onbehagen heb je geen medicijn of behandeling nodig. Als je daar mee blijkt te zitten, is het moment daar om je manier van denken en leven aan een onderzoek te onderwerpen. Dat noemen we ‘toegepaste filosofie’, die streeft naar wat Aristoteles fronèsis noemde, oftewel praktische wijsheid.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Het past een wijs man de dingen te gebruiken en er zoveel mogelijk van te genieten.

Benedictus de Spinoza in Ethica (1678)

In zijn boek over de ‘wellevenskunst’ zet Spinoza zich af tegen het ‘gruwelijk en somber bijgeloof’ van de puriteinen, die uit een doorgeschoten zondebesef zichzelf verbieden van het leven te genieten. Zo ‘grimmig’ kan God ‘of welk ander wezen ook’ toch niet zijn dat die zich in onze machteloosheid en ons ongemak verheugt en ons verdriet en onze angst als een deugd beschouwt? ‘Integendeel, hoe diepere blijheid wij voelen, tot hoe grotere volmaaktheid gaan wij over, dat wil zeggen hoe meer zullen wij deel krijgen aan de goddelijke aard.’ Een wijs man zal daarom zoveel mogelijk genieten van de dingen die tot zijn beschikking staan, al is het niet tot oververzadiging toe, want dan is het immers geen genieten meer. Dus wees matig met ‘aangename spijs en drank’, maar geef je over aan zaken die jou en een ander niet schaden, zoals ‘geuren en lieflijkheid van groenend kruid, fraaie kledij, muziek, kampspelen, toneelverstellingen’ en dergelijke.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Kennis kan ik willen, maar wijsheid niet.

Leslie Farber in The ways of the will (1966)

Volgens de Amerikaanse psychiater Leslie Hillel Farber (1912-1981) is het zo moeilijk gebleken om te definiëren wat ‘de wil’ is, omdat er twee verschillende ‘rijken’ van de wil zijn, die bijna niet op één noemer te krijgen zijn. Het eerste rijk betreft zaken die niet bewust worden ervaren, maar pas na de gebeurtenis kunnen worden afgeleid. Je zou dit het onbewuste kunnen noemen. Zelf constateert Farber dat de drie à vier beslissende keuzes in zijn leven pas achteraf zo belangrijk leken.

Het tweede rijk betreft wilsbesluiten waarvan je je bewust bent. Die keuzes zijn gericht op een bepaald doel en worden gestuurd door het nut: ‘Ik doe dit om dat te krijgen.’ In dit tweede rijk heb je iets aan wilskracht, inspanning en vastberadenheid. Het eerste rijk moet juist omzichtig worden benaderd. Het gaat mis wanneer je wat tot het eerste rijk behoort, met de aanpak van het tweede te lijf gaat. Je kunt naar bed willen gaan, maar als je wilt slapen lukt dat vaak juist niet. Zo geldt ook dat je wel meegaand kunt willen zijn, maar niet nederig, wel lust kunt willen wekken, maar geen liefde, en dat je kunt willen lezen, maar moet afwachten of je daardoor ook meer begrijpt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Meesterschap is de karaktertoestand die ervoor zorgt dat iemand de juiste keuzes kan maken.

Aristoteles in Ethica Nicomachea

Waar de Griekse filosoof Aristoteles het hier over heeft, wordt vaak vertaald met ‘voortreffelijkheid’, maar Kessels, Boers en Mostert (Vrije ruimte, 2002, p. 138) noemen het meesterschap. In beide gevallen gaat het om het uiteindelijke doel van de persoonlijke ethiek, de leer van het goede leven.
Volgens Aristoteles kun je je die levenshouding, die je in staat stelt om juist te kiezen, eigen maken door te oefenen. Ten eerste moet je steeds nadenken (reflecteren) over de keuzes die je daadwerkelijk hebt gemaakt en die afzetten tegen de maatstaven voor het goede leven (je waarden). Dan kun je je voornemen het de volgende keer net zo of juist anders te doen.
Maar wat doe je als je voor een keuze staat? Dan bepaal je wat het ‘juiste midden’ is, wat voor Aristoteles het redelijke principe van de praktische wijsheid is. Dat doe je door eerst vast te stellen wat in de gegeven situatie ‘een teveel’ (bijv. roekeloosheid) of ‘een te weinig’ (bijv. lafheid) is. Dan weet je vanzelf wat je moet doen: moedig zijn.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Wijsheid is het hoofdbestanddeel van het geluk. / Een leven in onwetendheid is uiterst aangenaam.

Sophokles in Antigone (1328) / Ajax (550)

In zijn Bespiegelingen over levenswijsheid breekt Arthur Schopenhauer (1788-1860) zich het hoofd over de vraag wie het gelukkigst is. Aan de ene kant heeft iemand die ‘innerlijk rijk’ is verder weinig nodig aan materiële zaken, aanzien of macht. Maar wie intellectueel begaafd is, is ook bijzonder gevoelig voor alle vormen van pijn. En zijn geestelijke grootheid vervreemdt hem van de meeste andere mensen. Daarom zegt men ook wel dat de ‘geestelijk minst bedeelden’ juist het gelukkigst zijn.
Zoals vaak gaat Schopenhauer graag te rade bij de klassieken. En dan stuit hij op diametraal tegenover elkaar liggende uitspraken, zoals die van Sophocles in de twee citaten. Maar ook als je de Bijbel erop naslaat, vind je bijvoorbeeld bij Prediker zowel ‘het leven van de dwaas is erger nog dan de dood’, als ‘want in veel wijsheid is veel verdriet’. Schopenhauer wil daarom het definitieve oordeel over deze kwestie graag aan de lezer overlaten.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een man zonder enige ervaring met de wijsbegeerte zal altijd anderen aansprakelijk stellen voor zijn tegenslagen, een beginnend filosoof zichzelf, een volleerd wijsgeer echter geen van beiden.

Epictetus (of Epiktetos) in Zakboekje – Wenken voor een evenwichtig leven (1995)

Vroeger, heel vroeger was wijsbegeerte nog geen academische opleiding (met een beperkt beroepsperspectief), maar een wezenlijk verlangen van elke vrije burger. Men wist toen namelijk dat ‘niet de dingen zelf de mensen van streek maken, maar hun denkbeelden erover’, zoals de stoïcijnse filosoof Epictetus (ca. 50–130 n.Chr.) het formuleerde. Het was dus zaak de juiste denkbeelden te hebben, opdat je niet meer van streek raakte. En ‘de juiste denkbeelden ontwikkelen’, dat is een hele aardige definitie van filosoferen. Zo’n juist denkbeeld is volgens Epictetus dat wij noch anderen noch onszelf aansprakelijk moeten stellen voor onze tegenslagen, alleen onze opvattingen, want die bepalen dat wij iets als tegenslag zien.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De koning is 729 keer gelukkiger dan de dictator.

Plato in De staat (587e)

In De staat (Politeia) stelt Plato (ca. 427-347 v.Chr.) dat de ideale leider van zijn ideale staat de filosoof-koning is. Als filosoof weet hij wat rechtvaardigheid is, en het was de onrechtvaardigheid van de Atheense samenleving die had geleid tot de terdoodveroordeling van zijn leermeester Socrates. De filosoof-koning moet natuurlijk een gedegen opleiding krijgen, maar dan is hij in staat om de alleenheerschappij te voeren over de wachters (die garant staan voor de veiligheid) en het gewone volk.
Elders in De staat komt Plato in een ingewikkelde berekening tot de conclusie dat de dictator 729 keer zo ongelukkig is als de koning-filosoof. De dictator kent maar twee (‘onwettige’) genoegens, seksuele lust en macht, terwijl het slechts legitiem is om te verlangen naar wijsheid. Doordat de rechtvaardigheid de drie delen van de ziel (intellect, wil en lust) tot harmonie brengt, leeft de filosoof-koning in drie dimensies. Na nog wat berekeningen komt Plato tot een afstand van drie tot de macht zes (= 729), wat voor de pythagoreeërs een heilig getal was.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hoe meer mensen kunnen lezen, hoe meer analfabeten je krijgt.

Frans Breukelman, geïnterviewd in De Stem, 19 maart 1988

Het blijft een wonderlijk gegeven dat enkele van de grote wijsheidsleraren uit zeer uiteenlopende tradities – Socrates, Jezus van Nazareth, Lao Tse (of Laozi) – zelf niet of nauwelijks een woord op papier hebben gezet. Wilden zij niet dat hun woorden ‘ver-eeuwigd’ werden? Misschien had het te maken met hun doelstelling. Hun spreken was niet, over de hoofden van hun toehoorders heen, gericht op latere generaties en ‘doelgroepen’. Zij wilden met hun woorden het leven van hun concrete gesprekspartners veranderen.
Dominee Frans Breukelman windt zich op over nieuwe Bijbelvertalingen, zoals die van de zogenaamde Groot Nieuws Bijbel met als ondertitel ‘vertaling in omgangstaal’. Zodra er geen onderscheid meer bestaat tussen het spreken van profeten en apostelen en dat van gewone mensen in een willekeurig tijdsgewricht, kunnen zij de woorden niet meer horen. Hij betreurt soms zelfs de uitvinding van de boekdrukkunst: ‘Het ergste wat het levende Woord kon overkomen, was dat het in drukletters werd gevangen.’ Hij breekt dan ook een lans voor de oude Statenvertaling uit 1635, waarin zo letterlijk mogelijk werd vertaald en waar nodig nieuwe taal werd geschapen. Dat is precies het omgekeerde van wat Luther en latere vertalers deden die de taal van het volk van hun tijd volgden in plaats van die te bepalen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Sapere aude – heb de moed om wijs te zijn

Horatius in Epistulae I,2,40

Letterlijk betekent de uitspraak sapere aude van de Romeinse dichter Horatius (65–8 v.Chr.) ‘durf te weten’. Deze aansporing nam Immanuel Kant over in zijn programmatische Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? (1784). Daarmee werd het het motto van de Verlichting. Voor Kant ging het erom dat de mens zijn onmondigheid liet varen en niet meer alles aannam waarvan de autoriteiten uit heden en verleden zeiden dat het waar was. De vertaling ‘heb de moed om wijs te zijn’ is ontleend aan Friedrich Schiller die het een ‘veelbetekenende uitdrukking’ van een ‘oude wijze’ noemt.
Zelf denken en kennis vergaren, en je niet op anderen verlaten, maakt je wel eenzaam. Volgens de Duitse filosoof Schopenhauer in Bespiegelingen over levenswijsheid wordt de moed om ‘eigenwijs’ te zijn met het klimmen der jaren echter steeds ‘gemakkelijker en vanzelfsprekender’. Hij ziet het als het lot van ‘alle superieure geesten’ dat ze eenzaam zijn. Maar ‘als men boven de zestig komt, is de hang naar eenzaamheid ronduit natuurlijk’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wijsheid kruipt tevoorschijn uit een mierenhoop.

Afrikaans spreekwoord

Een van de pioniers op het gebied van het socratisch gesprek in Nederland is filosoof Jos Kessels (1948). In zijn boek Socrates op de markt (1997) citeert hij het genoemde Afrikaanse spreekwoord om het gebeuren in een socratisch gesprek te karakteriseren. Een socratisch gesprek probeert aan de hand van een concreet voorbeeld antwoord te vinden op een filosofische vraag in de vorm van een of meer algemene principes. Maar ook in een systematische, begeleide dialoog als het socratisch gesprek komen allerlei feiten, details, argumenten, redeneringen, standpunten en overwegingen aan de orde. Wat de boel bij elkaar houdt, is steeds: ‘Wat is wijsheid in dit concrete voorbeeld? Wat zijn in deze wirwar de belangrijkste overwegingen, regels of principes?’
Dit is een hele concrete manier om te komen tot ‘visie’, een woord dat in politiek, maatschappij en bedrijfsleven zo vaak wordt gebezigd dat het soms ergernis opwekt. Dat die visie in een socratisch gesprek wordt ontwikkeld aan de hand van een concrete politieke, maatschappelijke, organisatorische of persoonlijke gebeurtenis, maakt dat visie dan meer wordt dan ‘verbalisme’. En juist daarom is het mogelijk om tot consensus (of ‘vruchtbare dissensus’) te komen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Droge ziel: de meest wijze en de beste.

Herakleitos in Over de natuur/De ziel, het gemoed, de verandering in ons (in wikibooks; oktober 2009, vertaling D.M.F. Casimiri)

De Griekse filosoof Herakleitos (ca. 540-480 v.C.) wordt wel ‘de duistere’ genoemd. Hij is beroemd om zijn uitspraken dat ‘alles stroomt’ en dat je geen twee keer in dezelfde rivier kunt stappen, maar doordat slechts fragmenten bewaard zijn gebleven, zijn de meeste van zijn uitspraken in al hun compactheid soms moeilijk te duiden. Zo vervolgt het fragment over de rivier met de uitspraak ‘maar ook zielen dampen uit het vochtige op’. Zoals Thales meende dat het oerelement water was, beschouwt Herakleitos het vuur als de belichaming van alle veranderingen in de kosmos. Het wezen van de verandering in individuele dingen noemt hij ‘de ziel’, wat bij de mens ‘het gemoed’ wordt. De zielen zijn allemaal onderhevig aan een proces van ontstaan en vergaan, waarbij zij uit water ontstaan, als vuur leven en door water vergaan. De suggestie wordt gewekt dat er een soort kringloop is, waarbij de in water opgeloste (‘dode’) zielen daaruit als damp herboren worden. In het algemeen geldt dat de beste en meest wijze ziel een droge lichtstraal is. Als iemand dronken is, heeft hij vocht in zijn ziel, en moet hij, wankelend en niet beseffend waar hij heen gaat, worden geleid door een kind.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Meesterschap is de karaktertoestand die ervoor zorgt dat iemand de juiste keuzes maakt …

Aristoteles in Ethica Nicomachea (1106 b 36)

Volgens de Griekse denker Aristoteles (384–322 v.Chr.) is meesterschap (of deugd) dus een vast gedragspatroon dat iemand zich eigen heeft gemaakt, en wel zo dat hij bij zijn keuzes een middenweg kiest tussen wat voor hem ‘een teveel of een te weinig’ zou zijn. Verder moeten die keuzes gebaseerd zijn op een redelijk principe, namelijk dat waar iemand met praktische wijsheid naar zou handelen.
Als je één keer een juiste beslissing neemt, wil dat nog niet zeggen dat je een meester bent. Om dat meesterschap te bereiken moet je je oefenen in het goed of deugdzaam leven. Dat doe je in de eerste plaats door steeds goed na te denken over de keuzes die je daadwerkelijk hebt gemaakt en of die overeenkomen met de maatstaven die je wilt hanteren. Om wat in een bepaald geval het juiste midden voor je is, moet je volgens Aristoteles nagaan wat in de gegeven situatie te veel zou zijn (bijv. roekeloosheid) en wat te weinig (bijv. apathie). In het midden ligt de moed, en die moet je dan dus betonen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Enige tijd geleden drong het tot mij door dat de wijste mensen die ik ken, allemaal één ding gemeen hebben: ze zijn gulzig op zoek naar wijsheid.

Jeff Myers in Finding the wise people (2001, lifeway.com)

Leiderschapscoach Jeff Myers geeft zelf toe dat het voor de hand lijkt te liggen, maar voegt daaraan toe dat het dat niet is. Je moet namelijk nederig te zijn om bij anderen te rade te gaan, en dus voortdurend vechten tegen je eigen trots en zelfgenoegzaamheid.

Myers heeft nog een tip hoe je kunt uitvinden welke ‘Salomo’s’ er in je omgeving zijn. Je moet de volgende vragen stellen:
  • Wie weet wat jij moet weten?
  • Wie doet wat jij graag wilt doen?
  • Wie kent jou beter dan jijzelf?
  • Wie geeft je eerlijke, constructieve feedback?
  • Wie kan je bemoedigen en begeleiden?
Als je antwoord hebt gevonden op deze vragen, moet je uitvinden hoe je van deze mensen kunt leren. Hun boeken lezen, kijken wat ze doen, e-mailen, bellen, met ze gaan lunchen, en vooral: vragen stellen.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Jezus zegt: Heb Uw broeder lief als Uw ziel, behoed hem als de appel van uw oog.

Het Evangelie van Thomas (uit het Koptisch vertaald en toegelicht door Gilles Quispel (2004))

Het was koningin Juliana die via de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken een goed woordje liet doen bij de Egyptische autoriteiten voor de Nederlandse theoloog Gilles Quispel (1916-2006). Quispel wilde toegang krijgen tot de eind jaren veertig gevonden Nag Hammadi-codices en het was zijn overtuiging dat deze geschriften zonder tussenkomst van Juliana ‘nu nóg in die koffer lagen in het Koptisch Museum in Cairo, en inmiddels waarschijnlijk door de insecten waren opgevreten’.
Een van de belangrijkste boeken, die Quispel zelf vertaalde uit het Koptisch, was het zogenaamde Thomas-evangelie. Uit het commentaar bij de vertaling die hij enige jaren voor zijn dood publiceerde, blijkt dat hij niet alleen een geleerde, maar ook een betrokken ‘gelovige gnosticus’ is. Hij is op zoek naar de ware woorden van Jezus, die volgens hem eerder een wijsheidsleraar dan een halfgod was. Volgens Quispel blijkt onder andere uit het citaat dat het christendom tussen de vele mysteriereligies, de enige met een sociale kant was: ‘En daarom won het.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wisdom and knowledge shall be the stability of thy times [wijsheid en kennis zullen de vaste grond van uw tijd zijn]

Tekst op het portaal boven de ingang tot het RCA building, New York, gemaakt door Lee Lawrie, 1934

Boven de ingang van Rockefeller Plaza 30 prijkt een bas-reliëf genaamd Wisdom van de Amerikaanse art-decobeeldhouwer Lee Lawrie (1877–1963) met daarop een Mozesachtige figuur met in zijn hand een soort meetinstrument. De tekst onder en achter de afbeelding is afkomstig uit het Bijbelboek Jesaja (33:6). In het oorspronkelijke ontwerp zou Wijsheid staan voor God, maar op instigatie van opdrachtgever Rockefeller zelf werd het beeld ‘ontgoddelijkt’. Geleerden menen dat Lawrie het 19de-eeuwse schilderij van William Blake ‘The Age of Days’ plagieerde, maar hij gaf er zeker zijn eigen draai aan, en nu is het een van de meest emblematische iconen van de art deco.
Je zou soms willen dat je het Hebreeuws beheerste want als je een vertaling zoekt van deze tekst uit de King James-Bijbel over de bevrijding van Jeruzalem, kun je hem moeilijk met een dergelijke afbeelding en betekenis verbinden. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat bijvoorbeeld: ‘Hij is ons houvast, zolang wij leven. Wijsheid en toewijding leiden tot redding, ontzag voor de HEER is Sions rijkdom.’ In de afbeelding lijkt de god zelf de wijze die met visie en wetenschap zorgt voor een stabiele orde.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is dus uitgesloten dat men gelukkig zou zijn, als men niet wijs en goed is.

Socrates tegen Alcibiades in de dialoog Alcibiades I (134a) van Plato (?)

In de oudheid werd deze dialoog beschouwd als de beste inleiding tot het platoonse denken, maar in 1836 betoogde de Duitse filosoof Friedrich Schleiermacher dat Plato niet de auteur kon zijn. De geleerden zijn het er nog altijd niet over eens of hij op dit punt gelijk had of niet. Overigens is er nog een tweede dialoog met deze naam, maar het staat wel vast dat die zeker niet van Plato’s hand is.
Alcibiades I, met als ondertitel ‘Over de menselijke natuur’, is een gesprek tussen Socrates en Alcibiades, later een berucht veldheer die Atheense militaire geheimen verraadde aan Sparta. Maar hier vraagt de jonge, ambitieuze Alcibiades zijn ‘intieme vriend’ Socrates om advies over de juiste voorbereiding op een politieke carrière. Socrates leidt zijn discipel tot de vaststelling dat hij daartoe de oproep van het Delfische orakel moet volgen: ‘Ken je zelf.’ Om zichzelf te begrijpen moet de ziel naar andere zielen kijken, en met name naar datgene in hen wat het ‘meest goddelijke’ is, de wijsheid. Met zelfkennis kunnen we voor onszelf en anderen zorgen, en die zorg is net zo nodig voor een individu als voor de (stads)staat. Het is ook de wijsheid als hoogste deugd die ons uiteindelijk gelukkig maakt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Non scholae sed vitae discimus = ‘Je leert niet voor school, maar voor het leven’

??

@Antwoord = Deze bekende uitspraak is het motto van veel scholen over de hele wereld en wordt vaak toegeschreven aan de Romeinse filosoof Lucius Annaeus Seneca (4 v.Chr.-65 n.Chr.). In werkelijkheid zei Seneca (Epistulae 106, Over de stoffelijkheid van de deugd) precies het omgekeerde: ‘Non vitae sed scholae discimus.’ Hij bedoelde dat de kwestie of de deugd stoffelijk is, een vraag is voor een geleerde, maar niet voor iemand die wijsheid voor het leven zoekt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is de levenswijsheid van dwazen, die echter maar al te vaak voorkomt, dat men slechts door schade en schande wijs zou kunnen worden.

Desiderius Erasmus in ‘Traktaat over opvoeding en onderwijs’ (1529) in Over opvoeding en vrije wil (1992)

In het Rotterdam van zijn tijd en de rest van zijn wereld ziet Desiderius Erasmus (1468–1536) om zich heen dat er wel wordt gezorgd dat een kind lichamelijk zonder gebreken is, maar dat diens geest wordt verwaarloosd. En terwijl een hond wordt geboren om te jagen en de vogel om te vliegen, ‘wordt de mens geboren voor de filosofie en voor eervolle daden’. Om het geluk te proeven tot zijn bestemming te komen is de mens echter afhankelijk van de natuur (aanleg en de ‘diep gewortelde neiging tot het edele’), onderricht (raadgevingen en voorschriften) en oefening (gewoontevorming van de juiste houding).
Nu zijn de voorschriften van de wijsbegeerte ‘als het ware de ogen van de ziel, en op de een of andere manier werpen zij licht op uw weg, opdat u kunt zien wat u te doen staat en wat u vooral niet moet doen’. Bovendien geldt dat de filosofie het kind in één jaar meer leert dan dertig jaar experimenteren, en zij is bovendien een stuk veiliger. Erasmus spreekt er daarom schande van dat mensen er zo weinig voor over hebben om een goede leraar voor hun kinderen te vinden: ‘wanneer iemand geheel en al ongeschikt is voor welke taak dan ook, nalatig, lui, simpel, een slemper, dan draagt u hem het onderwijs van uw zoon op.’ Tegenwoordig is er genoeg geld voor bekwame docenten, alleen is er op school geen tijd meer over voor wijsbegeerte, want alle aandacht is er op gericht om de kinderen die beroepen aan te leren die nodig zijn om goede leraren te kunnen betalen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Op de bodem van de ziel liggen bepaalde inzichten waarvan wij ons weinig bewust zijn en die pas bruikbaar beginnen te worden wanneer zij geformuleerd zijn.

Lucius Annaeus Seneca in Brieven aan Lucilius (nr. 94)

Aan het eind van zijn leven belicht Seneca (4 v.C.–65 n.C.) zijn stoïcijnse moraal in een reeks brieven aan zijn vriend Lucilus, waarvan er 124 bewaard zijn gebleven. Door de stijl en de behandelde onderwerpen (niet alleen allerlei algemene raadgevingen, maar ook veel Romeinse alledaagsheid) is het een van de persoonlijkste geschriften die uit die tijd is overgeleverd.
In de brief over ‘Het effect van leefregels’ behandelt Seneca eerst uitgebreid de ideeën van de Griekse stoïcijnse filosoof Ariston van Chios uit de derde eeuw v.C. Deze bespreekt het nut van (het overdragen van) leefregels. Ariston meent onder meer dat je beter de bewijzen voor die regels kunt geven dan de regels zelf. Seneca is het niet met hem eens: ‘Onze geest draagt in zich de kiemen mee van alles wat in zichzelf goed is; door een aansporing komen die tot leven.’ Volgens Seneca is het daarom van belang dat gezaghebbende leraren alle in ons verborgen en verbrokkelde inzichten formuleren en onderling verbinden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een verzameling mooie uitspraken is meer waard dan een hoop schatten.

Isocrates

Genoemde uitspraak is natuurlijk vooral waar voor wie zijn beroep heeft gemaakt van het schrijven van toespraken (of kalenderwijsheden), want daarin komt een welgekozen citaat altijd van pas. Dat laatste geldt zeker voor Isocrates (436-338 v.C.), een der grote redenaars van het antieke Athene. Omdat hij een zwakke stem had en nogal snel zenuwachtig werd, schreef hij in eerste instantie vooral voor anderen, maar later stichtte hij een beroemde retorenschool, waaruit volgens Cicero ‘net als uit het paard van Troje enkel vorsten kwamen’.
Anders dan zijn leermeesters, de Sofisten, bracht Isocrates zijn leerlingen niet alleen de theorie en de praktijk van de welsprekendheid bij, maar ook politiek en ethiek. Als docent retorica kwam hij niettemin nu en dan in aanvaring met zijn tijdgenoot Plato, die weinig ophad met de kunst van de welsprekendheid, juist omdat redenaars zowel leerden de waarheid als de leugen te verdedigen. Het moet ook gezegd worden dat Isocrates het verwerven van de deugd nogal opportunistisch propageerde: alleen met een goede reputatie kun je je medeburgers overtuigen …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je weet of iemand verstandig is door zijn antwoorden. Je weet of iemand wijs is door zijn vragen.

Naguib Mahfouz

Na een studie filosofie begon de uit Egypte afkomstige Naguib Mahfouz (1911–2006) aan een schrijverscarrière, die hem onder meer, als eerste en tot op heden enige Arabische auteur, de Nobelprijs voor de literatuur bracht (1988). Na een eerste, naturalistische periode, is zijn werk te karakteriseren als existentialistisch, met als thema de verstoorde verhouding tussen een individu en zijn omgeving. Nog op 82-jarige leeftijd overleefde hij een aanslag op zijn leven door moslimextremisten.
In het citaat verbindt Mahfouz twee bekende filosofische thema’s: ten eerste het verschil tussen (gezond) verstand en wijsheid en ten tweede het belang van het stellen van (de juiste) vragen tegenover het geven van antwoorden. Wie kennis vergaart, ontwikkelt zijn verstand en weet het antwoord op steeds meer vragen. Maar werkelijk inzicht ontstaat alleen waar de juiste vragen worden gesteld. Zoals Socrates al meende dat je met de juiste vragen zelfs een slaaf tot inzicht in de wiskunde zou kunnen brengen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Filosofen zijn buitensporig vaardige moordenaars van vele wijze spreuken.

Timon van Phlius

De in Phlius op de Peloponnesos geboren Timon (ca. 320–230 v.Chr.) was ooit koorddanser, maar werd later een sceptisch filosoof als leerling van Pyrrho, tegen wie ‘geen sterveling het durft op te nemen’. Hij werd beroemd met een reeks satirische gedichten genaamd Silloi, die hij schreef tussen het drinken en filosoferen door. En ‘als hij last had van het lawaai van zijn dienstmeisjes en honden, hield hij op met schrijven, want hij was erg gesteld op een rustig werkklimaat’ (aldus Diogenes Laërtius). Van Timon zijn slechts 140 regels overgeleverd. Bijna alles wat we weten over de inhoud van zijn denken, is gebaseerd op citaten in het werk van Sextus Empiricus. Het citaat lijkt erop te wijzen dat Timon de filosofen verwijt dat zij de wijsheid eerder verkleinen dan vergroten, maar misschien is het wel ironisch bedoeld.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In hemel en aarde is méér, Horatio, dan waar je wijsbegeerte van durft dromen.

William Shakespeare in Hamlet, Eerste bedrijf, Vijfde toneel (ca. 1602, 2007)

Hoewel dit beroemde toneelstuk vol ‘actie’ zit, wordt het wel beschouwd als het meest filosofische dat William Shakespeare schreef. Hamlet, ‘de mijmeraar over de lotsbestemming van de mens’ (Willy Courteaux), blijft ook nadat er bibliotheken over zijn volgeschreven een groot raadsel, ‘de Mona Lisa van de literatuur’ (T.S. Eliot).

In het stuk speelt Horatio, de beste vriend van Hamlet, een belangrijke rol als de rationalist die garant staat voor de realiteit van de geest (van Hamlets vader) die komt vertellen dat hij is vermoord door zijn broer.

Hamlet spreekt zijn sceptische studievriend dus aan op diens ‘wijsbegeerte’, die geen plaats zou laten voor … ja, voor wat eigenlijk. De Engelse tekst luidt: There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy. Volgens Charivarius (in Is dat goed Nederlands?, 1940) wordt dit ten onrechte wel vertaald als ‘Er is meer tussen hemel en aarde dan uw filosofie vermoedt’, waarvan het eerste deel een vaste uitdrukking is geworden. Charivarius vindt het dan echter een banaliteit worden: ‘uw filosofie kan niet alles tussen het uitspansel en de grond verklaren.’ In het origineel wordt echter het voorzetsel ‘in’ gebruikt, en daarmee is het niet langer banaal: ‘Er zijn meer bovenaardse en aardse dingen dan uw filosofie bevroedt.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wijsheid is als airmiles of littekenweefsel: als het meer wordt, gebeurt dat bij toeval terwijl je met iets anders bezig bent.

Barbara Kingsolver, ‘How to be hopeful’, toespraak bij de afstudeerceremonie van Duke University, North Carolina, VS (11 mei 2008) 

De Amerikaanse schrijfster Barbara Kingsolver (1955) herinnert zich nog hoe zij zich voelde toen ze zelf net was afgestudeerd: alsof ze vrijwel alles wist. Tientallen jaren later kan ze bijna niet geloven hoe weinig kennis ze bezit. In de tussentijd is ze dus haar slimheid kwijtgeraakt, en weet ze wel beter. Terwijl je wijsheid eigenlijk niet actief kunt verwerven (zie het citaat), verwachten mensen wel dat je ‘wijs’ bent als je gestudeerd hebt. Ook van schrijvers verlangen mensen dat. Als ze van een boek houden, bedoelen ze meestal dat ze het een wijs boek vinden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wie anderen kent is wijs; wie zichzelf kent is verlicht. Wie anderen overwint is sterk; wie zichzelf overwint is machtig.

Laozi in Tao te tsjing (vertaling Carolus Verhulst, 1979)

Volgens de overlevering is deze klassieke (= tsjing) tekst over de weg (= Tao) van de deugd (= te) in de zesde eeuw voor Christus opgeschreven door Laozi (Laoa Tze of Lao-tse) (604-507 v.Chr.). Deze stichter van het taoïsme is daarmee een tijdgenoot van Confucius, van Gautama Siddharta (de Boeddha) en van de joodse profeten Jeremia, Ezechiël en Jesaja. Laozi zou zijn ideeën hebben opgeschreven op verzoek van een grensbeambte die hij ontmoette toen hij na een bestaan als staatsarchivaris met onbekend bestemming was vertrokken op een reis waarvan hij niet zou weerkeren. Overigens is het een leer-die-geen-leer-wil-zijn. De openingszin luidt: ‘Het Tao dat kan worden uitgesproken / is het eeuwige Tao niet.’

Op internet vind je een site (http://home.pages.at/onkellotus/TTK/_IndexTTK.html) met maar liefst 150 vertalingen van de Tao te tsjing, waarvan vijf in het Nederlands (en daar is de op de voorkant geciteerde nog niet eens bij). In deze vertalingen wordt vooral gevarieerd op slim, wijs en verlicht en op machtig, standvastig, krachtig en sterk. Een prozavertaling is die van Roel Houwink (1985): ‘Mensenkennis getuigt van schranderheid, zelfkennis getuigt van inzicht. Wie anderen overheerst, bezit macht; zelfbeheersing geeft blijk van innerlijke kracht.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De HEER heeft mij vóór al het andere verworven / toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij.

Spreuken 8:22 (Nieuwe Bijbelvertaling)

Wie is hier aan het woord? Degene die door filosofen wordt begeerd: Wijsheid. Volgens kerkhistorica en theologe Annine van der Meer gaat het hier om de godin Sophia. Volgens haar zijn er zelfs Aramese vertalingen uit het Hebreeuws van Bijbelboek Genesis waaruit blijkt dat de redacteur pas in de zesde eeuw het woord ‘wijsheid’ heeft vervangen door ‘begin’. Eigenlijk luidt de eerste zin van het heilige boek van de christenen: ‘Samen met Wijsheid/Sophia schiep God de hemel en de aarde.’ Vandaar dat Van der Meer de ‘Academie PanSophia, kenniscentrum matriarchaat en eenheidsbewustzijn’ heeft gesticht.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

God, geef mij de kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen, de moed om te veranderen wat ik kan veranderen en de wijsheid om het verschil tussen beide te zien.

Reinhold Niebuhr? (1943?)

Het zogenoemde ‘sereniteitsgebed’ is vooral beroemd geworden omdat het door de Anonieme Alcoholisten is geadopteerd als een soort samenvatting van de diepste wens van hun leden. Lange tijd werd het citaat toegeschreven aan de Amerikaanse, protestantse theoloog Reinhold Niebuhr (1892-1971), al zijn er volgens sommigen varianten van het idee te vinden bij Franciscus van Assisi en Aristoteles. De dochter van Niebuhr, Elisabeth Sifton, schreef in 2003 een boek over het gebed, waarin ze het dateert in een preek van haar vader uit het jaar 1943.
De samensteller van The Yale book of quotations, Fred R. Shapiro, heeft echter citaten gevonden in krantenartikelen uit de jaren dertig van de twintigste eeuw, die sterk lijken op het gebed, zonder dat daarin wordt verwezen naar Niebuhr. Overigens was de laatste ook enigszins bescheiden als het ging om zijn auteurschap: ‘Het kan natuurlijk al jaren of eeuwen hebben rondgespookt, maar ik denk toch echt dat ik het heb geschreven.’ Het kan zijn dat Niebuhr zonder dat zich te herinneren al in eerdere preken iets dergelijks had gezegd, en dat hij ook al in de kranten in de jaren dertig wordt geciteerd. Shapiro vindt het dan wel gek, gezien de beroemdheid die hij toen was, dat zijn naam er niet bij werd genoemd.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hoe komt het dat een kreupele ons niet boos maakt en een kreupele geest ons wel boos maakt?

Pascal in De gedachten (1670, 1889; VII:19)

‘Omdat een kreupele erkent, dat wij goed gaan, maar een kreupele geest zegt dat wij hinken.’ Deze idee van Pascal staat in een hoofdstuk dat gaat over ‘’s menschens grootheid en ellende’. Hij verwijst in dit verband ook naar de Griekse stoïcijn Epictetus die zich afvroeg waarom wij niet kwaad worden als iemand zegt dat wij hoofdpijn hebben, maar wel als iemand zegt dat we slecht redeneren of een verkeerde keuze maken. Volgens Pascal komt die kwaadheid in beide gevallen voort uit het feit dat wij wél zeker weten dat we niet kreupel zijn en geen hoofdpijn hebben, maar dat we er níét zo zeker van zijn of wij wel ‘het ware’ hebben gedacht of gekozen. We worden boos als iemand dit aan het licht brengt, en het brengt ons aan het twijfelen. Want bij zoveel verschillende visies moeten we ‘onze wijsheid verkiezen boven die van zoveel anderen, en dat is vermetel en gaat moeilijk’. Pascal raadt de mens daarom aan zich zoveel mogelijk stil te houden en alleen bij God te zijn, want van Hem weten wij dat hij de waarheid is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media