Roem

Het is met de rijkdom net als met zeewater: hoe meer je ervan drinkt, hoe dorstiger je ervan wordt.

Arthur Schopenhauer in Bespiegelingen over levenswijsheid (1851)

Volgens Arthur Schopenhauer (1788-1860) is het buitengewoon lastig om te bepalen wat redelijk is om te wensen op het gebied van bezittingen. Volgens hem berust onze tevredenheid in dit verband namelijk niet op een absolute, maar op een relatieve standaard: de ‘verhouding tussen iemands eisen en zijn feitelijke bezit’. Als je je zinnen niet zet op het verkrijgen van bepaalde goederen, dan zul je ze ook niet missen als je ze niet hebt. Maar zelfs wie honderd keer zo veel bezit, kan heel ongelukkig worden omdat hij net dat ene wat hij zo graag wilde niet kan krijgen. Daarom lijken rijken op mensen die zeewater drinken: ze worden alleen maar dorstiger, juist omdat er zoveel wel binnen hun bereik lijkt te liggen. Overigens geldt volgens Schopenhauer hetzelfde voor roem. Wie gewend is dat alle deuren voor hem opengaan omdat hij een beroemde ster is, zal des te ongelukkiger zijn vanwege dat ene luikje wat gesloten blijft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Roem en rust kunnen niet samenleven onder één dak.

Michel de Montaigne in Essays. Een proeve van zeven (Amsterdam, Atheneum, 1993)

De Franse denker Montaigne (1553–1592) zocht graag de eenzaamheid van de werkkamer in zijn toren op, omdat hij meende dat hij daar een ‘vrijer en blijmoediger leven’ zou kunnen vinden. In het leven in de geest vinden we de gemoedsrust die door het drukke bestaan tussen anderen steeds wordt verstoord. Je moet dan echter niet al te eerzuchtig zijn, want roem zul je niet zo snel oogsten als je vasthoudt aan je eigen waarden en principes. Wie Montaignes voorbeeld volgt, kan hem misschien nazeggen: ‘Als ik in dit bestaan aanspraak wil maken op enige roem, is het op de reputatie rustig te hebben geleefd (…) naar mijn eigen maatstaven.’

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media