Skip to content

Gedachten

Schopenhauer

Zoals de vis zich alleen in het water, de vogel zich alleen in de lucht en de mol zich alleen onder de aarde thuis voelt, zo voelt ieder mens zich slechts thuis in de hem passende atmosfeer.

Arthur Schopenhauer in De kunst om gelukkig te zijn (Ned. vert. 2011)

Volgens Schopenhauer benijden we vaak ten onrechte anderen om hun positie en omstandigheden, want vaak passen die alleen bij hun karakter en niet bij het onze. ‘Zo is bijvoorbeeld de hoflucht niet voor iedereen geschikt om in te ademen.’ Maar voordat we weten in welke sfeer we het meest gedijen, zullen we door gebrek aan zelfinzicht ‘allerlei tot mislukken gedoemde pogingen ondernemen’ en ons karakter geweld aandoen. En wat we dan, tegen onze natuur in, bereiken, zal ons geen genoegen schenken. Zelfs iets als een goede daad zal in je eigen ogen alle verdienstelijkheid verliezen als je die alleen maar hebt gedaan omdat je dacht dat het zo hoorde en niet vanuit je eigen, welbegrepen wil.
We moeten dus ‘eerst uit ervaring leren wat we willen en wat we kunnen’, en zo een karakter verwerven. Tot die tijd zullen we steeds weer tegen muren oplopen en met geweld worden teruggeworpen op ons eigen levenspad.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Het eerste wat de ervaring te doen staat is ons te bevrijden van de hersenspinsels en onjuiste begrippen die zich in onze jeugd hebben vastgezet.

Arthur Schopenhauer in Bespiegelingen over levenswijsheid (1851, Ned. vert. 1991)

Het is een hele opgave voor ieder mens om uiteindelijk ‘gerijpt’ te worden en de wereld onbevangen, in alle eenvoud te zien en te nemen zoals zij is. Want volgens Schopenhauer hebben jongelui slechts een drogbeeld van de werkelijkheid, ‘samengesteld uit hersenspinsels van eigen makelij, overgeleverde vooroordelen en eigenaardige fantasieën’.
Nu zou het natuurlijk het mooist zijn als je de jeugd hiervoor zou kunnen behoeden. Maar een opvoeding die dat tot doel zou hebben, is volgens Schopenhauer zeer problematisch. Je zou dan de leefwereld van kinderen zeer klein moeten houden en die pas verbreden als ze die helder zouden begrijpen. Een van zijn aanbevelingen voor een dergelijke opvoeding zouden we eventueel wel in de praktijk kunnen brengen. Je moet kinderen dan geen romans laten lezen, maar alleen degelijke biografieën van grote geesten.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Wie alles wil zijn, kan niets zijn.

Arthur Schopenhauer in Metaphysik der Sitten (1820)

Als de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) vijftien jaar is, stelt zijn vader hem voor een duivels dilemma: als Arthur ‘geleerde’ wil worden, en niet koopman zoals zijn vader, dan moet dat maar – maar dan mag hij niet met zijn ouders mee op een lange reis door heel Europa. Het confronteert de jonge denker met zichzelf en met het existentiële dilemma bij uitstek: om te weten wat je moet doen, zou je willen weten wie of wat je bent, maar dat weet je pas als je hebt gekozen.
Als hij later reflecteert op deze situatie, stelt hij vast dat we door iets te kiezen ontelbaar veel andere dingen moeten laten liggen. Mensen die ‘als kinderen’ proberen aan de keuze te ontsnappen door ‘als een dwaallicht’ van het een naar het ander te rennen, zullen nooit echt iets bereiken. De jonge Schopenhauer kiest uiteindelijk voor de reis en vindt zichzelf later terug in opleiding tot koopman. Uiteindelijk maakt de vroege dood van zijn vader de weg vrij voor een leven als filosoof. En omdat zijn vader een goede koopman was, is de erfenis zo groot dat hij voor de filosofie kan leven, zonder dat hij van de filosofie hoeft te leven.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wijsheid is het hoofdbestanddeel van het geluk. / Een leven in onwetendheid is uiterst aangenaam.

Sophokles in Antigone (1328) / Ajax (550)

In zijn Bespiegelingen over levenswijsheid breekt Arthur Schopenhauer (1788-1860) zich het hoofd over de vraag wie het gelukkigst is. Aan de ene kant heeft iemand die ‘innerlijk rijk’ is verder weinig nodig aan materiële zaken, aanzien of macht. Maar wie intellectueel begaafd is, is ook bijzonder gevoelig voor alle vormen van pijn. En zijn geestelijke grootheid vervreemdt hem van de meeste andere mensen. Daarom zegt men ook wel dat de ‘geestelijk minst bedeelden’ juist het gelukkigst zijn.
Zoals vaak gaat Schopenhauer graag te rade bij de klassieken. En dan stuit hij op diametraal tegenover elkaar liggende uitspraken, zoals die van Sophocles in de twee citaten. Maar ook als je de Bijbel erop naslaat, vind je bijvoorbeeld bij Prediker zowel ‘het leven van de dwaas is erger nog dan de dood’, als ‘want in veel wijsheid is veel verdriet’. Schopenhauer wil daarom het definitieve oordeel over deze kwestie graag aan de lezer overlaten.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Men zal op Schopenhauer moeten teruggrijpen om onze tijd te kunnen verstaan.

Rüdiger Safranski in Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie (1987)

In zijn voorwoord tot de biografie van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) zet Rüdiger Safranski (1945) diens diepgevoelde pessimisme af tegen het optimisme van Immanuel Kant over de Franse Revolutie. Volgens Kant was de Franse Revolutie een historisch fenomeen dat door de mensheid nooit meer vergeten zou worden ‘omdat het in de menselijke natuur een aanleg en een vermogen ten goede aan het licht heeft gebracht’. Hoewel Schopenhauer altijd zijn diepe bewondering voor Kant is blijven uiten, had hij weinig op met diens heilige geloof in ‘de Rede’. Hij beschouwde de Rede als een ‘leerling-verkoopster’ die overal heen loopt waar haar chef, de Wil, haar naartoe stuurt. Zelf waren die lotgevallen van de wil in zijn persoonlijk leven en het leven in het algemeen een ware nachtmerrie. Om zich daartegen te beschermen, zegt Safranski, integreerde hij die nachtmerrie in de kern van zijn filosofie. Want, zo schreef Schopenhauer, ‘een filosofie waarin men tussen de regels door niet de tranen, het geween en tandengeknars en het getier van een algemene wederzijdse uitroeiing hoort, is geen filosofie’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Vrije tijd zonder studie staat gelijk aan de dood: het betekent voor de mens levend begraven zijn.

Seneca in Epistulae (82, par. 3)

In zijn Bespiegelingen over de levenskunst citeert Arthur Schopenhauer (1788–1860) veelvuldig de klassieken, waaronder Seneca (ca. 4 v.Chr.–65 n.Chr.), om zijn betoog te onderbouwen. Volgens Schopenhauer is ons dagelijks leven ‘vervelend en flauw’, tenminste wanneer het niet door hartstochten – tegenwoordig zegt men wel ‘passies’ – wordt beroerd. Het probleem is dat hartstochtelijk leven al gauw op leed uitdraait en voor Schopenhauer is geluk de afwezigheid van lijden (en kan het nooit meer zijn dan dat). Daarom zijn volgens Schopenhauer ‘alleen diegenen gelukkig die naast de voor de diensten aan de wil benodigde hoeveelheid intellect nog een extra dosis hebben meegekregen’. Zij kunnen namelijk daarmee naast hun alledaagse leven ook nog een intellectueel leven leiden, dat hen op een pijnloze manier vermaakt. Vrije tijd alleen is daarvoor niet voldoende, want zonder intellect ga je dan dood van verveling, zoals Seneca stelt. Volgens Schopenhauer beschermt een intellectueel leven niet alleen tegen de verveling, ‘maar ook tegen de verderfelijke gevolgen ervan’: slecht gezelschap en de ‘vele gevaren, ongelukken, verliezen en verspillingen waarmee men wordt geconfronteerd als men zijn geluk geheel en al in de reële wereld zoekt’. Ter illustratie verwijst Schopenhauer naar zijn eigen filosofie: die heeft hem nooit iets opgeleverd, maar wel veel ‘bespaard’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Positief en volkomen geluk is onmogelijk, alleen een relatief minder pijnlijke toestand mag worden verwacht.

Arthur Schopenhauer in De kunst om gelukkig te zijn (2011)

Als de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860) zelf zijn plan voor een ‘eudaimonologie’, een geluksleer, had uitgevoerd dan was dit zijn eerste stelling geweest. Nu is dat achteraf gebeurd in de vorm van vijftig leefregels die Arthur Volpi ontleende aan het gepubliceerde en ongepubliceerde werk van de aartspessimist.
Het besef dat een ‘relatief minder pijnlijke toestand’ de hoogst haalbare vorm van geluk is, draagt volgens Schopenhauer zelf ook bij tot meer welzijn. Daar hoort dan nog het tweede besef bij: de middelen om die toestand te bereiken, liggen slechts ‘in heel beperkte mate in onze macht’.
Zijn geluksleer zou dan in twee delen uiteengevallen zijn: regels voor onze houding tegenover onszelf en voor onze houding tegenover anderen. Daaraan voorafgaand moest nog het doel worden geformuleerd: waarin bestaat het mogelijke menselijke geluk? Zijn antwoord, in het kort:
1. opgewektheid, een gelukkig temperament;
2. lichamelijke gezondheid, die haast een noodzakelijke voorwaarde is voor 1., en die bevorderd wordt door ‘dagelijks minstens twee uur kwieke beweging in de frisse lucht’;
3. geestelijke kalmte (‘Bezonnenheid vormt het grootste deel van het geluk’ – Sophocles);
4. (een zeer kleine hoeveelheid) uitwendige goederen, namelijk alleen de volgens Epicurus natuurlijke en noodzakelijke.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Sapere aude – heb de moed om wijs te zijn

Horatius in Epistulae I,2,40

Letterlijk betekent de uitspraak sapere aude van de Romeinse dichter Horatius (65–8 v.Chr.) ‘durf te weten’. Deze aansporing nam Immanuel Kant over in zijn programmatische Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? (1784). Daarmee werd het het motto van de Verlichting. Voor Kant ging het erom dat de mens zijn onmondigheid liet varen en niet meer alles aannam waarvan de autoriteiten uit heden en verleden zeiden dat het waar was. De vertaling ‘heb de moed om wijs te zijn’ is ontleend aan Friedrich Schiller die het een ‘veelbetekenende uitdrukking’ van een ‘oude wijze’ noemt.
Zelf denken en kennis vergaren, en je niet op anderen verlaten, maakt je wel eenzaam. Volgens de Duitse filosoof Schopenhauer in Bespiegelingen over levenswijsheid wordt de moed om ‘eigenwijs’ te zijn met het klimmen der jaren echter steeds ‘gemakkelijker en vanzelfsprekender’. Hij ziet het als het lot van ‘alle superieure geesten’ dat ze eenzaam zijn. Maar ‘als men boven de zestig komt, is de hang naar eenzaamheid ronduit natuurlijk’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het zekerste middel om niet heel ongelukkig te worden is niet te verlangen heel gelukkig te worden.

Arthur Schopenhauer in De kunst om gelukkig te zijn (2011)

Met dit citaat begint ‘Leefregel 36’ in het door Franco Volpi samengestelde boekje met verspreide uitspraken van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860) over de kunst van het gelukkig worden. Volgens deze pessimistische wijsgeer wordt onze wereld gekenmerkt door pijn en lijden, en geluk is voor hem vooral de (altijd tijdelijke) afwezigheid van ongeluk.
Een van de manieren waarop wij zelf van invloed zijn op ons geluk is het temperen van ons verlangen ernaar. Juist het ‘verwoede streven naar geluk trekt het meeste ongeluk aan’. Het bescheiden afstemmen van onze aanspraken op genot, bezit, aanzien en eer op onze middelen om die te verwerven, is ‘het zekerste middel om ongeluk te ontlopen’. Schopenhauer citeert met instemming de Romeinse dichter Horatius (65–8 v.Chr.):

‘Wie het gulden midden kiest
die houdt zich zeker verre van de vuiligheid van de vermolmde hut,
maar ook, in bescheidenheid, van de jaloers makende pracht en praal van het koninklijk slot’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Elke van de talrijke zelfmoorden ten gevolge van een ongelukkige liefde vormt een duidelijk bewijs voor de ondeugdelijkheid van de theorie die beweert dat een grote liefde alleen wordt opgewekt om hoe dan ook het vereiste nageslacht voort te brengen, dat

Vladimir Solovjov in De betekenis van de liefde (1892-1894)

De Russische filosoof, schrijver, dichter en mysticus Vladimir Solovjov (1853–1900) gebruikt het liefst voorbeelden uit de wereldliteratuur om te laten zien dat het liefdesgevoel bij de mens geen evolutionair doel dient. Zoals wellicht bekend leed de jonge Werther in Goethe’s Die Leiden des jungen Werthers aan een onbeantwoorde liefde voor Lotte die hem uiteindelijk tot zelfmoord dreef. Na verschijning van de romantische roman volgden vele ongelukkige verliefden in de werkelijkheid overigens zijn voorbeeld. Als de ‘wereldwil’ (Solovjov verwijst o.a. naar Schopenhauer) daadwerkelijk gebruik zou maken van de liefde om te zorgen voor meer of beter nageslacht, kan het toch niet zo zijn dat juiste de grootste liefdes vaak onbeantwoord blijven en helemaal geen (belangrijk) nageslacht voortbrengen. Want als de wereldwil zo zijn best had gedaan Werther in vuur en vlam te zetten voor Lotte, waarom lukt dat dan niet bij haar?

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

… de tijd, de bondgenoot van de waarheid …

Arthur Schopenhauer in Dat ben jij – Over de grondslag van de moraal (1841)

Op zoek naar het fundament voor een ethiek vraagt de Duitse denker Arthur Schopenhauer (1788–1860) zich af wat ons mensen ertoe brengt om af te zien van ons aangeboren egoïsme en in plaats daarvan het goede te doen. Tot zijn grote ergernis won hij met zijn antwoord Über die Grundlage der Moral niet de prijsvraag van de Koninklijke Deense Academie van Wetenschappen. Maar als je je er door hem van laat overtuigen dat de grondslag van de moraal gelegen is in het medelijden met andere levende wezens en dat je daarmee een vorm van onsterfelijkheid kunt bereiken, dan heeft Schopenhauer gelijk met de uitspraak in het citaat. Want de juryleden van die Deense prijsvraag zijn reeds lang vergeten en Schopenhauers gedachtegoed heeft de tijd overleefd.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als Schopenhauer filosofeert over seks, vormen de wereld en hijzelf de grondstof; als de academische filosofen filosoferen, vormt Schopenhauer de grondstof.

Machteld Allan, inleiding tot Hoe te beminnen – Filosofen over seks (2007)

Schopenhauer zelf verbaasde zich er al over dat zo weinig filosofen zich bezighielden met zo’n belangrijk verschijnsel als de seksualiteit. Machteld Allan (1964) vindt na Plato (Alcibiades’ toespraak uit het Symposium) alleen nog wat bij Lucretius en Kant (over het huwelijksrecht en over ‘de plicht jegens je lichaam inzake de geslachtelijke lust’). Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is er weliswaar een aparte discipline ontstaan met een echte Society for the Philosophy of Sex and Love, maar het verschil tussen deze ‘seksfilosofen’ en iemand als Schopenhauer is groot. Net als veel andere filosofie van tegenwoordig is dit volgens haar een typisch wetenschappelijke specialisatie geworden, terwijl seks bij Schopenhauer een substantieel onderdeel is van zijn integrale filosofie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zelfs kennis moet de mode volgen, en waar zij niet van pas komt, onwetendheid voorwenden.

Baltasar Gracián in Handorakel en kunst van de verstandigheid (1647)

De Spaanse jezuïet Baltasar Gracián y Morales (1601–1658) was een machiavellistisch adviseur van hoge adel en machtige politici, en als je zijn illusieloze of zelfs cynische verzameling leefregels tot je neemt, is het te begrijpen dat bijvoorbeeld Schopenhauer er zo van onder de indruk was dat hij het ‘Handorakel’ in het Duits vertaalde.
Volgens Gracián doet een ‘verstandig man’ er goed aan zowel in zijn innerlijk als zijn uiterlijk mee te gaan met zijn tijd, want ‘de voorkeur van de massa geeft in alle zaken de doorslag’. Dit geldt dus zelfs voor kennis, die je beter voor je kunt houden als die op het moment ‘uit’ is. Gracián maakt weliswaar een uitzondering voor de rechtschapenheid, want die is van alle tijden, maar constateert tot zijn leedwezen dat hij leeft in een ‘rampzalige eeuw’ waarin rechtschapenheid als excentriek wordt beschouwd en slechtheid gewoon wordt gevonden. Een wijs man legt zich hier echter bij neer en vindt dat wat het lot hem schenkt belangrijker dan wat het hem onthoudt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Neminem laede, imo omnes, quantum potes juva. [Doe niemand kwaad, maar help iedereen, zoveel je kunt.]

Arthur Schopenhauer in Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal (1840)

De als ‘pessimistisch’ bekend staande Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860) buigt zich over de vraag naar de grondslag of ‘kennisgrond’ voor de moraal, daartoe uitgedaagd door een prijsvraag van de Koninklijke Deense Academie van Wetenschappen. Hij werd niet bekroond.
Toch doet Schopenhauer in zijn antwoord iets wat veel filosofen volgens hem nalaten, namelijk niet alleen formuleren wat het principe van zijn ethiek is, maar ook te zoeken naar de achterliggende reden voor die hoogste deugd. De stelregel (het citaat op de voorkant) is een positief gestelde variant op het aloude ‘wat u niet wilt dat u geschiedt …’. Op zich is dat al een enorme verbetering, omdat het in Schopenhauers formulering oproept tot het juiste handelen, in plaats van bepaalde handelingen te veroordelen. Volgens Schopenhauer komt deze bijna als natuurlijk ervaren ethische grondregel voort uit het aangeboren, ‘alledaagse fenomeen’ van het medelijden, dat de werkelijke basis is van ‘alle vrijwillige rechtvaardigheid en alle echte mensenliefde’.
In een bijlage gaat Schopenhauer nog een stapje verder en vraagt zich af waar dit medelijden zelf vandaan komt. Dat blijkt het feit te zijn dat alle individuen uiteindelijk manifestaties zijn van één en hetzelfde ‘waarachtig zijnde wezen’. Een dergelijke gedachte vindt hij niet alleen terug bij westerse denkers als Pythagoras, Plato en Kant, maar onder meer ook in de Indiase filosofie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Men kan zich wel voornemen de beste te worden, maar zonder natuurlijke aanleg lukt dat niet. Men kan wel beter worden.

Aristoteles in Ethica magna, I, 11, 1187b, 28

In De vrijheid van de wil heeft Arthur Schopenhauer (1788–1860) weinig goede woorden over voor de ‘oppervlakkige en onvaste’ ideeën van Aristoteles (384-322 v.C.) waar het de vrije wil betreft. Voor het citaat uit de Ethica magna maakt Schopenhauer een uitzondering. Hierin toont Aristoteles dat hij net als Schopenhauer vindt dat moraliteit niet iets is wat je kunt verwerven, maar dat iemand aanleg moet hebben voor deugdzaam handelen. Maar voor het overige meent Schopenhauer dat Aristoteles blijft staan voor de ‘vermeende tegenstelling tussen het noodzakelijke en het vrijwillige … als stond hij voor een muur’. Terwijl daarachter zich het (dat wil zeggen: Schopenhauers) inzicht bevindt dat het vrijwillige als zodanig noodzakelijk is, namelijk vanwege het motief dat het handelen bepaalt. Een motief is een oorzaak. Zo zei Aristoteles al: ‘Er zijn verschillende oorzaken; het doel is er een van.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een gedachte komt wanneer ‘hij’ wil, en niet wanneer ‘ik’ wil.

Friedrich Nietzsche in Jenseits von Gut und Böse (1886)

Er zijn ‘onschadelijke zelf-observatoren’ met als bijgeloof dat er zoiets bestaat als een ‘onmiddellijke zekerheid’, zoals ‘ik denk’ (Descartes) of ‘ik wil’ (Schopenhauer). Maar we moeten ons volgens Nietzsche (1844-1900) eindelijk eens van die ‘verleiding door woorden’ losmaken. Het is een bijgeloof, want een onjuiste voorstelling van de feiten, dat logici zeggen dat het subject ‘ik’ de voorwaarde is voor het predicaat ‘denk’. ‘Hét’ denkt en dat het daarbij om een ‘ik’ gaat, is slechts een aanname. Maar eigenlijk moet je nog een stap verder gaan, want met dat ‘het’ ben je de gebeurtenis van het denken ook al aan het uitleggen. Men denkt veel te simpel dat je vanuit de vaststelling dat denken een handeling is, moet afleiden dat er dan iets moet zijn dat handelt. Vroeger zochten natuurkundigen ook naar de ‘kracht’ in een stukje materie, een atoom. En ga maar na: waar komen je gedachten vandaan? Je bent er alleen maar verantwoordelijk voor ‘waar ze naar toe gaan’: welke woorden je ervoor kiest en of je ze uitspreekt of niet.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat het solipsisme bedoelt, is helemaal juist, het laat zich alleen niet zeggen, maar het toont zich.

Ludwig Wittgenstein in Tractatus Logico-Philosophicus (1921)

Iedereen die op feestjes met filosoferen begint, bedenkt wel een keer een variant van het solipsisme, de overtuiging dat alleen het eigen subjectieve bewustzijn echt bestaat en dat al het andere alleen maar ‘in je hoofd zit’. Daarbij moet je nog oppassen want volgens Schopenhauer behoren mensen die een radicaal solipsisme aanhangen in het gekkenhuis te zitten. Overigens zou Schopenhauer weleens gelijk kunnen hebben, in zoverre dat een psychose vaak samengaat met hallucinaties of wanen, ervaringen of gedachten die niet echt bestaan, maar alleen voor de psychoticus zelf.
Voor veel filosofen is een theorie per definitie onjuist als daar een solipsisme in aan te wijzen of uit af te leiden is. Maar Wittgenstein zegt dat het solipsisme waar is. Volgens hem vallen de grenzen van de wereld samen met de grenzen van de taal en aangezien het míjn taal is, zit de wereld dus in mijn hoofd. Het denken van Wittgenstein wordt vaak in twee delen gesplitst. Je zou kunnen zeggen dat de gedachte dat een taal in één hoofd kan zitten, behoort bij de Wittgenstein uit de eerste periode. Later zal Wittgenstein steeds meer gaan beseffen dat taal alleen te begrijpen is als gebaseerd op een gedeelde levensvorm.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top