Skip to content

Gedachten

Taal

Hoe meer mensen kunnen lezen, hoe meer analfabeten je krijgt.

Frans Breukelman, geïnterviewd in De Stem, 19 maart 1988

Het blijft een wonderlijk gegeven dat enkele van de grote wijsheidsleraren uit zeer uiteenlopende tradities – Socrates, Jezus van Nazareth, Lao Tse (of Laozi) – zelf niet of nauwelijks een woord op papier hebben gezet. Wilden zij niet dat hun woorden ‘ver-eeuwigd’ werden? Misschien had het te maken met hun doelstelling. Hun spreken was niet, over de hoofden van hun toehoorders heen, gericht op latere generaties en ‘doelgroepen’. Zij wilden met hun woorden het leven van hun concrete gesprekspartners veranderen.
Dominee Frans Breukelman windt zich op over nieuwe Bijbelvertalingen, zoals die van de zogenaamde Groot Nieuws Bijbel met als ondertitel ‘vertaling in omgangstaal’. Zodra er geen onderscheid meer bestaat tussen het spreken van profeten en apostelen en dat van gewone mensen in een willekeurig tijdsgewricht, kunnen zij de woorden niet meer horen. Hij betreurt soms zelfs de uitvinding van de boekdrukkunst: ‘Het ergste wat het levende Woord kon overkomen, was dat het in drukletters werd gevangen.’ Hij breekt dan ook een lans voor de oude Statenvertaling uit 1635, waarin zo letterlijk mogelijk werd vertaald en waar nodig nieuwe taal werd geschapen. Dat is precies het omgekeerde van wat Luther en latere vertalers deden die de taal van het volk van hun tijd volgden in plaats van die te bepalen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Dat wij ons in 1984 niet in de door Orwell beloofde situatie bevinden, is een gemeenplaats. Er wordt te vroeg gejuicht.

Jean-François Lyotard in Het postmoderne uitgelegd aan onze kinderen (1986, 1987)

In zijn beroemde boek 1984 uit 1948 laat George Orwell ons van binnenuit meemaken hoe het is om te leven in een totalitaire staat. Er is permanent oorlog, in steeds wisselende coalities, tegen steeds wisselende tegenstanders, en de geschiedenis wordt voortdurend letterlijk herschreven. Een van de schokkendste aspecten van deze dictatuur is de kidnapping van de taal. In de zogenaamde newspeak wordt het steeds onmogelijker om die dingen uit te drukken die de macht zouden kunnen aantasten.
Toen de Franse filosoof Jean-François Lyotard het postmoderne ging uitleggen aan zijn kinderen, leek Orwells dystopie niet uitgekomen te zijn. Toch meent Lyotard dat er ontwikkelingen zijn die iets totalitairs in zich hebben (en die hebben zich inmiddels alleen maar doorgezet). Hij noemt om te beginnen de ‘veralgemenisering van de binaire talen’, oftewel het denken in termen van of-of, ja-nee of de nullen en enen van de computer. Verder denkt hij aan ‘het verdwijnen van het verschil tussen hier-nu en daar-toen’ als gevolg van de telebetrekkingen (tv en ICT), en het vergeten van gevoelens ten gunste van strategieën, ‘wat samenvalt met de hegemonie van de handel’. Deze situatie bedreigt het schrijven, de liefde en de individualiteit en is volgens Lyotard daarom ‘in haar diepste wezen’ verwant aan de door Orwell beschreven dreiging.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hoe weet ik wat ik denk, totdat ik zie wat ik zeg?

E.M. Forster, geciteerd door Daniel Dennett in Het bewustzijn verklaard (1991, 1995)

Als we nadenken over wat we in feite aan het zeggen zijn, zonder dat we onszelf corrigeren, ontdekken we vaak pas wat we denken. Tenminste dat denkt Daniel C. Dennett (geb. 1942) als hij zich buigt over de vraag wat woorden met ons doen. We zijn dan dus in dezelfde positie als iemand anders die ons kritisch aanhoort of probeert te begrijpen, al is het voor ons misschien wat persoonlijk overtuigender en doet het ons wat authentieker aan. Dennett noemt in dit verband nog een voorbeeld uit het leven van de Britse filosoof Bertrand Russell. Nadat zijn andere dinergasten waren vertrokken, zat Russell nog tot diep in de nacht bij de open haard te praten met lady Ottoline Morrell. Bij die gelegenheid verklaart hij haar zijn liefde. Enkele dagen later schrijft hij daarover in een brief: ‘Ik wist niet dat ik van je hield totdat ik hoorde dat ik het tegen je zei – één ogenblik dacht ik: allemachtig, wat heb ik gezegd? En daarna wist ik dat het de waarheid was.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

… zulke dingen als het stellen van vragen of het doen van mededelingen zijn op een volkomen overeenkomstige manier aan regels onderworpen handelingen als het maken van een doelpunt bij voetbal of het uitvoeren van een paardensprong bij schaak.

John Searle in ‘Wat is een taalhandeling?’ (1965, 1981)

Alles wat wij zeggen of schrijven heeft niet alleen een bepaalde structuur (grammatica) en betekenis (semantiek), maar het heeft ook altijd het karakter van een handeling, een daad (pragmatiek). In een gesprekssituatie zijn er met de uiting van een spreker zelfs vele handelingen verbonden. Hij beweegt kaak en tong om klanken voort te brengen. Hij doet dingen die behoren tot de klasse van bijvoorbeeld het op de hoogte stellen, ergeren of vervelen van de luisteraar. Daarnaast refereert hij vaak aan mensen of plaatsen. Maar ook verricht hij met het spreken een of meer illocutionaire handelingen (Austin). De Amerikaanse filosoof John R. Searle (geb. 1932) onderscheidt vijf categorieën:

1. ‘beweerders’, waarbij de spreker zich vastlegt op de (on)waarheid van een bewering, bijvoorbeeld door iets mee te delen of te ontkennen;

2. ‘stuurders’, waarbij de spreker probeert de luisteraar ertoe te brengen iets te doen, bijvoorbeeld door een bevel of advies te geven;

3. ‘binders’, waarbij de spreker zelf de verplichting op zich neemt iets te doen, bijvoorbeeld door iets te beloven of te garanderen;

4. ‘uitdrukkers’, waarbij de spreker zijn gemoedstoestand, zoals vreugde of spijt, tot uitdrukking brengt;

5. ‘verklaarders’.

Deze laatste categorie is een bijzondere, want hiermee ‘brengt’ de spreker de werkelijkheid ‘in overeenstemming met’ wat hij zegt. Je kunt hierbij denken aan iemand ontslaan of juist aanstellen. Door te zeggen ‘je bent ontslagen’ wordt dat ook daadwerkelijk het geval. Andere voorbeelden zijn dopen en welkom heten.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het wezen van de rede bestaat er niet in voor de mens een grondslag en vermogens veilig te stellen, maar hem onder kritiek te plaatsen en tot rechtvaardigheid te manen.

Emmanuel Levinas in Totaliteit en oneindigheid (1961)

Het werk van de Joods-Franse denker van Litouwse afkomst Emmanuel Levinas (1906–1995) vormt een bijzonder ‘tegengeluid’ in de filosofie. In de afgelopen eeuwen gingen steeds meer filosofen zich vooral bezighouden met het zoeken van het fundament van de ‘rede’ (het begripsvermogen) en andere menselijke vermogens als de waarneming en de moraal. In feite waren ze voortdurend bezig zichzelf en hun uitspraken te rechtvaardigen.
In zijn zeer diepzinnige, en daarom nogal moeilijk te doorgronden hoofdwerk Totaliteit en oneindigheid komt Levinas tot een omkering van de filosofie. Die vertrekt niet vanuit de (zelf)reflectie, maar vanuit de ervaring van het ‘gelaat van de ander’, onze ‘naaste’ die met zijn blik zegt: ‘dood me niet.’ De filosofie heeft dan slechts tot taak om de consequenties van die ervaring te onderzoeken. Dan blijkt bijvoorbeeld dat het feit dat wij überhaupt taal (kunnen) gebruiken ook afhankelijk is van het feit dat wij er voor de ander zijn. En denk ook niet dat de kwetsbare ander, die ons ‘maant’ tot rechtvaardigheid, onze gelijke is. Hij, maar even vaak zij, is onze leermeester.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat we zeggen legt ons veel uitgebreidere verplichtingen op dan we zouden willen – genoeg om het langzamer aan te doen en na te denken voor we iets zeggen.

Bruno Latour in An inquiry into modes of existence (2013)

Al sinds zijn eerste ‘veldonderzoek’ naar het ‘leven in het laboratorium’ (Laboratory life, met Steve Woolgar, 1979) probeert filosoof en ‘wetenschapsantropoloog’ Bruno Latour (geb. 1947) te begrijpen waarom er zo’n groot onderscheid zit tussen wat de moderne mens doet en wat hij zegt dat hij doet. Zo zeggen de Modernen bijvoorbeeld aan zuivere wetenschap te doen, maar voor hun artikelen gebruiken ze technieken uit de romankunst en de ‘feiten’ waarvan ze spreken zijn het resultaat van een complex politiek spel.
Inmiddels is Latour zelf van strategie veranderd, omdat hij heeft ontdekt dat er diepe, maar tegenstrijdige filosofische overtuigingen zijn die de moderne mens ervan weerhouden zich rekenschap te geven van wat hij doet. En dat laatste is hard nodig gezien de ecologische crisis. Vandaar dat Latour voorstelt over verschillende ‘bestaanswijzen’ te spreken, en het oude onderscheid tussen woorden en dingen, taal en zijn, opnieuw te doordenken. Dan kunnen we inzien dat wat wij zeggen over wat er wel of niet bestaat, grote consequenties heeft voor de werkelijkheid om ons heen en dus vraagt om rustige reflectie. Aan de andere kant krijgen we door dat ‘ontologische pluralisme’ wel een rijkere, meer verscheiden kosmos.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De vriendschap is een kapitaal waarvan de rente nooit verloren gaat.

Johann Georg Hamann in ‘An J.G. Lindner, 1756’ (1905)

Kierkegaard noemde de Duitse filosoof Johann Georg Hamann (1730–1788) ‘zonderling’ (maar dat bedoelde hij als een compliment!). Hamann was afkomstig uit Koningsbergen, de stad waar Immanuel Kant – letterlijk – zijn hele leven doorbracht en wordt gerekend tot de ‘geloofsfilosofen’, samen met onder anderen Schleiermacher en Herder.
Onder invloed van David Hume stelde Hamann zich op het standpunt dat de filosofie moet uitgaan van de zintuiglijk ervaren werkelijkheid. Met name Hamann’s opvatting dat wij als mensen eerst en vooral geboren worden in een ‘taalwerkelijkheid’, die vervolgens ons denken bepaalt, is opmerkelijk. In zijn nadruk op de fundamentele betekenis van ons spraakvermogen, wijst hij vooruit naar 20ste-eeuwse taalopvattingen van bijvoorbeeld Wittgenstein, maar ook van de structuralisten.
Zijn visie op de vriendschap als kapitaal, sluit aan bij een andere, nog recentere, opvatting (van bijvoorbeeld managementgoeroe Stephen Covey) dat wij mensen bij elkaar een ‘emotionele bankrekening’ hebben. Als je te veel van het kapitaal ‘opneemt’ (door gunsten te vragen of iemand te benadelen), kan dat ten koste gaan van de vriendschap, en dan lopen de rente-inkomsten ook terug …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wie zich niet alleen pessimist noemt, maar het ook inderdaad is, zal over dat feit het minst spreken.

Menno ter Braak, ‘Aanvaardend pessimisme’ (Verzameld werk. Deel 7 (1951))

Alleen al door taal te gebruiken geeft de pessimist blijk van optimisme over de mens en zijn cultuur, aldus Menno ter Braak (1902-1940). Het gebruiken van taal betekent immers dat je nog steeds deel wilt uitmaken van de gemeenschap van mensen en daar met je woorden invloed op wilt uitoefenen. Schrijvers en denkers die ontgoocheld, vermoeid of sceptisch klagen over de teloorgang of de illusie van de mensheid en de beschaving, zullen in hun werk daarom altijd een ‘tegenkant’ laten zien, waarmee ze toch nog een ‘positieve verhouding tot het bestaan zoeken’. Als voorbeelden van mogelijke houdingen van deze zelfverklaarde aanhangers van de Weltverneinung noemt Ter Braak de ‘kracht van de burgermanshaat’ en het ‘genot van de uitzonderingspositie’. Er is echter volgens hem ook nog een andere mogelijkheid, die wellicht tragisch, maar ook wat heldhaftiger is: het besef dat je ondanks alle desillusie en teleurstelling toch een aardbewoner bent, en ook al ben je dan geen ‘levensgenieter’, toch alleen al daarom ook deel hebt aan wat die aarde wel aan ‘vreugden’ biedt. Als je de betrekkelijkheid en vergankelijkheid van maatschappelijke conventies hebt doorzien, is er misschien een soort aardse mystiek mogelijk, al is het zonder ‘extatisch gezwijmel’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hoe gemakkelijk wordt een mens er niet toe verleid aan zichzelf te denken in abstracte zin, in plaats van aan die ontstellende concreetheid die hij is.

Søren Kierkegaard in Papirer (XI 2 A 88 en 235)

Hoewel het ook volgens Kierkegaard de taal is die de mens onderscheidt van het dier, is het ook een feit dat de mens gemakkelijk op het verkeerde spoor komt omdat zijn opvoeding en opleiding in de vorm van taal plaatsvindt. Omdat de taal iets abstracts is, kan de mens zich gemakkelijk inbeelden dat hij iets waarvoor hij het woord weet ook feitelijk kent. Dat geldt op het natuurwetenschappelijke en esthetische vlak, maar het wordt pas echt erg als dat in de ethiek gebeurt. De geest van het goede kan alleen in de enkeling gestalte krijgen. Maar er zijn vele krachten die de mens tot massa, tot ‘publiek’ willen maken. Zo heeft de ‘dagbladjournalistiek’ volgens Kierkegaard tot doel om ‘ons allen tot exemplaren te doen ontaarden’. En ook de Deense Staatskerk leeft van de macht van het getal van de ‘miljoenen christenen’. De abstracties van het theoretische denken of het burgerlijke christendom zijn dus een bedreiging voor de ethische ontwikkeling van de eenling. Hij beveelt daarom aan om net als Pythagoras het onderricht steeds te beginnen met ‘een stille bezinning op het concrete’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De mens is een kletsmeier, en dat is hij met behulp van de taal.

Søren Kierkegaard in Papirer (XI 2 A 139)

Omdat veel ‘buitengewone mensen’ ooit een uitspraak hebben gedaan die begon met ‘de mens is…’, doet Kierkegaard ook een poging. Het is door de taal dat ieder mens deel heeft aan ‘het hoogste’. Veel mensen menen dat dat het belangrijkste verschil is tussen mens en dier. Maar Kierkegaard ziet mensen vooral ‘participeren aan het hoogste’ door ‘met behulp van taal te leuteren over die participatie’. Dat is volgens hem net zoiets als deel te nemen aan een koninklijk banket vanaf de galerij. Als hij een heiden zou zijn, zou hij denken dat ‘een ironische god’ de mens de taal had gegeven om zich te vermaken met dit zelfbedrog. Maar hij is christen en heeft daarom medelijden met God, die in zijn liefde ons de taal heeft geschonken ‘om het zo voor ieder mens mogelijk te maken het hoogste werkelijk te grijpen’: ‘Ach, met hoeveel pijn moet God het resultaat bezien!’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat het solipsisme bedoelt, is helemaal juist, het laat zich alleen niet zeggen, maar het toont zich.

Ludwig Wittgenstein in Tractatus Logico-Philosophicus (1921)

Iedereen die op feestjes met filosoferen begint, bedenkt wel een keer een variant van het solipsisme, de overtuiging dat alleen het eigen subjectieve bewustzijn echt bestaat en dat al het andere alleen maar ‘in je hoofd zit’. Daarbij moet je nog oppassen want volgens Schopenhauer behoren mensen die een radicaal solipsisme aanhangen in het gekkenhuis te zitten. Overigens zou Schopenhauer weleens gelijk kunnen hebben, in zoverre dat een psychose vaak samengaat met hallucinaties of wanen, ervaringen of gedachten die niet echt bestaan, maar alleen voor de psychoticus zelf.
Voor veel filosofen is een theorie per definitie onjuist als daar een solipsisme in aan te wijzen of uit af te leiden is. Maar Wittgenstein zegt dat het solipsisme waar is. Volgens hem vallen de grenzen van de wereld samen met de grenzen van de taal en aangezien het míjn taal is, zit de wereld dus in mijn hoofd. Het denken van Wittgenstein wordt vaak in twee delen gesplitst. Je zou kunnen zeggen dat de gedachte dat een taal in één hoofd kan zitten, behoort bij de Wittgenstein uit de eerste periode. Later zal Wittgenstein steeds meer gaan beseffen dat taal alleen te begrijpen is als gebaseerd op een gedeelde levensvorm.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top