Vrije wil

In het hart van de machtsverhouding bevindt zich als een voortdurende uitdaging het verzet van de wil en de compromisloze vrijheid.

Foucault, Michel in ‘Hoe wordt macht uitgeoefend’ in Comenius (1987)

Vrijwel gelijktijdig met het overlijden van de Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984) verschenen het tweede en derde deel van zijn in 1976 gestarte drieluik over De geschiedenis van de seksualiteit. Voor veel Foucault-adepten waren deze werken nogal een schok. Niet alleen was de stijl veel toegankelijker dan zijn eerdere studies naar de machtsmechanismen van de menswetenschappen, maar ook hield hij plotseling een pleidooi voor ‘de zorg voor zichzelf’ (de titel van het derde deel). Daarmee was hij medeverantwoordelijk voor een terugkeer van het thema van de levenskunst in de filosofie en het maatschappelijk debat.
Hadden velen uit het eerdere werk van Foucault menen te moeten opmaken dat ‘het subject’, de mens, een willoos slachtoffer van maatschappelijke machtsmachinaties was, nu blijkt er plotseling een compromisloze, ‘onbuigzame’ vrijheid te bestaan. Maar, zegt Foucault, misschien kunnen we nog beter spreken van een ‘agonisme’, een neologisme dat hij omschrijft als ‘een relatie die tegelijkertijd door wederzijdse aansporing en door strijd wordt gekenmerkt’. Hoe meer verzet, hoe meer macht – hoe meer macht, hoe meer verzet.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Angst is de begeerte om een groter kwaad dat wij vrezen, door een kleiner kwaad te vermijden.

Spinoza in Ethica (3, definitie XXXIX, p. 195)

Er wordt wel gezegd dat de Joods-Nederlandse filosoof en lenzenslijper Benedictus Spinoza (1632–1677) meent dat je niets kunt doen wat je niet wilt (omdat je wat je doet blijkbaar wilde). Maar uit zijn beschouwing over de angst blijkt dat hij toch wel oog heeft voor die ervaring die wij allemaal zo goed kennen, namelijk dat wij niet willen wat wij willen of willen wat wij niet willen (zie Stelling 39, opmerking). De vrees drijft de mens ertoe een kwaad dat hij ziet aankomen te vermijden door een geringer kwaad. Als echter niet duidelijk is welk van beide kwaden het grootste is, hebben we een serieus dilemma. Dan wordt de ‘begeerte om een toekomstig kwaad te vermijden … belemmerd door de angst voor een ander kwaad’. Als die beide ‘euvelen’ bovendien zeer groot zijn, noemen we de vrees die we ervaren: verbijstering. Nu kun je het bestaan van de vrije wil theoretisch wel ontkennen (zoals Spinoza doet), maar de ervaring ervan, die de verbijstering is, laat zich niet zomaar uitwissen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Mijn eerste daad van vrije wil is dat ik geloof in vrije wil.

William James in zijn dagboek op 30 april 1870

Deze ferme geloofsdaad stelde de Amerikaanse denker William James (1842-1910) na lezing van de Essais van de in Nederland nauwelijks bekende Franse filosoof Charles Bernard Renouvier (1815–1903). In zijn dagboek noemt hij dit inzicht het gevolg van een ‘crisis’ in zijn leven. Renouvier definieerde de vrije wil als ‘het vasthouden aan een gedachte omdat ik dat verkies, ook als ik andere gedachten heb’. James zag geen reden om deze vrije wil als een ‘illusie’ te zien en daarom besloot hij er ‘voorlopig – tot volgend jaar –‘ van uit te gaan dat het ook geen illusie was. Als je weet dat uit onderzoek blijkt dat het geloof in onvrijheid van de wil leidt tot immoreler gedrag, en als je weet dat James ‘waarheid’ definieerde als ‘wat beter voor ons is om te geloven’, dan zou hij zeker vinden dat het beter zou zijn als wij zijn geloof delen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

In feite zijn er maar twee soorten mensen die beweren dat hun wil niet vrij is: schizofrene patiënten die lijden aan de waan dat hun wil wordt gemanipuleerd en dat hun gedachten worden beheerst door anderen, en daarnaast deterministische filosofen.

Viktor Frankl in Psychotherapy and existentialism – Selected papers on logotherapy (1967)

De Oostenrijkse neuroloog en psychiater Viktor Emil Frankl (1905–1997) is de grondlegger van de ‘logotherapie’, die ook wel ‘de derde Weense school der psychotherapie’ (naast die van Freud en Adler) wordt genoemd. Zelf overleefde hij het concentratiekamp en hij wist dus dat je er in zeer extreme omstandigheden ook onder lijdt dat je steeds een keuze hebt, ook al is dat er een van leven of dood. Dat is een ervaring van de vrijheid van de wil die je niemand gunt.
Wie ondanks alle ervaringen van het tegendeel toch volhoudt dat hij niet vrij is, moet wel bijzondere andere ervaringen hebben om die overtuiging te staven. De schizofreen kunnen we het moeilijk kwalijk nemen: hij ervaart daadwerkelijk dat hij wordt gestuurd door anderen dan zichzelf. Maar die ‘deterministische filosofen’, die menen dat onze wilsbepalingen en handelingen geheel door voorafgaande en uiterlijke omstandigheden bepaald worden, door de genen, de hersenen, de omgeving of iets dergelijks, over welke bijzondere ervaringen beschikken zij? Feit is dat zij als geroepen komen voor eenieder die de verantwoordelijkheid voor zijn daden graag ontloopt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wie kiest, kiest voor allen.

Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1945)

Bij iedere keuze die je maakt die consequenties heeft voor hoe je leeft, hoe je bent, maak je volgens Sartre (1905–1980) een keuze voor bepaalde waarden, en toon je dat je andere waarden minder belangrijk vindt. Waarden kun je bovendien niet als subjectief beschouwen, want anders zijn het geen echte waarden. Als je ervoor kiest om niemand te doden, bijvoorbeeld omdat een mensenleven heilig is, dan kies je er ook voor dat de doodstraf afgeschaft moet worden of blijven. Het kan niet zo zijn dat je vindt dat iedereen zelf moet weten of hij iemand anders doodt, maar dat jij het nou eenmaal niet ‘cool’ vindt (subjectivisme).
Je zou kunnen zeggen dat Sartre hier van de positieve formulering van de categorische imperatief (men moet alleen handelen volgens die maxime waarvan men tegelijkertijd kan willen dat ze een algemene wet wordt), een existentieel of meta-ethisch gegeven maakt: het is geen gebod, maar de logische consequentie van het ‘eerste beginsel van het existentialisme’: dat de mens is wat hij van zichzelf maakt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Men kan zich wel voornemen de beste te worden, maar zonder natuurlijke aanleg lukt dat niet. Men kan wel beter worden.

Aristoteles in Ethica magna, I, 11, 1187b, 28

In De vrijheid van de wil heeft Arthur Schopenhauer (1788–1860) weinig goede woorden over voor de ‘oppervlakkige en onvaste’ ideeën van Aristoteles (384-322 v.C.) waar het de vrije wil betreft. Voor het citaat uit de Ethica magna maakt Schopenhauer een uitzondering. Hierin toont Aristoteles dat hij net als Schopenhauer vindt dat moraliteit niet iets is wat je kunt verwerven, maar dat iemand aanleg moet hebben voor deugdzaam handelen. Maar voor het overige meent Schopenhauer dat Aristoteles blijft staan voor de ‘vermeende tegenstelling tussen het noodzakelijke en het vrijwillige … als stond hij voor een muur’. Terwijl daarachter zich het (dat wil zeggen: Schopenhauers) inzicht bevindt dat het vrijwillige als zodanig noodzakelijk is, namelijk vanwege het motief dat het handelen bepaalt. Een motief is een oorzaak. Zo zei Aristoteles al: ‘Er zijn verschillende oorzaken; het doel is er een van.’
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De mens is naargelang hij wil, en wil naar gelang hij is.

Arthur Schopenhauer in De vrijheid van de wil (1839, 2010, p. 29-30)

In het betreffende boek geeft Arthur Schopenhauer (1788–1860) antwoord op een prijsvraag van de Koninklijke Noorse Academie van Wetenschappen of de vrijheid van de wil kan worden bewezen uit het zelfbewustzijn. Is het met andere woorden zo dat wij, omdat wij ons bewust zijn van onszelf, ook vrij zijn? Volgens Schopenhauer is dat niet het geval: juist omdat het ‘ware wezen van de mens’ zijn wil is, en daarmee de basis van zijn bewustzijn, ‘staat de vraag of hij ook anders zou kunnen willen gelijk aan de vraag of hij ook een ander zou kunnen zijn dan hijzelf is’. En volgens Schopenhauer kan de mens op die vraag geen antwoord geven. Daarom moet de filosoof zich bij de beantwoording van de vraag naar de vrijheid van de wil bedienen van zijn verstand, de rede en de ervaring. ‘Het hoofd heeft de vraag opgeworpen; het hoofd zal haar dan ook moeten beantwoorden.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

[We zijn] altijd bereid (…) te vluchten in het geloof in het determinisme als die vrijheid ons zwaar valt of als we een excuus nodig hebben.

Jean-Paul Sartre in Het zijn en het niet (1943/2003, p. 104)

Uit een onderzoek van de psychologen Vohs en Schooler blijkt dat je door mensen ervan (te proberen) te overtuigen dat de vrije wil niet bestaat, omdat al hun gedrag gedetermineerd is, zorgt dat ze zich sneller schuldig zullen maken aan bedrog. Het motto van het artikel is, hoe kan het ook anders, een citaat uit L’Être et le Néant (1943) van Jean-Paul Sartre (1905–1980). Want Sartre veroordeelde ons tot de vrijheid, door te laten zien dat elke keer dat wij een excuus buiten onszelf zoeken voor ons handelen, wij te kwader trouw zijn. Dat geldt ook voor een beroep op het ‘brein’ dat slechts voor neurowetenschappers toegankelijk is en niet voor onszelf.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het vermogen om te delibereren … heeft … niets anders te bieden dan het heel vaak pijnlijke conflict der motieven, onder voorzitterschap van de besluiteloosheid en met als strijdtoneel het hele gemoed en bewustzijn van de mens.

Arthur Schopenhauer in De vrijheid van de wil (1839, 2010)

Uitgedaagd door de Koninklijke Noorse Academie van Wetenschappen wil Arthur Schopenhauer (1788-1860) best antwoord geven op de vraag: ‘Kan de vrijheid van de menselijke wil uit het zelfbewustzijn worden bewezen?’ Zijn antwoord is: nee. Als je je hier en nu afvraagt of je kunt doen wat je wilt, of je dus vrijheid van handelen hebt, dan kan het antwoord best bevestigend luiden. Maar dan weet je nog niet of je ook vrij bent om te willen wat je wilt. Volgens Schopenhauer liggen de oorzaken waarom je wilt wat je op dit moment wilt buiten het zelfbewustzijn, en wel uiteindelijk in je karakter, dat bepaalt door welke motieven je laat leiden. En dat karakter is zelf aangeboren en onveranderlijk. Door middel van het denkvermogen kan de mens ‘overleggen’, maar dat betekent alleen maar dat hij relatief vrij is om de objecten uit de buitenwereld die als motief op zijn wil inwerken, aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Maar ook dan blijft de mens gebonden aan de allesoverheersende causaliteit: het zijn gewoon verschillende krachten die op hetzelfde lichaam inwerken en het sterkste motief overwint.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De realisering van het hoogste goed in de wereld is het noodzakelijke object van een door de morele wet bepaalbare wil.

Immanuel Kant in Kritiek van de praktische rede (1788, 2006), A219-220.

Veel Kant-adepten die hem alleen als verlichtingsfilosoof willen beschouwen, vergeten het graag, maar in zijn filosofie is wel degelijk plek voor de drie grote metafysische thema’s van het bestaan van God, de vrijheid van de wil en de onsterfelijkheid van de ziel. De onsterfelijkheid van de ziel is een ‘postulaat’, een noodzakelijke vooronderstelling, van Kants ethiek. Want om het hoogste goed te kunnen realiseren is het nodig dat de menselijke ‘neigingen’ volledig overeenstemmen met de morele wet. Nu is echter alleen een heilige in staat om zijn wil volledig te laten samenvallen met de plichten van de zedenwet, ‘een volmaaktheid waartoe geen enkel redelijk wezen uit de zintuiglijke wereld op geen enkel ogenblik van zijn bestaan in staat is’. Toch is die volmaaktheid ‘volgens de principes van de zuivere praktische rede’ noodzakelijk, en buiten de sfeer van de heiligen kan die alleen worden gevonden ‘in een tot in het oneindige doorgaande progressie naar die volledige overeenstemming’ van wil en plicht. We moeten er dus wel van uitgaan dat de ziel onsterfelijk is, zodat hij tijd genoeg heeft om die weg naar zedelijke volmaaktheid af te leggen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Waarom zouden we iets bewijzen, als we kunnen volstaan met het te constateren … de vrijheid is een feit, en niet een kwestie van geloof.

Victor Cousin in Cours d’histoire de la philosophie (1841)

Volgens Schopenhauer (De vrijheid van de wil, p. 53) is Victor Cousin een van de voornaamste van het stel ‘hersenloze filosofasters’, die in de gedachte ‘ik kan doen wat ik wil … de vrijheid van de wil menen te bespeuren en deze dienovereenkomstig als een vaststaand feit van het bewustzijn doen gelden’. Volgens Schopenhauer wordt de mens aangespoord door motieven om te doen wat in zijn karakter ligt. Net als het gedrag van biljartballen wordt bepaald door hun toestand en de krachten die er op in werken, zo bepaalt de wil, in de ‘speciale en individueel bepaalde geaardheid’ die wij karakter noemen, wat wij doen. Ons zelfbewustzijn kan de illusie hebben dat wij ‘kunnen doen wat wij willen’, maar ‘je kunt op elk gegeven moment van je leven slechts één bepaald iets willen, en volstrekt niets anders dan dat ene’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Krijgt een appelboom gewoon appels, of is de appelboom de creator, de schepper van appels?

Marinus Knoope in De creatiespiraal – natuurlijke weg van wens naar werkelijkheid (1998)

Selfmade managementgoeroe Marinus Knoope (1947) had een moeder die weinig consequent was in haar opvoeding, waardoor de kleine Marinus zich al jong gaat afvragen wanneer iets zijn eigen schuld of verantwoordelijkheid is en wanneer niet. Later realiseerde hij zich dat hij eigenlijk worstelde met het probleem van determinisme of vrije wil: ben je als mens voorbestemd tot het ondergaan van een bepaald lot of ben je vrij om je wensen te realiseren? Voor een tuinder lijkt het bij appelbomen duidelijk: die krijgen gewoon appels, punt uit. Maar, zegt Knoope, stel dat jij een appelboom bent, hoe kijk je er dan tegen aan: ‘Je hebt net een strenge winter overleefd en een lente achter de rug met een paar keer flinke nachtvorst. De zomer was zo nu en dan erg droog, maar aan het begin van de herfst heb je toch een paar schitterende appels hangen. Dan ben je toch trots op die prestatie. Je hebt er heel wat voor moeten doorstaan en voor moeten doen.’

Knoope denkt dat de vraag of je uiteindelijk vrij bent om van je leven te maken wat je wilt, misschien de verkeerde is: ‘Misschien ben je wel voorbestemd juist omdat je hier bent om je eigen wensen te realiseren.’ En hij waarschuwt: pas op met wat je wenst, het zou zomaar uit kunnen komen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Uit de verlatenheid vloeit voort dat wijzelf ons wezen kiezen.

Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1965)

Aan de hand van concrete voorbeelden legt Sartre in dit op verzoek geschreven boekje zijn belangrijkste existentialistische ideeën uit. Een van zijn leerlingen was hem in de oorlog om raad komen vragen. Zijn vader had zijn moeder verlaten en neigde naar collaboratie en zijn oudste broer was bij de Duitse inval gesneuveld. De student zat vol wraakgevoelens en wilde eigenlijk naar Engeland vluchten en zich bij de Vrije Fransen aansluiten. Hij wist echter dat hij nog de enige zin was van het leven van zijn moeder en dat ze wanhopig zou zijn als hij weg zou gaan. Bij de moraal kon hij geen uitsluitsel vinden. Welke waarde zou immers in zijn geval de doorslag moeten geven? Zelf denkt de student dat hij zijn ‘gevoel’ moet volgen, maar Sartre meent dat de kracht van zijn gevoel (voor moeder of vaderland) alleen achteraf bepaald kan worden: ‘Ik kan zeggen: ik houd genoeg van mijn moeder om bij haar te blijven, maar alleen als ik inderdaad bij haar ben gebleven.’ Zelfs de eventuele raad die Sartre hem zou geven, heft de eenzaamheid van de ‘veroordeling tot de vrijheid’ niet op: ‘als men een raadsman kiest, engageert men zich wederom.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De rekenmachine doet dingen, die het denken nader komen dan al wat de dieren doen, maar zij verricht niets, dat ons zoude mogen doen zeggen, dat zij een wil heeft zooals de dieren.

Blaise Pascal in De gedachten (1670, 33:24)

Blaise Pascal (1623-1662) was de tweede (na de Duitser Schickard) die een rekenmachine ontwierp, die Pascalina wordt genoemd. De ‘gedachte’ die Pascal eraan wijdt, betreft een kwestie die nog altijd de gemoederen bezighoudt: de vraag of een machine kan denken, en zo ja, wat dan het verschil is met levende wezens. Psychologen en neurologen geloven niet meer in zoiets als ‘de wil’ en je zou dus zeggen dat ze zich dus niet hoeven te laten verontrusten door Pascal bij hun gelijkstelling van mens en machine: beide doen alles wat ze doen omdat ze nu eenmaal zo geprogrammeerd zijn. Maar waarom spraken we eigenlijk vroeger over ‘de wil’ als we levende wezens beschouwden? Omdat we levende wezens allerlei dingen zien doen die ze zelf belangrijk vinden. Sommige techniekfilosofen draaien daarom de zaak om en zeggen dat ook machines een wil hebben en zelfs een moraal (al is het soms nogal een beperkte). Een rekenmachine doet niets liever dan rekenen, en vindt rekenen het belangrijkste wat er is. Het is aan ons om te zorgen dat ze nooit aan de macht komen. Maar misschien zijn ze dat allang.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media