Goed

Door in de beslissing bij het goede te willen zijn en te blijven, wordt heel veel tijd gewonnen.

Søren Kierkegaard in Onverdeeld één ding te willen

In een lange toespraak vraagt de Deense denker Søren Kierkegaard zich af hoe je ertoe kunt komen om één ding onverdeeld te willen, met andere woorden je hele leven op één ding te richten. Wat zou dat ene dan moeten zijn? Als je erover nadenkt, kun je eigenlijk maar tot één antwoord komen: het goede. Kierkegaard laat ook zien dat het omgekeerde eveneens het geval is: als je het goede wilt, kun je eigenlijk alleen maar dat willen. Dat betekent dat alles wat je doet gericht moet zijn op het goede.
Je zou je kunnen afvragen of dat niet veel te veel gevraagd is. Nee hoor, zegt Kierkegaard, want wat doen die mensen die het zo druk hebben dat ze geen tijd hebben om onverdeeld het goede te doen? Mensen die klagen over hun gebrek aan tijd, brengen die voornamelijk door met ‘weifelachtigheid, afleiding, halve gedachten, halve besluiten, besluiteloosheid’. Nu alleen nog even bedenken wat ‘het goede’ is … Voor Kierkegaard is dat duidelijk: de liefde voor God en je naaste.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

De natuur heeft de mensheid onder de heerschappij gesteld van twee soevereine meesters: pijn en genot.

Jeremy Bentham in ‘Een inleiding tot de beginselen van moraliteit en wetgeving’, in Utilisme (1789, 2020).

Met het citaat begint het boek waarin de Engelse jurist en filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) zijn ideeën over het utilisme uiteenzet. Volgens hem geven alleen pijn en genot aan wat we zouden moeten doen en bepalen ook alleen deze twee wat we zullen doen. ‘Zowel de maatstaf van goed en kwaad als de keten van oorzaken en gevolgen is aan hun troon bevestigd. Zij regeren ons in alles wat we doen, in alles wat we zeggen en in alles wat we denken.’ Er zijn dus zowel logische redenen als empirische redenen te geven waarom het nuttigheidsbeginsel het leidende principe van de moraal moet zijn, want dit beginsel erkent deze ‘onderworpenheid’ en maakt er de basis van voor het systeem dat ‘de structuur van het geluk’ bouwt. ‘Stelsels die dit ter discussie proberen te stellen, geven geluid in plaats van betekenis, grilligheid in plaats van redelijkheid en duisternis in plaats van licht.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Van de geneeskunde wordt bewezen dat die goed is, doordat die de gezondheid bevordert. Maar hoe is het mogelijk om te bewijzen dat gezondheid goed is?

J.S. Mill in Utilisme (1863, 2020)

Volgens de Britse filosoof John Stuart Mill (1806-1873) kun je de theorie die stelt dat nut of (het grootste) geluk het hoogste goed is niet bewijzen in de gebruikelijk zin. Je kunt alleen bewijzen dat iets goed is, door te laten zien dat het een middel is om te komen ‘tot iets waarvan algemeen aanvaard wordt dat het zonder bewijs goed is’. In het citaat geeft hij het voorbeeld van de geneeskunde, die goed is omdat die de gezondheid bevordert, maar als iemand dan zou vragen om te bewijzen dat gezondheid goed is, zou je met lege handen staan. Als iemand dat niet ook ‘vanzelfsprekend’ vindt, eindigt het gesprek. Een ander voorbeeld dat Mill geeft is de muziekkunst. Het luisteren naar of maken van muziek is een genoegen, maar hoe kun je bewijzen dat een genoegen iets goeds is?

Overigens meent Mill dat er een ruimere betekenis van ‘bewijs’ bestaat, namelijk allerlei rationele overwegingen die een intelligent iemand ‘ertoe kunnen brengen al dan niet in te stemmen met de doctrine, en dat staat gelijk aan bewijs’. Voor Mill zelf is gezondheid goed omdat het een genoegen of genot is om gezond te zijn (en pijnlijk om het niet te zijn) en muziek omdat je er genoegen aan kunt beleven. Daarom is hij aanhanger van het utilisme.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zuiverheid van hart is: één ding te willen.

Søren Kierkegaard in Onverdeeld één ding te willen (1847, 2010)

In zijn ‘opbouwende toespraak’ Onverdeeld één ding te willen onderzoekt de Deense filosoof Søren Aabye Kierkegaard (1813–1855) wat het betekent om één ding te willen. Om te beginnen legt hij uit dat het voor een mens alleen mogelijk is om één ding te willen als hij het goede wil. Ga maar na welk ander ding het zou kunnen zijn wat je onverdeeld zou kunnen of willen willen. Vervolgens stelt Kierkegaard dat je ‘om werkelijk en waarachtig één ding te willen’ waarachtig het goede moet willen. En daartoe moet je eerst voor jezelf besluiten om van alle ‘verdeeldheid’ af te zien. Want als je het goede wilt om wat je dat misschien oplevert, of uit vrees voor straf, of als je het goede alleen maar tot op zekere hoogte wilt, dan ben je ‘verdeeld’. Ten slotte stelt Kierkegaarde nog vast dat je om waarachtig het goede te willen daar alles voor moet doen of voor moet willen lijden. Maar ‘in het drukke leven, in handel en wandel, van de ochtend tot de avond, luistert het niet zo nauw of iemand helemaal het goede wil. Als hij maar volop in de weer is …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het is voldoende de hartstochten aan de rede te onderwerpen, en zodra ze aldus zijn beteugeld, zijn ze soms precies even nuttig als in de mate waarin ze naar het extreme neigen.

René Descartes in een brief aan Elisabeth, 18 mei 1645

Anders dan de stoïcijnen is het volgens René Descartes (1596–1650) niet nodig om ons van de hartstochten te ontdoen. Het zijn volgens hem vaak de ‘grote geesten’, wier denkvermogen zo sterk en krachtig is dat ze de hartstochten, waardoor ze vaak ‘sterker dan gewoonlijk worden overweldigd’, toch weten te overheersen. Overigens moeten we ons dan wel eerst ‘zonder hartstocht’ door de rede laten leiden bij het onderzoeken van ‘de waarde van alle volmaaktheden van geest en lichaam’. Zo kunnen we altijd het beste kiezen, want dan blijkt vaak dat we ons bepaalde volmaaktheden moeten ontzeggen om over andere te kunnen beschikken. Maar als we onze prioriteiten eenmaal op orde hebben, kunnen we de hartstochten benutten om ze ons aan de teugels van de rede des te sneller naar het goede te leiden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Waarom is er kwaad en niet eerder het goede?

Emmanuel Levinas, geciteerd in Jan Keij – De filosofie van Emmanuel Levinas (2006)

Volgens Leibniz was de eerste vraag van de filosofie waarom er ‘iets’ is en niet ‘veeleer’ niets. Deze vraag werd onder meer weer opgenomen door Martin Heidegger, de filosoof die in de jaren dertig van de vorige eeuw nog dacht de Führer te kunnen ‘führen’, maar later nooit expliciet rekenschap aflegde van zijn nazisympathieën. De Joodse denker Emmanuel Levinas (1906–1995) werd in eerste instantie sterk beïnvloed door Heidegger, maar ontwikkelde uiteindelijk toch een heel eigen visie op de mens. Volgens hem is de primaire vraag van de filosofie namelijk een heel andere: ‘Waarom is er kwaad en niet eerder het goede?’

Volgens Levinas-kenner Jan Keij beantwoordt Levinas die vraag echter door te onderzoeken hoe het goede mogelijk is. Hij meent dat dat op hetzelfde neerkomt. Levinas ziet het goede als het nemen van verantwoordelijkheid voor de kwetsbare Ander. Uiteindelijk gaat Levinas echter nog een stap verder en stelt hij dat de ethische relatie, het belangeloos geraakt zijn door de Ander, fundamenteel moet zijn, willen er verschijnselen als taal en zorg voor elkaar mogelijk zijn. Daarmee ligt de vraag waarom er dan ook kwaad is, echter nog open.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Voor elke fluitende vogel is er een veelvoud aan vogeltjes die een miserabel kort leven leiden.

Stijn Bruers in Beter worden in goed doen – Vergroot je impact met effectief altruïsme (2018)

Sommigen zullen vinden dat de Vlaamse moraalfilosoof Stijn Bruers absurd ver gaat in het rationaliseren van onze behoefte om goed te doen. Bruers maakt deel uit van een beweging van zogenaamde effectieve altruïsten, die ernaar streven met hun geld en tijd een maximale hoeveelheid aan ‘goeds’ teweeg te brengen. Het kost bijvoorbeeld 40.000 euro om een blindengeleidehond op te leiden waar één blinde een aantal jaren plezier van heeft. Maar voor 40 euro kun je voorkomen dat een kind Afrika blind wordt door een trachoom, een ontsteking van het oogbindvlies. Een effectief altruïst hoeft er dan niet lang over na te denken waar hij zijn geld voor wil inzetten.

Een meer fundamentele vraag is waar wij als individuen, door de keuze van opleiding en werk, en als samenleving, door besteding van belastinggeld, het meeste goed kunnen doen. In dat verband wijst Bruers op het ‘sterk verwaarloosde probleem’ van het enorme leed van veel dieren in het wild, door honger, ziektes, ongevallen, parasieten, roofdieren en gevechten. We mogen dit volgens hem beslist niet onderschatten want het gaat in totaal om triljarden dieren en intense ervaringen van pijn, angst en stress. En hij vindt dat we moeten ingrijpen om dit leed te verlichten, eventueel door te zorgen dat bepaalde soorten (zoals roofdieren) niet meer geboren worden … Wie daar tegen is, is ten prooi gevallen aan de morele illusie dat wilde dieren onze hulp niet waard zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Erkent ge ook een absolute idee op zichzelf van, laten we zeggen, het Rechtvaardige, het Schone, het Goede en al zulke dingen meer?

Parmenides tegen Socrates in de dialoog van Plato Parmenides

Een van de bekendste ideeën van Plato is zijn zogenaamde Ideeënleer. Die naam is overigens misleidend, want het gaat niet om iets wat in ons hoofd zit. Het gaat om het begrip idea, dat ‘gestalte’ of ‘aanblik’ betekent. De algemene gedachte is dat de kenmerken van de dingen die wij waarnemen als het ware zwakke afspiegelingen zijn van eeuwig bestaande Ideeën, of liever: Vormen. Zo is een paard dat je in de wei ziet staan een onvolmaakte manifestatie van het Paard of de Paardheid.

In de dialoog waarin onder meer Parmenides met Socrates in gesprek is over deze Ideeënleer brengt hij Socrates toch even in verlegenheid door te vragen of er naast het Goede en het Schone ook absolute ideeën zijn van ‘haar, slijk, vuil of iets anders zonder enige waarde of belang’. Maar uiteindelijk heeft Socrates tot de conclusie moeten komen, dat die dingen alleen maar dat zijn wat we zien. ‘Menen dat ook daarvan een Idee bestaat, zou, vrees ik, al te buitenissig zijn.’ Toch heeft Socrates weinig andere argumenten om dit onderscheid te maken dan dat hij bang is ‘in een afgrond van haarkloverijen’ terecht te komen en daarin de dood te vinden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het betere is de vijand van het goede.

Montesquieu

Mensen die willen waarschuwen voor de gevolgen van perfectionisme zeggen weleens dat ‘het betere’ de vijand is van ‘het goede’. Deze uitdrukking is ontleend aan het werk van de Franse verlichtingsdenker Montesquieu (1698–1755), die ooit schreef: ‘Le mieux est le mortel ennemi du bien’ (‘het betere is de doodsvijand van het goede’). Over het algemeen wordt ermee bedoeld dat je beter niet fanatiek kunt gaan zoeken naar het allerbeste, want dat is onbereikbaar en zou weleens ten koste kunnen gaan van het uiteindelijke resultaat.

Van later datum is de omgekeerd variant: ‘Het goede is de vijand van het betere (of het beste).’ In managementkringen wordt dit wel gezegd als waarschuwing tegen gemakzuchtigheid. Voor managers is het immers belangrijk dat hun ondergeschikten ‘geen kansen laten liggen’.

Denk vandaag eens na over hoe je ‘bevriend’ kunt raken met het goede én het betere.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Als iemand goede dingen wil en die bezit, is hij gelukkig; maar als hij slechte dingen wil, is hij ongelukkig, ook al bezit hij die.

(de moeder van) Augustinus in Over het gelukkige leven

Toen kerkvader Augustinus zijn wereldse leven achter zich liet, trok hij zich met zijn moeder Monica en enkele goede vrienden terug op een landgoed en voerde daar met hen gesprekken ‘Over het gelukkige leven’ (De vita beata). Een van de vragen die zij zichzelf stellen is of ieder mens die heeft wat hij wil ook gelukkig is. Daarop antwoordt zijn moeder met de woorden uit het citaat. Daarmee heeft zij volgens haar zoon ‘de hoogste top van de filosofie bereikt’. Hij verwijst naar Cicero, die iets dergelijks gezegd heeft, maar een beetje omslachtiger. Zijn moeder is niettemin zo enthousiast bij het horen van Cicero’s woorden, dat Augustinus en zijn vrienden ‘helemaal vergaten dat ze een vrouw was en dachten dat er een beroemd man in hun gezelschap verkeerde’.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Het zijn nooit de bezigheden die een mens opzoeken; drukte zoeken mensen altijd zelf op, en dan prijzen ze zich nog gelukkig ook dat ze het zo druk hebben!

Seneca in Brief 106 – Over de stoffelijkheid van de deugd

De Romeinse stoïcijn Lucius Annaeus Seneca (± 4 v.Chr.–65 n.Chr.) schreef aan het einde van zijn leven een reeks brieven aan zijn vriend Lucilus (Epistulae Morales ad Lucilium) waarin hij zijn denkbeelden uiteenzet, vaak aan de hand van concrete onderwerpen. Het citaat over mensen die niets liever willen dan het druk hebben, klinkt verrassend hedendaags.

Overigens gaat de brief verder over de vraag van Lucilus of ‘het goede’ iets ‘stoffelijks’ is. Seneca meent van wel: ‘Kijk maar wat voor invloed iemands boosheid of wreedheid heeft op zijn gezichtsuitdrukking, of hoezeer dapperheid uit iemands ogen straalt. En doet vreugde ons niet juichen, en houdt gematigdheid ons juist niet tegen? Omdat alleen lichamen een dergelijke invloed kunnen uitoefenen, zijn deze emoties stoffelijk.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De aarde is de wieg van de mens, maar de mens kan niet zijn hele leven in de wieg blijven wonen.

Konstantin Edoeardovitsj Tsiolkovski, in een brief, 1911

De Pools-Russische wiskundeleraar Konstantin Edoeardovitsj Tsiolkovski (1857–1935) wordt gezien als de vader van de ruimtevaarttechnologie. Hij was de eerste die niet alleen bedacht dat raketten op vloeibare brandstof konden vliegen, maar ook hoe dat ongeveer zou moeten. Behalve in de techniek van ruimtevaart was hij ook geïnteresseerd in de ethiek en de filosofie van het leven in de ruimte. Zo meende hij dat wij niet alleen het geluk van alle mensen op aarde, maar van alle wezens in de kosmos moeten nastreven. Zijn ‘kosmische filosofie’ gaat heel ver: geluk is de eeuwige afwezigheid van alle soorten lijden in het hele universum en van alle processen die het goede kunnen vernietigen. In 1926 kwam hij met een ‘Plan voor Verkenning van de Ruimte’, waarvan punt 14 luidt: het bereiken van individuele en sociale volmaaktheid.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Je zou kunnen stellen dat meten een activiteit is die erin bestaat dat je een ‘geheim schendt’.

Jan Hoogland & Maarten Verkerk in Prediker voor managers. Levenswijsheid voor bestuurders en professionals (2010)

De hoogleraren christelijke filosofie Hoogland en Verkerk maken zich zorgen dat de ‘unieke, onvergelijkbare en uiteindelijk onbenoembare kwaliteit van een ding, proces of verschijnsel wordt uitgedrukt in termen van iets heel anders’. Bestuurders en managers zijn nog wel eens geneigd te vergeten dat hun rol in een organisatie een indirecte is: zij moeten het mogelijk maken dat de processen in een organisatie zo op elkaar worden afgestemd dat de mensen op de werkvloer kunnen zorgen voor goede producten, effectieve diensten, inspirerend onderwijs, liefdevolle zorg enzovoort. Om te laten zien dat zij hun werk goed doen, verliezen veel leidinggevenden zich vervolgens in het meetbaar maken van die kwaliteit in termen van efficiëntie, kostprijs, klanttevredenheid, aandeelhouderswaarde, marktaandeel enzovoort. Van de joodse ‘wijsheidsleraar’ Prediker kunnen ze leren dat alle pogingen om ‘het goede’ onder controle te krijgen of te bezitten gedoemd zijn te mislukken. ‘Maar toen nam ik alles wat ik ondernomen had nog eens in ogenschouw, alles wat mijn moeizaam gezwoeg me opgeleverd had, en ik zag in dat het allemaal maar lucht en najagen van wind was.’ (Prediker 2:11) Het goede of de uiteindelijke zin van het leven overkomen je. Je kunt je hoogstens oefenen in de kunst van het ontvangen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De realisering van het hoogste goed in de wereld is het noodzakelijke object van een door de morele wet bepaalbare wil.

Immanuel Kant in Kritiek van de praktische rede (1788, 2006), A219-220.

Veel Kant-adepten die hem alleen als verlichtingsfilosoof willen beschouwen, vergeten het graag, maar in zijn filosofie is wel degelijk plek voor de drie grote metafysische thema’s van het bestaan van God, de vrijheid van de wil en de onsterfelijkheid van de ziel. De onsterfelijkheid van de ziel is een ‘postulaat’, een noodzakelijke vooronderstelling, van Kants ethiek. Want om het hoogste goed te kunnen realiseren is het nodig dat de menselijke ‘neigingen’ volledig overeenstemmen met de morele wet. Nu is echter alleen een heilige in staat om zijn wil volledig te laten samenvallen met de plichten van de zedenwet, ‘een volmaaktheid waartoe geen enkel redelijk wezen uit de zintuiglijke wereld op geen enkel ogenblik van zijn bestaan in staat is’. Toch is die volmaaktheid ‘volgens de principes van de zuivere praktische rede’ noodzakelijk, en buiten de sfeer van de heiligen kan die alleen worden gevonden ‘in een tot in het oneindige doorgaande progressie naar die volledige overeenstemming’ van wil en plicht. We moeten er dus wel van uitgaan dat de ziel onsterfelijk is, zodat hij tijd genoeg heeft om die weg naar zedelijke volmaaktheid af te leggen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Goed is een zelfstandig naamwoord.

Robert M. Pirsig in Lila – An inquiry into morals (1991)

In 417 pagina’s heeft Phaedrus, de hoofdpersoon van Pirsigs tweede boek, een Metafysica van de Kwaliteit uiteengezet. Met twee soorten kwaliteit op vier niveaus heeft hij de geschiedenis van de wereld en het universum herschreven als een ontwikkeling van het Goede en ook een beetje het Kwade. Op de laatste bladzijde komt hij zelf met een samenvatting van dit project: goed is een zelfstandig naamwoord. In Zen en de kunst van het motoronderhoud (1974) had de hoofdpersoon al heel veel moeite gehad met het loskomen van de moderne traditie die slechts twee ‘zelfstandige naamwoorden’ kent: subject en object. Kwaliteit kon niet iets zijn wat óf een ‘feitelijke eigenschap was van de werkelijkheid’, óf ‘alleen maar onze beleving daarvan’.
Uiteindelijk leert Phaedrus meer over kwaliteit van de Amerikaanse indianen, dan van de cultureel-antropologen die hen bestuderen. De antropoloog Boas ontdekt dat de Dakota-indianen ‘goed’ beschouwen als een zelfstandig naamwoord in plaats van een bijvoeglijk. Phaedrus vergelijkt hem met een ontdekkingsreiziger die noteert dat hij ‘geel metaal’ heeft aangetroffen, zonder daar vervolgens iets mee te doen, omdat dat dat niet ‘wetenschappelijk’ zou zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media