Muziek

Van de geneeskunde wordt bewezen dat die goed is, doordat die de gezondheid bevordert. Maar hoe is het mogelijk om te bewijzen dat gezondheid goed is?

J.S. Mill in Utilisme (1863, 2020)

Volgens de Britse filosoof John Stuart Mill (1806-1873) kun je de theorie die stelt dat nut of (het grootste) geluk het hoogste goed is niet bewijzen in de gebruikelijk zin. Je kunt alleen bewijzen dat iets goed is, door te laten zien dat het een middel is om te komen ‘tot iets waarvan algemeen aanvaard wordt dat het zonder bewijs goed is’. In het citaat geeft hij het voorbeeld van de geneeskunde, die goed is omdat die de gezondheid bevordert, maar als iemand dan zou vragen om te bewijzen dat gezondheid goed is, zou je met lege handen staan. Als iemand dat niet ook ‘vanzelfsprekend’ vindt, eindigt het gesprek. Een ander voorbeeld dat Mill geeft is de muziekkunst. Het luisteren naar of maken van muziek is een genoegen, maar hoe kun je bewijzen dat een genoegen iets goeds is?

Overigens meent Mill dat er een ruimere betekenis van ‘bewijs’ bestaat, namelijk allerlei rationele overwegingen die een intelligent iemand ‘ertoe kunnen brengen al dan niet in te stemmen met de doctrine, en dat staat gelijk aan bewijs’. Voor Mill zelf is gezondheid goed omdat het een genoegen of genot is om gezond te zijn (en pijnlijk om het niet te zijn) en muziek omdat je er genoegen aan kunt beleven. Daarom is hij aanhanger van het utilisme.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het geloof en de moraal gaan aan de logica vooraf en vormen er het eigenlijke fundament van.

Harry Mulisch in De compositie van de wereld (1980)

De compositie van de wereld (1980) is het essayistische complement van een van de bekendste romans van de Nederlandse schrijver Harry Mulisch (1927–2010): De ontdekking van de hemel (1992). Op 8 januari 2007 kreeg Mulisch een eredoctoraat voor zijn filosofische hoofdwerk, waarin hij aantoont dat het octaaf (de muziek) ten grondslag ligt aan zo’n beetje alles.

Hij begint echter met een fundamentele bespreking van het principe van de tegenspraak, dat volgens hem eigenlijk het principe van de verboden tegenspraak is. Herakleitos heeft gezegd: ‘Wij zijn en wij zijn niet’, en alle filosofen na hem hebben geprobeerd dit te bestrijden. Aristoteles was daarin het strengst. Volgens hem is het onmogelijk om van mening te verschillen over het ‘beginsel van de fundamenteelste betekenis onder alle beginselen’: iemand kan niet, op dezelfde wijze op hetzelfde moment, zeggen dat een ding iets is en dat het iets niet is. Maar Aristoteles besefte ook dat het niet mogelijk is om dit te bewijzen. Daarom vindt hij dat vragen om een bewijs getuigt van een gebrek aan intelligentie. Het is dus niet alleen onbewezen, maar ook onbewijsbaar, constateert Mulisch. We moeten geloven dat het zo is. Het is dus een dogma en een verbod (men mag er niet aan twijfelen) ineen. Zo bewijst Mulisch dat geloof en moraal het fundament van de logica vormen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Men kan zeer wel verdedigen dat het schriele, zuinige, verzuurde, bekrompen calvinisme, zoals ik dat aan den lijve heb mogen ervaren, eerder bij Seneca vandaan komt dan uit het Woord.

Maarten ’t Hart in ‘Calvijn haalde zijn benepen zuinigheid niet uit de Bijbel’, NRC Handelsblad, 10 juli 2009

Erasmus, die een uitgave van het werk van Seneca bezorgde, had al opgemerkt dat Seneca op een christelijke manier schrijft. Erasmus had andere humanisten opgeroepen om zijn werk te verbeteren en het was de jonge, van huis uit rooms-katholieke humanist ‘Jehan Cauvin’ die zo stoutmoedig was om daaraan gehoor te geven. Hij publiceerde een commentaar op De clementia (Over de mildheid, barmhartigheid) van de Romeinse wijsgeer. Volgens Maarten ’t Hart werd Calvijn door Seneca geïnspireerd tot zijn strijd tegen ‘elke vorm van genieten, elke uiting van levensvreugde, alle tekenen van wuftheid, pronkzucht, pracht en praal’. Seneca was tegen dansen en muziek, waarschuwde voor het gevaar van verliefdheid en omarmde deugden als zuinigheid, tevredenheid met het eigen lot, passieloosheid, enzovoort. Alleen de ‘walgelijke’ predestinatieleer – de overtuiging dat iedereen al is voorbeschikt voor zaligheid of niet, los van zijn daden en deugden – ontleende Calvijn niet aan Seneca. ‘Die heeft de afknijper uit Genève zelf bedacht (ze is namelijk totaal on-Bijbels).’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media