Skip to content

Gedachten

Utilitarisme

Als je je ‘waarom?’ van het leven hebt, dan verdraag je vrijwel ieder ‘hoe?’

Friedrich Nietzsche in Afgodenschemering (1889)

De titel van een van de laatste werken die Friedrich Nietzsche (1844-1900) schreef voordat hij mentaal instortte, Götzen-Dämmerung, is een toespeling op de opera Götterdämmerung (‘Godenschemering’) van Richard Wagner. Ooit hadden ze diep respect voor elkaar gehad, maar Nietzsche was ervan overtuigd geraakt dat Wagner de muziek ‘ziek’ had gemaakt. De ondertitel van Nietzsches werk luidt ‘Of hoe men met de hamer filosofeert’, wat hem de bijnaam ‘de filosoof met de hamer’ opleverde.
Het citaat staat in het hoofdstuk ‘Spreuken en pijlen’, met daarin uitsluitend dit soort aforismen. Het is een eigen leven gaan leiden in boeken over de rol van zingeving en transcendentie in het menselijk leven. Maar eigenlijk blijkt uit de tweede zin, die er zelden bij wordt geciteerd, op welke ‘afgod’ Nietzsche hier zijn pijlen heeft gericht: ‘De mens streeft niet naar geluk; dat doen alleen de Engelsen.’ Dat is een sneer naar de zogenaamde ‘utilisten’, zoals Bentham en Mill, die de morele waarde van een handeling afmaten aan de bijdrage die deze leverde aan het grootste geluk voor het grootste aantal mensen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het zal ooit erkend worden dat het aantal benen, de harigheid van het vel of het hebben van een staart, onvoldoende redenen zijn om een sensitief wezen aan zijn lot over te laten.

Jeremy Bentham in An introduction to the principles of morals and legislation, Volume 2 (1789)

De Engelse jurist, filosoof en sociaal hervormer Jeremy Bentham (1748-1832) is een van de eerst pleitbezorgers van de rechten van het dier. Het utilitarisme, waar hij een van de grondleggers van is, meet de morele waarde van een handeling af aan de mate waarin die handeling een bijdrage levert aan het algemeen nut, dat meestal nader wordt gespecificeerd als het bevorderen van het geluk of het wegnemen van het ongeluk van zo veel mogelijk mensen. Maar volgens Bentham voelen dieren pijn op dezelfde manier als mensen en ‘de dag zal komen dat de rest van het dierenrijk dezelfde rechten zal verkrijgen, die hun alleen door tirannie zijn ontnomen’. Hij wees ook al op het gevaar om ‘logisch redeneren’ als criterium voor mensenrechten te nemen, want dan zouden immers ook baby’s en verstandelijk gehandicapten als louter dingen moeten worden behandeld. ‘De vraag is niet of dieren logisch kunnen redeneren, en ook niet of ze kunnen praten, maar of ze kunnen lijden.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hoe rechtstreekser je erop gericht bent plezier te maximaliseren en pijn te vermijden, hoe groter de kans dat je in plaats daarvan een leven schept dat van alle diepte, zin en gemeenschappelijkheid verstoken is.

Richard Ryan, Veronika Huta en Edward Deci in ‘Living Well: A Self-Determination Theory Perspective on Eudaimonia’ (2013)

Volgens utilitaristen is een handeling ethisch goed als die bijdraagt aan ‘het grootste geluk voor het grootste aantal’. Vervolgens is het natuurlijk nog wel even zaak om te bepalen wat geluk precies is. Volgens een van de grondleggers van deze stroming, Jeremy Bentham, is geluk het hebben van zo veel mogelijk plezier en het ontbreken van pijn. Als je echter empirisch gaat onderzoeken of dat ook werkelijk het geval is, kom je erachter dat mensen die voortdurend bezig zijn om het zichzelf zo gemakkelijk mogelijk te maken en stress te vermijden, vaker depressief worden, in allerlei conflicten verzeild raken en andere nare dingen meemaken. Doordat je stress probeert te vermijden, leveren steeds meer dingen stress op. Als je een beroep op anderen doet voor hulp, krijgen die er steeds minder zin in om die te verlenen, en dus kom je bij moeilijkheden steeds vaker alleen te staan. Van de weeromstuit probeer je nog harder stress te vermijden of te ontsnappen in zelfdestructief, ‘zelftroostend’ vermaak. Psychologen noemen deze ironische neerwaartse spiraal ‘stressgeneratie’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Geluk heeft zich bewezen als een van de doelen van het gedrag, en dus als een van de criteria voor moraliteit.

John Stuart Mill in Utilitarianism (1863)

De hoofdgedachte van het utilitarisme is dat je daden moet beoordelen volgens het nuttigheidsprincipe. Dat wat het menselijk geluk bevordert, is nuttig en dat wat er afbreuk aan doet, is dat niet. Volgens een van de grondleggers van deze ethische stroming, Jeremy Bentham, is het onmogelijk, en ook niet nodig, om dit beginsel te bewijzen. Een van de bezwaren tegen een dergelijke redenering is dat uit het feit dat iets het geval is, niet zomaar geconcludeerd mag worden dat het dan ook zo moet zijn (ought). Volgens de Engelse econoom en filosoof John Stuart Mill (1806–1873) is er echter een goede reden om de utilitaristische theorie niettemin aan te hangen. Die goede reden luidt dat aanvaarding van het nuttigheidsprincipe garandeert dat een daarop gebaseerde moraal niet in strijd is met de grondconditie van de menselijke soort. Met andere woorden: omdat de mens van nature streeft naar geluk, is een dergelijke ethiek goed mogelijk. Daarmee is het utilitarisme nog niet bewezen, het is er wel plausibeler op geworden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een leven is niets waard, maar niets is een leven waard.

André Malraux in Les conquérants (1928), geciteerd in Arthur Koestler in Darkness at noon (1941)

Arthur Koestler moet in Darkness at noon (1941) aan deze zin denken. In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten, zegt Koestler dat de waarde van een enkel leven in de ‘sociale vergelijking’ gelijk is aan nul, terwijl die in de ‘kosmische vergelijking’ oneindig is. Bij nul of oneindig in een vergelijking krijg je de gekste dingen: je kunt dan al gauw bewijzen dat drie gelijk is aan vijfhonderd. En dat gebeurt in elke politieke beweging die zich baseert op de overtuiging dat alles moet worden afgemeten aan het nut voor het geheel of het grootste geluk voor de mensheid (utilitarisme). Het is nu eenmaal zo dat sommige mensen denken dat de wereld er beter aan toe is als er geen Armenen of Turken, Hutu’s of Tutsi’s, joden of moslims bestaan. En wat er gebeurt als die mensen zich ‘de mensheid’ of ‘het geheel’ wanen, dat weten we allemaal. ‘En’, schrijft Koestler, ‘of de weg daarheen gepleisterd is met citaten van Rousseau, Marx, Christus of Mohammed, speelt nauwelijks een rol.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top