Faidros

Een filosoof die wegkwijnt kan in zijn poging een zuiver, onthecht verstand te worden zijn eigen streven naar het goede verhinderen.

Martha Nussbaum in De breekbaarheid van het goede (1986)

In De breekbaarheid van het goede gaat de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (geb. 1947) uitgebreid in op de dialoog tussen Faidros en Sokrates, die niet alleen gaat over de ziel en de liefde maar ook over retorica en de aard van de filosofie. Volgens Nussbaum komt Plato in deze dialoog terug op een aantal al te radicale stellingnames in onder meer Het Bestel (Politeia).
In de Faidros beweert Sokrates dat alleen een god kan zeggen wat een ziel precies is, maar dat de mens wel in staat is om te bepalen waarop een ziel lijkt, namelijk ‘de samengevoegde kracht van een span gevleugelde paarden en een menner’. Dat betekent dat de mens zich dus niet alleen kan richten op zijn geest (de menner), want zonder bijvoorbeeld zijn emoties en zintuigen te voeden (de paarden) weet hij misschien wel waar het span naar toe moet (het goede), maar heeft hij niet de kracht om er te komen …

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Goed is een zelfstandig naamwoord.

Robert M. Pirsig in Lila – An inquiry into morals (1991)

In 417 pagina’s heeft Phaedrus, de hoofdpersoon van Pirsigs tweede boek, een Metafysica van de Kwaliteit uiteengezet. Met twee soorten kwaliteit op vier niveaus heeft hij de geschiedenis van de wereld en het universum herschreven als een ontwikkeling van het Goede en ook een beetje het Kwade. Op de laatste bladzijde komt hij zelf met een samenvatting van dit project: goed is een zelfstandig naamwoord. In Zen en de kunst van het motoronderhoud (1974) had de hoofdpersoon al heel veel moeite gehad met het loskomen van de moderne traditie die slechts twee ‘zelfstandige naamwoorden’ kent: subject en object. Kwaliteit kon niet iets zijn wat óf een ‘feitelijke eigenschap was van de werkelijkheid’, óf ‘alleen maar onze beleving daarvan’.
Uiteindelijk leert Phaedrus meer over kwaliteit van de Amerikaanse indianen, dan van de cultureel-antropologen die hen bestuderen. De antropoloog Boas ontdekt dat de Dakota-indianen ‘goed’ beschouwen als een zelfstandig naamwoord in plaats van een bijvoeglijk. Phaedrus vergelijkt hem met een ontdekkingsreiziger die noteert dat hij ‘geel metaal’ heeft aangetroffen, zonder daar vervolgens iets mee te doen, omdat dat dat niet ‘wetenschappelijk’ zou zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het schrijven van een metafysica is in strikt mystieke zin een ontaarde activiteit.

Robert M. Pirsig in Lila (1991)

Net als in zijn eerste boek over Zen en de kunst van het motoronderhoud (1974) is hoofdpersoon Phaedrus in Lila van Robert M. Pirsig (1928) op reis. Dit keer gaat het per boot en is zijn reisgenoot een vrouw die hij vaag kent. Ook dit keer zijn de reiservaringen van het landschap en het dagelijks leven een spiegeling van wat Phaedrus vertelt over de metafysica van de kwaliteit. En ook is de relatie tussen Phaedrus en Lila (zoals die tussen Phaedrus en zijn zoon in het eerste boek) als het ware een commentaar op de pretentie van de auteur om een metafysica van kwaliteit te ontwerpen. Het antwoord dat hij zelf geeft in het boek is dat het schrijven van een metafysica misschien een ontaarde activiteit is, maar dat ‘een meedogenloos, doctrinair vermijden van ontaarding een ander soort ontaardheid is’, namelijk die van fanatici.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De wet van Phaedrus: Het aantal rationele hypothesen om ieder gegeven fenomeen te verklaren is oneindig.

Robert M. Pirsig in Zen en de kunst van het motoronderhoud (1974)

Het eerste boek van Pirsig (Zen en de kunst van het motoronderhoud, 1974) werd door 121 uitgevers geweigerd, voordat er een bereid was hem 3000 dollar voorschot te betalen. Nog steeds worden er ieder jaar wereldwijd 100.000 exemplaren van verkocht. In eerste instantie formuleert Phaedrus zijn wet nog als een aardigheidje. Maar al gauw wordt het een van de aanwijzingen dat er iets fundamenteel mis is met de westerse rationaliteit die is geculmineerd in de wetenschappelijke methode. In de traditionele wetenschapsfilosofie wordt een onderscheid gemaakt tussen twee ‘contexten’. Je kunt alleen iets zinnigs zeggen over de ‘context van rechtvaardiging’. De redeneringen van een wetenschapper moeten logisch en empirisch deugen. Maar over de ‘context van ontdekking’ hoef je je verder niet druk te maken. Een hypothese mag overal vandaan komen, als hij uiteindelijk maar volgens de regelen der methode wordt getoetst. Je zou kunnen zeggen dat Phaedrus zich er vooral zorgen over maakt dat de ‘beste geesten’ zich dus verre houden van het nadenken over de oorsprong van goede hypothesen. Uiteindelijk ontwikkelt hij een geheel nieuwe metafysica die niet gebaseerd is op rede (rationalisme) of waarneming (empirisme), maar op (de ervaring van) kwaliteit.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media