Rijkdom

Het is met de rijkdom net als met zeewater: hoe meer je ervan drinkt, hoe dorstiger je ervan wordt.

Arthur Schopenhauer in Bespiegelingen over levenswijsheid (1851)

Volgens Arthur Schopenhauer (1788-1860) is het buitengewoon lastig om te bepalen wat redelijk is om te wensen op het gebied van bezittingen. Volgens hem berust onze tevredenheid in dit verband namelijk niet op een absolute, maar op een relatieve standaard: de ‘verhouding tussen iemands eisen en zijn feitelijke bezit’. Als je je zinnen niet zet op het verkrijgen van bepaalde goederen, dan zul je ze ook niet missen als je ze niet hebt. Maar zelfs wie honderd keer zo veel bezit, kan heel ongelukkig worden omdat hij net dat ene wat hij zo graag wilde niet kan krijgen. Daarom lijken rijken op mensen die zeewater drinken: ze worden alleen maar dorstiger, juist omdat er zoveel wel binnen hun bereik lijkt te liggen. Overigens geldt volgens Schopenhauer hetzelfde voor roem. Wie gewend is dat alle deuren voor hem opengaan omdat hij een beroemde ster is, zal des te ongelukkiger zijn vanwege dat ene luikje wat gesloten blijft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als we naar de welvaart en omvangrijke bezittingen van anderen kijken, kunnen we veel genoegen ontlenen aan de gedachte dat wij niet worden geplaagd door dergelijke verlangens, en dat wij evenmin de slaaf zijn van de inspanningen en verplichtingen die nodig zijn om die wensen te vervullen.

Diogenes van Oinoanda (gebaseerd op de Engelse vertaling van Ken Mylot, www.epicurius.info)

Over de Griek Diogenes of Oinoanda (of Oenoanda), die leefde in de tweede eeuw te Lycië in het huidige Turkije, is niets bekend. Hij moet wel rijk genoeg zijn geweest om een ‘stoa’ (zuilengang) te bouwen en daarop de grootste (bekende) inscriptie van de Oudheid te maken. Diogenes had zelf veel gehad aan het praktiseren van de leer van Epicurus, en wilde deze op zijn oude dag overleveren ‘om degenen die na ons komen te helpen’.

Op de lange zijden van een rechthoekig plein stonden inscripties die samen 2,37 m hoog en 80 meter lang waren, en een samenvatting gaven van de filosofie van Epicurus, met nu en dan ook eigen commentaar. Van de oorspronkelijk 25.000 woorden is tot nu toe waarschijnlijk ongeveer een kwart gevonden. Hoe hoger de teksten stonden, hoe groter de letters waren. De bovenste tekstbanen gaan over de ouderdom, verder zijn er brieven en spreuken van Epicurus en Diogenes, en verhandelingen over onder andere ethiek en Plato. Op ooghoogte gaat het over de fysica, zodat de lezer tot een goed begrip van de natuur kon komen, de basis van de leer van Epicurus.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media