Skip to content

Gedachten

Verstrooiing

De natuur zelf geneest mij van deze filosofische melancholie.

David Hume in Traktaat over de menselijke natuur (1739-1740)

Wanneer de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) probeerde met een kosmische blik naar mens en universum te kijken, werd hij geplaagd door ‘filosofische melancholie’: hij begon aan alles te twijfelen en wist niet meer wat de zin van het leven of van denken was. Hij ontdekte echter dat de natuur iets kon waartoe het menselijk verstand niet in staat was: de natuur verdreef de wolken van twijfel en genas hem van deze aandoening door hem af te leiden en hem levendige indrukken te geven via zijn zintuigen. ‘Ik dineer, speel backgammon, converseer en ben vrolijk met mijn vrienden. En wanneer ik na drie of vier uur vermaak zou terugkeren naar die speculaties, dan zouden ze zo koud, geforceerd en belachelijk lijken dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen om er nog mee door te gaan.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Om de omgang aangenaam te maken moet iedereen zijn vrijheid behouden.

François de La Rochefoucauld in Réflexions ou sentences et maximes morales (1665)

De aristocratische Rochefoucauld maakte zich weinig illusies over de deugdzaamheid van de gemiddelde mens. Wat hem betreft zat daar eigenlijk altijd menselijke ijdelheid en eigenliefde achter. Het was voor hem echter geen reden om het gezelschap van anderen te mijden. Net als iedereen verlangt hij ernaar, alleen wil hij wel ‘alle middelen aanwenden om het aangenaam en duurzaam te maken’. Daartoe moeten we elkaar niet te veel verplichtingen opleggen: je zoekt samen verstrooiing of je gaat je gezellig zitten vervelen. Maar als iemand daarbij wegloopt, moet je hem dat ook niet kwalijk nemen. Hij waarschuwt dat het goed is om te bedenken dat je vaak te veel bent, zonder dat je daar het ‘flauwste vermoeden’ van hebt. Het is dus zaak goed op kleine signalen te letten of je iemand niet eigenlijk aan het lastigvallen bent.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Alle ellende van de mensen heeft maar één oorzaak, namelijk dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven.

Blaise Pascal in ‘Over de verstrooiing’ in Gedachten (1669)

Het citaat wordt vaak zo verspreid, maar eigenlijk heeft Pascal (1623–1662) het niet over alle mensen, maar over die mensen die voldoende bezitten om rustig van te leven, maar zich druk bezig houden met hofintriges, zeereizen of het belegeren van vestingen. Blijkbaar zijn zij niet in staat het thuis naar hun zin te hebben.
Toen hij dieper doordacht kwam Pascal echter tot de slotsom dat de grondoorzaak gelegen is ‘in het feit dat wij door onze zwakke en sterfelijke toestand van nature ongelukkig zijn, en wel zo ellendig dat, als we er goed over nadenken, niets ons kan troosten’. Vandaar dat mensen zich zo afmatten om verstrooiing te vinden in het spel, de omgang met vrouwen, oorlogen of topfuncties. Het allerprettigste aan het koning zijn is volgens Pascal dan ook vooral dat iedereen je voortdurend probeert af te leiden en te vermaken. Overigens mogen we het de mensen niet euvel duiden dat ze proberen het zo druk mogelijk te hebben, alleen maken ze de fout te denken dat ze er werkelijk gelukkig van zullen worden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Scroll To Top