Skip to content

Gedachten

Humanisme

Deus est mortali juvare mortalem – dat de ene sterveling de andere helpt, dat is God.

Plinius de Oudere in Naturalis Historia

De Naturalis Historia van Gaius Plinius Secundus maior, of Plinius de Oudere (23/24–79 n. Chr.), wordt wel beschouwd als de eerste encyclopedie. Van dit werk, dat in de laatste Nederlandse vertaling De wereld heet, is slechts een gedeelte overgeleverd. Van Plinius wordt gezegd dat hij weinig sliep om te voorkomen dat hij te veel van het leven zou missen: vita vigilia est – het leven is ‘wakker zijn’. Zo liet hij zich tijdens het eten en baden voorlezen en gaf hij ook anderen opdracht aantekeningen te maken. Overigens was Plinius in de eerste plaats militair en zijn encyclopedie bevat veel fouten en slordigheden, al is hij wel met veel humor geschreven.
Sommigen zeggen dat het citaat waarschijnlijk afkomstig is van de Griekse stoïcijnse filosoof Posidonius, en het is op vele manieren geïnterpreteerd. Zo zou het bedoeld zijn als stelling dat er iets goddelijks in iedere mens zit of juist dat het een soort grondbeginsel van het humanisme is. Jan Sperna Weiland, aan wiens Romeins schetsboek de vertaling ontleend is, ziet het als een motto voor een niet-religieuze benadering van het christelijke evangelie.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Voor de weinigen die nog in de archieven rondkijken, dringt zich het idee op dat ons leven het warrige antwoord is op vragen waarvan we vergeten zijn waar ze gesteld werden.

Peter Sloterdijk in Regels voor het mensenpark (1999)

Dit zijn de laatste woorden van een geruchtmakende rede van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk (1947). Er was een ‘affaire’ geboren toen een aantal, volgens Sloterdijk door Habermas gesouffleerde, journalisten en denkers hem verweten een soort pleidooi voor eugenetica te hebben gevoerd. In doorgaans serieuze media werd gesteld dat Sloterdijk had gepleit voor een doelbewuste genetische selectie en manipulatie van mensen, onder leiding van een filosofische elite. Het merkwaardige is dat Sloterdijk nu juist uitgaat van het feit dat de ‘antropotechnieken’ al overal worden toegepast – en dat het dus voor filosofen zaak is om daar over na te denken. En – zoals het een filosoof betaamd – stelt hij dat onze oude denkcategorieën niet meer voldoen, en introduceert hij een paar nieuwe. Zo denkt hij dat de tijd van de humanisten – en hun boeken als ‘dikke brieven aan vrienden’ – voorbij is en dat de tijd van de archivarissen is aangebroken. Uit zijn lezing blijkt dat Sloterdijk zelf Plato nog wel op zijn nachtkastje heeft liggen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top