Skip to content

Gedachten

Onmenselijkheid

Het ergste wat we onze medemensen kunnen aandoen is niet hen haten, maar onverschillig tegenover hen staan. Dat is de essentie van onmenselijkheid.

George Bernard Shaw in The Devil’s Disciple (1901)

De discipel van de duivel in het toneelstuk van George Bernard Shaw (1856–1950) is Richard ‘Dick’ Dudgeon, het zwarte schaap van een koloniale familie in New Hampshire. Na de dood van zijn vader keert hij voor diens laatste wil terug naar zijn geboorteplaats. De enige die hem daar, ondanks zijn afvalligheid, hoffelijk behandelt, is de plaatselijk predikant, Anthony Anderson. Diens vrouw verzucht dat ze weet dat het verkeerd is om iemand te haten, maar dat ze haar afkeer van Dick niet kan onderdrukken. Dan antwoordt haar man haar dat haat nog altijd beter is dan onverschilligheid. Sterker nog, zo zegt Anthony: liefde en haat lijken nogal op elkaar. Kijk maar naar onze vrienden, zegt hij, hoe die echtparen elkaar kwellen en de maat nemen, hoe zij jaloers zijn op elkaar. En kijk hoe zij hun vijanden bejegenen: gewetensvol en met respect. Zozeer dat ze betere vrienden voor hun vijanden zijn, dan voor hun echtgenoten. Ten slotte suggereert de dominee zelfs dat zijn vrouw misschien wel meer gesteld is op Dick dan op haar eigen man.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ook de mensen scheiden iets onmenselijks uit.

Albert Camus in De mythe van Sysifus (1942)

De bewustwording van het absurde begint met een ‘door verwondering gekleurde verveling’ bij het alledaagse bestaan van werken, eten en slapen. Die verveling is voorwaarde voor bewustwording: ik moet zelfmoord plegen of een geestelijk evenwicht vinden. Dan word je dertig en je ontdekt dat je deel uitmaakt van de tijd en niet langer verlangt naar morgen, maar dat je lichaam in de greep is van de tijd. ‘Deze opstand van ons lichaam, dat is het absurde.’ Vervolgens stuit je op de ondoorzichtigheid en vreemdheid van de wereld om ons heen, ook dat is het absurde. En dan ontdek je ook de ‘onmenselijkheid’ van de andere mensen, ‘hun betekenisloze pantomime’. Camus verwijst in dat verband naar de ervaring van walging, ‘zoals een modern schrijver het noemt’ (Sartre). Maar het is niet zo dat wij voor onszelf wel kunnen ontsnappen aan het absurde: ‘Het absurde is ook de vreemdeling die ons soms tegemoetkomt in een spiegel of de vertrouwde broer bij wie wij ons toch niet op ons gemak voelen, die wij weerzien wanneer we foto’s van onszelf bekijken.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top