Gedachten

Niets maakt slaperiger dan de leer dat er geen toeval is.

K.H. Miskotte in Het gewone leven – in den spiegel van het boek Ruth (1939, p. 147)

De theoloog Miskotte doelt met de leer dat er geen toeval is, op de doctrine dat God van tevoren alles al bepaald heeft, ook of wij ‘gered’ worden of niet. Je kunt ook denken aan het ‘determinisme’ dat veel wetenschappers aanhangen: alles wordt bepaald door de natuurwetten en is in principe verklaarbaar. Er kan dan dus geen ‘toeval’ in de ware zin van het woord zijn. Dat betekent volgens Miskotte dat je beter in je bed kunt blijven liggen met de dekens over je hoofd, wachten tot het voorbij is. Geloof je niettemin wél in toeval, als iets wat je ‘toe-valt’, dan is het zaak voortdurend ‘bereid te zijn’ om het te ervaren.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Onbeduidendheid (…) is de essentie van ons bestaan.

Milan Kundera in Het feest der onbeduidendheid (2013)

Tijdens een wandeling door de Jardin du Luxembourg komt een van Kundera’s hoofdpersonen, Ramon, zijn oud-collega en vriend D’Ardelo tegen. Deze laatste heeft net gehoord dat hij, in tegenstelling tot een eerdere diagnose, toch niet zal sterven aan kanker. Hij verzwijgt dat evenwel voor Ramon en laat het feestje doorgaan dat hij als een ware stoïcijn gepland had omdat het leven toch gevierd moet worden.

Net als bij De ondraaglijke lichtheid van het bestaan kiest Kundera hier voor een paradox in de titel. Want waarom zou je de onbeduidendheid vieren? Dat doe je toch alleen met bijzondere dagen of verdiensten? Na het feestje komen Ramon en D’Ardelo elkaar weer tegen en zegt de eerste tegen de laatste dat de onbeduidendheid de essentie van het bestaan is. ‘Ze is zelfs daar waar niemand haar kan zien. In gruwelen, in bloedige gevechten, in de vreselijkste rampen. We moeten de onbeduidendheid niet alleen herkennen, we moeten van haar houden, van haar leren houden. Hier, in dit park, voor onze neus, kijk, hier is ze in alle vanzelfsprekendheid aanwezig.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zonder inzet gaat de ziel schimmelen.

Ben Schreurs, Filosofisch dagboek (Tijdschrift voor Biografie), 25 januari 1990

De Utrechtse psycholoog Ben Schreurs (1934–2015) promoveerde op de metafysica van Karl Popper en hield een filosofisch dagboek bij dat na zijn dood werd gevonden. Fragmenten daarvan zijn gepubliceerd in het Tijdschrift voor Biografie. Een van de thema’s in het dagboek is de zin van het leven, die volgens hem schuilt in een verhaal of een daad, maar nooit in een theorie.

Het citaat maakt deel uit van enkele gedachten over het goede leven. Volgens Schreurs moet een mens ‘hoog spel’ durven spelen, ‘inzetten op een hoger en intenser leven’. Dat brengt wel onzekerheid met zich mee en uiteindelijk loop je ook het gevaar dat je verliest. Maar het betekent ook dat ‘de mislukkeling’ ons respect verdient: ‘hij heeft ingezet en verloren.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een ander gebrek in het menselijke karakter is dat iedereen wil bouwen en niemand het onderhoud wil doen.

Kurt Vonnegut Jr. in Hocus Pocus (1990)

In 2014 was de toenmalige Denker des Vaderlands René Gude (1957–2015) te gast bij Theo Maassen in het tv-programma 24 uur met … Hij vertelt dat hij het niet ziet als zijn opgave om nieuwe filosofie te verzinnen, ‘er is al zat’, maar alleen maar zo goed mogelijk probeert die van anderen over te brengen. Ook in het algemeen vindt Gude innovatie en vernieuwing maar ‘gedoe’, dat veel onrust teweegbrengt en dat maakt dat er te weinig aandacht is voor wat er al bedacht is. Voor je het weet kom je dan met een idee of een gebouw dat er al lang is. In dat verband citeert Gude ook Vonnegut: ‘… everybody wants to build and nobody wants to do maintenance.’ Gude heeft het als het ware op zich genomen om het ‘onderhoud’ van de filosofie te verzorgen, concludeert Theo Maassen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Alleen al vier keer diep in- en uitademen is meditatie.

Steven Laureys in Humo, 8 april 2019

De Belgische neuroloog en coma-expert Steven Laureys (UZ Luik) vond ‘mindfulness’ altijd een hype in bepaalde bladen en op internet. Maar op zeker moment ontdekte hij, ook uit eigen ervaring, dat je sterker en gezonder wordt als je af en toe ‘de ratelende commentator in je hoofd’ afzet. In het Het no-nonsense meditatieboek doet hij verslag van eigen en andermans onderzoek naar de effecten van meditatie. Hij legde daartoe onder meer meditatie-expert Matthieu Riccard onder de scanner. Daarbij bleek dat die in staat was om zijn gedachtestroom op commando vrijwel helemaal stil te leggen. Op grond van bepaalde metingen was bovendien al eerder vastgesteld dat Riccard ‘het hoogste vermogen tot geluk’ had dat ooit was gemeten.

Maar ook mensen die zich niet kunnen vrijmaken om urenlang op een kussentje te zitten denken aan (vrijwel) niets, kunnen veel baat hebben bij meditatie. Laureys pleit ervoor om meditatie in te voeren als schoolvak. Iedereen kan dan zelf bepalen op welke wijze hij meditatie kan inpassen in zijn of haar leven. Volgens Laureys is vier keer diep in- en uitademen genoeg om je weer met je lichaam en je innerlijk te verbinden en zo veel stress weg te nemen.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Roem en rust kunnen niet samenleven onder één dak.

Michel de Montaigne in Essays. Een proeve van zeven (Amsterdam, Atheneum, 1993)

De Franse denker Montaigne (1553–1592) zocht graag de eenzaamheid van de werkkamer in zijn toren op, omdat hij meende dat hij daar een ‘vrijer en blijmoediger leven’ zou kunnen vinden. In het leven in de geest vinden we de gemoedsrust die door het drukke bestaan tussen anderen steeds wordt verstoord. Je moet dan echter niet al te eerzuchtig zijn, want roem zul je niet zo snel oogsten als je vasthoudt aan je eigen waarden en principes. Wie Montaignes voorbeeld volgt, kan hem misschien nazeggen: ‘Als ik in dit bestaan aanspraak wil maken op enige roem, is het op de reputatie rustig te hebben geleefd (…) naar mijn eigen maatstaven.’

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Het woord ‘psycholoog’ behoort een scheldnaam te zijn op het gebied van de kunst.

Harry Mulisch in Op weg naar de mythe (1954) in Twee opgravingen (1994)

De Nederlandse auteur Harry Mulisch (1927–2010) is bij het grote publiek vooral bekend van wereldwijde bestsellers als De aanslag en De ontdekking van de hemel. Maar minstens zo interessant is zijn beschouwende werk. In de lezing ‘Op weg naar de mythe’ waarschuwt hij zichzelf voor het feit dat hij geen pure kunstenaar is, want die laat zijn schepping los en gaat weer verder, terwijl Mulisch zijn eigen voortbrengselen ook nog wil begrijpen. En dat laatste bedreigt het scheppingsproces ‘als water het vuur’. Een schrijver die zijn eigen werk probeert te begrijpen, loopt het gevaar dat hij vervolgens volgens één van alle mogelijke interpretaties van zijn werk gaat schrijven. Dan wordt zijn werk vanaf dan niet meer dan een allegorie, een metaforische voorstelling van een abstract idee. Aan de andere kant moet Mulisch ook niks hebben van de psycholoog als buitenstaander, die denkt dat je het werk moet begrijpen vanuit het leven van de schrijver. Het is precies andersom: ‘… het echte kunstwerk maakt gebruik van de persoonlijke problematiek van de kunstenaar, teneinde het algemene uit te drukken.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het betere is de vijand van het goede.

Montesquieu

Mensen die willen waarschuwen voor de gevolgen van perfectionisme zeggen weleens dat ‘het betere’ de vijand is van ‘het goede’. Deze uitdrukking is ontleend aan het werk van de Franse verlichtingsdenker Montesquieu (1698–1755), die ooit schreef: ‘Le mieux est le mortel ennemi du bien’ (‘het betere is de doodsvijand van het goede’). Over het algemeen wordt ermee bedoeld dat je beter niet fanatiek kunt gaan zoeken naar het allerbeste, want dat is onbereikbaar en zou weleens ten koste kunnen gaan van het uiteindelijke resultaat.

Van later datum is de omgekeerd variant: ‘Het goede is de vijand van het betere (of het beste).’ In managementkringen wordt dit wel gezegd als waarschuwing tegen gemakzuchtigheid. Voor managers is het immers belangrijk dat hun ondergeschikten ‘geen kansen laten liggen’.

Denk vandaag eens na over hoe je ‘bevriend’ kunt raken met het goede én het betere.

Tevens verschenen op de Levenskunst Kalender © Veen Media

Als we een verslag willen van ongeïnterpreteerde ervaring, moeten we een steen vragen zijn autobiografie te schrijven.

Alfred North Whitehead in Process and Reality (1927-1928, 1978, p. 15)

In zijn boek Process and Reality verdedigt de Britse wiskundige en filosoof Alfred North Whitehead (1861-1947) zich tegen de kritiek op de zogenaamde ‘speculatieve filosofie’, die hij bedrijft. Vanaf Francis Bacon wordt speculatieve filosofie, of metafysica, beschouwd als volstrekt nutteloos. We moeten feiten in detail beschrijven en wetten aan het licht brengen die niet algemener zijn dan een strikte systematisering van die details. Maar volgens Whitehead zijn er helaas geen ruwe, onafhankelijke feiten die los van hun interpretatie binnen een systeem begrepen kunnen worden. Alleen een steen ‘ervaart’ zonder interpretatie. Filosofie moet zich daarom niet bezighouden met het verzinnen van interpretaties, maar wel met kritiek op en rechtvaardiging van de interpretaties die we nu eenmaal gedwongen zijn te gebruiken bij het ervaren van de werkelijkheid.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als iemand goede dingen wil en die bezit, is hij gelukkig; maar als hij slechte dingen wil, is hij ongelukkig, ook al bezit hij die.

(de moeder van) Augustinus in Over het gelukkige leven

Toen kerkvader Augustinus zijn wereldse leven achter zich liet, trok hij zich met zijn moeder Monica en enkele goede vrienden terug op een landgoed en voerde daar met hen gesprekken ‘Over het gelukkige leven’ (De vita beata). Een van de vragen die zij zichzelf stellen is of ieder mens die heeft wat hij wil ook gelukkig is. Daarop antwoordt zijn moeder met de woorden uit het citaat. Daarmee heeft zij volgens haar zoon ‘de hoogste top van de filosofie bereikt’. Hij verwijst naar Cicero, die iets dergelijks gezegd heeft, maar een beetje omslachtiger. Zijn moeder is niettemin zo enthousiast bij het horen van Cicero’s woorden, dat Augustinus en zijn vrienden ‘helemaal vergaten dat ze een vrouw was en dachten dat er een beroemd man in hun gezelschap verkeerde’.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Worden wij het meest gekenmerkt door haat of door liefde?

Frans de Waal in De aap in ons (2005)

Deze en andere vragen zouden bij je op kunnen komen als je ziet dat wij onze voorouders delen met twee qua gedrag zeer uiteenlopende mensapen: de chimpansee en de bonobo. De samenlevingen van de eersten worden gekenmerkt door agressie en hiërarchie, die van de tweede door wederzijdse lustbevrediging en samenwerking. Maar volgens de Nederlandse primatoloog Frans de Waal (1948) zijn het zinloze vragen, omdat wij mensen ‘bipolaire figuren’ zijn. Het is net zoiets als vragen waarmee je het best de oppervlakte van iets kunt bepalen, de lengte of de breedte.

Toch werden westerse biologen lange tijd geplaagd door een sterk vooroordeel: om een of andere reden vonden zij onze competitieve kant ‘authentieker’ dan de sociale kant. De Romeinen zeiden al: Homo homini lupus, de mens is de mens een wolf. En volgens De Waal is dit tot op heden het uitgangspunt voor wetgeving, economie en de politieke wetenschap. Maar dit gezegde geeft niet alleen een verkeerd beeld van ons mensen, het is ook een ‘belediging’ voor de wolf, ‘een van de meest sociale en loyale samenwerkers in het dierenrijk’. Niet voor niets domesticeerden onze voorouders dit dier gemakkelijk en graag tot huisdier.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het zijn niet de daden van een ander, maar onze meningen erover die ons ontstemmen.

Marcus Aurelius in Overpeinzingen (boek 11, 18)

Een van de bekendste uitspraken van Epictetus, een van de leermeesters van keizer-filosoof Marcus Aurelius luidt: ‘Niet de dingen zelf maken de mensen van streek, maar hun denkbeelden erover.’ Iets vergelijkbaars kun je volgens Aurelius ook stellen over de schanddaden van een ander. We moeten ons niet druk maken over de dingen die anderen doen, want die komen immers alleen voor hun rekening. Daartoe hoeven we alleen onze mening los te laten en bereid te zijn ons afwijzende oordeel te laten varen. Dan is alle opwinding voorbij. Hoe je dat moet doen? ‘Door te bedenken dat de daden van een ander u niet tot schande zijn. Als dat wel het geval was, zouden de overtredingen en de onrechtvaardigheden van anderen ons ook aangerekend moeten worden.’ En dat gebeurt gelukkig niet.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Om weer een geheel te worden, moet je eerst de helft willen zijn.

Martha Nussbaum in De breekbaarheid van het goede (1986)

In haar subtiele en kritische interpretatie van het Symposium van Plato, de dialoog over de liefde, bespreekt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (1947) onder andere de theorie van komediedichter Aristofanes. Deze krijgt later het woord dan de bedoeling is, want hij krijg eerst hevig de hik.

Volgens Aristofanes waren wij ooit volmaakte, onafhankelijke wezens, ‘gelijk in elke richting’. Maar vanwege onze hybris hebben de goden ons in tweeën gesneden en ons hoofd omgedraaid, zodat we in de spiegel altijd het ‘grillige snijvlak’ zien. Onze enige hoop op heling is gelegen in hereniging met onze ‘wederhelft’ in de liefde, als het even kan in daadwerkelijke versmelting. We moeten die passende ander alleen nog even vinden. Als dat gebeurt, is dat een wonder.

Maar volgens Nussbaum veronderstelt dit nog een ander, groter wonder. Want veel denkende mensen, waaronder Socrates, hebben een hekel aan hun onhandige lichaam en ‘dat tekortschietende, onregelmatige uiterlijk’. Maar pas wie bereid is zichzelf als de helft te zien van iets volmaakts, kan weer een geheel worden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het goede leven dat nog het best met de ware humaniteit lijkt te stroken is een goede maaltijd in goed gezelschap.

Immanuel Kant in Anthropologie in pragmatischer Hinsicht (1798)

Immanuel Kant (1724–1804) staat bekend om zijn strenge moraal, maar in een van zijn laatste werken, over de wijsgerige antropologie, blijkt hij wel degelijk affiniteit te hebben met de geneugten van het leven. De lichamelijk goede leven is echter wel tegengesteld aan het moreel juiste (deugdzaamheid) en dus zullen we een synthese moeten vinden: fatsoenlijke gelukzaligheid.

Een van de praktische vormen waarin we tot zo’n synthese kunnen komen tussen genieten en de deugdzame omgang met onze medemens (humaniteit) is een gezamenlijke maaltijd met mensen (Kant zei: mannen) ‘van smaak’. Als je voornemens bent nog vandaag zo’n genoeglijk gebeuren te organiseren, houd dan wel rekening met de omvang van het gezelschap. Je moet niet minder dan twee en niet meer dan acht mensen uitnodigen, zodat er gezamenlijke conversatie mogelijk is en het niet ontaardt in een ‘smakeloos feestelijk onthaal’.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Wie mensen zoekt, zal acrobaten vinden.

Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen (2009, 2011)

Volgens de Duitse cultuurfilosoof en romanschrijver Peter Sloterdijk (1947) wordt het bestaan van de mens gekenmerkt door ‘verticale spanningen’ die ons helpen ons te oriënteren. Wij lijken ‘van bovenaf’ aangetrokken te worden en zo kunnen we begrijpen ‘waarom en in welke vormen de homo sapiens, die door de paleontologen tot vlak voor de deur van de faculteit van de geesteswetenschappen wordt afgeleverd, zich heeft kunnen ontwikkelen tot het opklimmende tendensdier, zoals hij min of meer onveranderlijk uit de berichten van de ideeënhistorici en de wereldreizigers naar voren komt’. Het is alsof in ons voortdurend het gebod klinkt dat wij ons leven moeten veranderen. Daarmee zijn we ‘veroordeeld’ tot ‘surrealistische inspanning’. Wij zijn voortdurend bezig om ons te oefenen in nog beter over het smalle koord van het leven te lopen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zelfbewustzijn is een schitterend geschenk … maar we betalen er een hoge prijs voor: de wond van de sterfelijkheid.

Irvin D. Yalom in Tegen de zon inkijken (2008)

Voor de Amerikaanse existentieel psychotherapeut Yalom is het besef dood te moeten gaan de grootste ‘levenszorg’. Alles wat hij ooit heeft bedacht om zijn patiënten én zichzelf daarmee te leren omgaan heeft hij bijeengebracht in Tegen de zon inkijken.

Aan de ene kant meent Yalom dat het besef van sterfelijkheid kan zorgen dat we ons leven veranderen om later geen spijt te krijgen. Hij sluit daarvoor aan bij onder andere Heidegger, die meende dat je alleen authentiek kunt leven als je de angst voor de dood toelaat. Maar volgens Yalom kunnen we ons niet op elk moment van ons leven ten volle bewust zijn van die verschrikking. Dat zou net zoiets zijn als proberen ‘tegen de zon in te kijken’. Daarom moeten we methoden verzinnen om die angst voor de dood te temperen, al zullen we die nooit volledig kunnen temmen. Een van de manieren die hij (ook zijn patiënten) aanraadt is (klassieke) filosofen lezen voor wie filosoferen vooral leren te sterven is, zoals Epicurus en Seneca. Zij ‘verzorgen’ de wond van de sterfelijkheid.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Filosofen en rabbijnen zijn het eens: Spinoza blijft vervloekt.

Paul Steenhuis in NRC Handelsblad, 7 december 2015

In 1656 sprak de Portugees-joodse gemeenschap in Amsterdam wegens ‘gruwelijke ketterijen’ een banvloek uit over de filosoof met dezelfde afkomst: Baruch de Spinoza (Latijn: Benedictus de Spinoza; Portugees: Bento de Espinosa (of d’Espinosa) 1632-1677). Spinoza geloofde namelijk niet in de goddelijke openbaring en in een straffend en belonend opperwezen. Na bijna 360 jaar werd in 2015 in de Rode Hoed in Amsterdam gesproken over de vraag of die banvloek niet eens moest worden opgeheven.

Zowel de religieuze autoriteiten als de internationale wijsgerige experts vonden ten slotte dat daar geen aanleiding voor was. De Britse historicus Jonathan Israel, die Spinoza kroonde tot de grondlegger van de ‘radicale verlichting’ en hem daarmee ‘actualiseerde’, betoogde bijvoorbeeld dat Spinoza’s ideeën over democratie en vrijheid van meningsuiting ook in de Republiek in de ban werden gedaan. Herman Philipse vond dat die verbanning nog wel meeviel als je bedacht dat katholieke ketters in die tijd nog op de brandstapel kwamen.

De opheffing van de banvloek was dus niet nodig (Spinoza accepteerde zijn uitstoting ook zelf) en kerkrechtelijk ook onmogelijk: je moest daar binnen dertig dagen bezwaar tegen maken, en je moest spijt hebben.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Werkt uw levensfilosofie voor u, tegen u, of werkt zij helemaal niet?

Lou Marinoff in Levensvragen – Hoe filosofie je leven kan veranderen (2003)

Deze vraag moeten wij ons stellen van Lou Marinoff (1951), een van de bekendste filosofische practici ter wereld en oprichter van de Amerikaanse vereniging voor filosofische practici. Als je op een of andere manier ‘niet goed in je vel zit’, moet je je om te beginnen afvragen of je misschien lichamelijk niet in orde bent. Ga even langs bij de dokter. Maar als die niets kan vinden, moet je voordat je denkt dat je dan wel aan een psychische stoornis zult lijden, eerst even bedenken of er eigenlijk niet eerder sprake is van ‘onbehagen’. En voor onbehagen heb je geen medicijn of behandeling nodig. Als je daar mee blijkt te zitten, is het moment daar om je manier van denken en leven aan een onderzoek te onderwerpen. Dat noemen we ‘toegepaste filosofie’, die streeft naar wat Aristoteles fronèsis noemde, oftewel praktische wijsheid.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

De ervaring van zin laat zich niet maken, die overkomt je.

Marjoleine Vosselman en Kick van Hout in Zingevende gespreksvoering – Helpen als er geen oplossingen zijn (2013)

In hun boek geven de psychologen Vosselman en Van Hout een ‘bruikbaar handelingsmodel’ waarmee hulpverleners het gesprek aan kunnen gaan met cliënten of patiënten die vragen hebben waarop zij geen antwoord kunnen geven, bijvoorbeeld: ‘Waarom moet ik zo jong zo ziek worden?’ ‘Wie of wat heeft bepaald dat ik geboren moest worden in een gezin met een gewelddadige vader?’ Hulpverleners weten wel dat zo’n vraag iets te maken heeft met ‘zingeving’, maar ervaren ‘methodische onhandigheid’ als hun die gesteld wordt.

Een van de aspecten van zingevende vragen die richting kan geven aan vruchtbare zingevende gespreksvoering is ‘raadselachtigheid’. Dit is het aspect wat mensen het gevoel kan geven dat het hier om ‘vage’ of ‘zweverige’ zaken gaat. Want bij een ervaring van zin is er volgens Vosselman en Van Hout sprake van ‘openheid naar en verwondering voor het onkenbare’. Het is geen verrassing dat ze zich bij dit thema niet alleen laten inspireren door psychologen en psychotherapeuten, maar ook door filosofen, want begint daar niet ook de filosofie mee?

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wie fouten wil vinden, vindt ze ook in het paradijs.

Henry Thoreau, geciteerd door Anselm Grün in Boek van levenskunst (2002, Ned. vert. 2003)

Aan de hand van dit citaat vraagt de benedictijner monnik Ansel Grün zich af hoe wij om moeten gaan met mensen die overal kritiek op hebben, wat je ook doet of zegt. Eerst probeert hij hen te begrijpen. Het lijkt of het mensen zijn die ontevreden met zichzelf zijn en jaloers worden als iemand iets prijst of bewondert. Het is moeilijk om met dergelijke mensen om te gaan, want ze hebben de neiging alles en iedereen om hen heen naar beneden te trekken. ‘Ze verspreiden een sfeer van ontevredenheid, gejengel, bitterheid en onvrede.’

Nu kun je hen natuurlijk niet met hun eigen wapens proberen te verslaan, door dit gedrag of deze houding te veroordelen, want dan ben je geen haar beter. Nee, maar Grün raad je wel aan om je ‘eigen ziel te beschermen’ en uit hun buurt te blijven. Ten afscheid zeg je dan misschien nog: ‘Je mag zijn zoals je bent. (…) Maar ik weiger jouw zienswijze voor mijzelf te accepteren. Ik zie er ook van af om je te overtuigen van het tegendeel. Want ik weet dat dat een eindeloze onderneming wordt.’

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Niemand geeft aan anderen zijn geld weg, iedereen doet dat wel met zijn tijd en zijn leven.

Michel de Montaigne in De hele wereld speelt komedie (2001)

De maatschappij wil het liefst dat je je met hart en ziel inzet voor een relevante beroepsopleiding en daarna voor je werk of je werkgever. Kasteelheer Michel de Montaigne vond al in de zestiende eeuw dat we juist in eerste instantie onze talenten moesten ontwikkelen voor ons eigen leven: ‘Bij jezelf ligt werk genoeg, zoek het niet verder weg.’ En hij was ook niet gevoelig voor een beroep op het ‘algemeen belang’: ‘De meeste regels en voorschriften in deze wereld verdrijven ons uit onszelf en jagen ons voor het nut van het algemeen de marktplaats op.’ En zo gebruiken we onze talenten niet voor onszelf maar voor degenen aan wie wij ons ‘onderwerpen’. Vooral ‘hoofdarbeiders’ hebben het moeilijk, want hun geest gaat tijdens het werken voor een ander al gauw creatief en enthousiast met hen op de loop. Als je dan toch moet werken, kun je de dingen daarom, aldus Montaigne, maar beter zonder hartstocht doen.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Een dialoog begint met stilte, en kijken naar wat de mensen in je omgeving al delen zonder iets te zeggen.

Sira Abenoza in ‘Why Socratic Dialogue should become our business card’, TEDxESADE (https://youtu.be/8t987Lxt1t4)

De eerste tergend trage seconden van haar ‘Ted Talk’ is Sira Abenoza stil en kijkt ze om zich heen. Dan stelt ze haar publiek gerust: ze heeft geen black-out. Ze wil haar publiek laten ervaren waar een werkelijke dialoog uit voortkomt: uit de stilte. Als oprichtster van het Instituut voor Socratische Dialoog en hoogleraar maatschappelijk verantwoord ondernemen, bedrijfsethiek en socratische dialoog aan ESADE Business and Law School in Barcelona weet Abenoza waar ze het over heeft.

Haar belangstelling voor het verbeteren van de dialoog tussen mensen ontstond toen zij twee studies deed. ’s Ochtends volgde ze college aan een Business School tussen studenten die alleen maar geïnteresseerd waren in zo snel mogelijk rijk worden. ’s Middags zat ze tussen de filosofiestudenten die eindeloze gesprekken voerden over het verbeteren van de wereld. En ze besefte dat de managers-in-opleiding later de macht zouden hebben om de wereld te veranderen en de filosofen in spe juist niet, terwijl die wel goede ideeën hadden over welke richting het op zou moeten. Die moesten dus met elkaar in gesprek komen. Maar weten wij eigenlijk wel wat een echte dialoog is? In politiek of media zien we alleen ‘gladiatoren’ die een strijd willen winnen en niet werkelijk willen luisteren, leren en groeien door uitwisseling met een ander. Daarom leert zij haar studenten, maar bijvoorbeeld ook gevangenen, hoe dat laatste moet.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Laf wordt men pas door de daad die men gedaan heeft.

Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1965, Ned. vert. 1967)

‘De existentie gaat vooraf aan de essentie’, zegt de filosoof Sartre. En voor een breed publiek legt hij uit wat voor consequenties dat heeft voor ons dagelijks leven. Want uiteindelijk zijn wij mensen niet meer dan ons leven, maar ook niet minder. Het betekent onder meer dat een existentialist zegt dat een lafaard verantwoordelijk is voor zijn lafheid. Zeggen dat je nu eenmaal laf bent door je erfelijk bepaalde temperament, je opvoeding of de maatschappelijke omstandigheden is een vorm van ‘kwade trouw’, ‘inauthenticiteit’. Natuurlijk bestaan er mensen met een sterk karakter of een slap karakter, maar die slapte maakt je nog niet laf. ‘Wat de lafheid uitmaakt is de daad waardoor men toegeeft of weerstaat.’ Omgekeerd betekent het ook dat we absoluut vrij zijn om te kiezen om moedig te zijn, of eigenlijk: te worden.

22Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Denken impliceert dat je de moed hebt in verwarring te raken.

Jos Kessels in De jacht op een idee. Visie, strategie, filosofie (2009)

Volgens organisatiefilosoof Jos Kessels (1948) is dat misschien wel de grootste moeilijkheid als je een (socratisch) gesprek wilt voeren in een organisatie: de aanwezigen moeten er tegen kunnen om (tijdelijk) in verwarring te raken. Hij verwijst naar de dialoog Meno van Plato, waarin Meno tegen Socrates zegt dat die ‘zowel qua uiterlijk als wat de rest betreft’ lijkt op een sidderrog, een vis die je verlamt als je hem aanraakt. Meno is namelijk ‘zowel in mijn ziel als mijn tong’ lamgeslagen. Hij staat met zijn mond vol tanden. Maar Socrates repliceert dat het niet zo is dat hij zelf de antwoorden wél weet. Het is eerder zo dat hij anderen besmet met zijn eigen verwarring. Hij verlamt dus anderen door zelf verlamd te raken. In zijn boek geeft Kessels concrete voorbeelden hoe je vervolgens weer uit die impasse kunt geraken. Maar nodig is die wel, wil er werkelijke verandering plaatsvinden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Groot is degene die te midden van de menigte met volmaakte minzaamheid de onafhankelijkheid van de eenzaamheid bewaart.

Ralph Waldo Emerson in Self-reliance (1848)

Het is alleen al goed om af en toe een ‘oude’ filosoof te lezen vanwege de ‘ouderwetse’ woorden, die je bij hen aantreft. In de bron staat ‘sweetness’, wat ook wel ‘zoetheid’ of ‘beminnelijkheid’ betekent.

In zijn pleidooi voor onafhankelijkheid wijst Emerson erop dat we ons alleen bezig moeten houden met wat óns te doen staat en niet wat andere mensen denken. Je vindt dit veel bij negentiende-eeuwse filosofen, aan beide kanten van de Atlantische Oceaan, en blijkbaar was dat iets wat de mensen toen nodig gezegd moest worden.

Maar hoe zit dat dan met ons? Houden wij ons uit gemakzucht aan de gangbare meningen, of kiezen we ervoor onze eigen opvattingen alleen anoniem, in de afzondering van ons online bestaan, te uiten? Dat noemt Emerson ‘middelmatig’. Een ‘groot’ mens ben je pas als je onafhankelijk blijft denken, ook terwijl ‘je voortdurend mensen tegen het lijf loopt die beter menen te weten wat jouw plicht is dan jij het zelf weet’.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Het geloof en de moraal gaan aan de logica vooraf en vormen er het eigenlijke fundament van.

Harry Mulisch in De compositie van de wereld (1980)

De compositie van de wereld (1980) is het essayistische complement van een van de bekendste romans van de Nederlandse schrijver Harry Mulisch (1927–2010): De ontdekking van de hemel (1992). Op 8 januari 2007 kreeg Mulisch een eredoctoraat voor zijn filosofische hoofdwerk, waarin hij aantoont dat het octaaf (de muziek) ten grondslag ligt aan zo’n beetje alles.

Hij begint echter met een fundamentele bespreking van het principe van de tegenspraak, dat volgens hem eigenlijk het principe van de verboden tegenspraak is. Herakleitos heeft gezegd: ‘Wij zijn en wij zijn niet’, en alle filosofen na hem hebben geprobeerd dit te bestrijden. Aristoteles was daarin het strengst. Volgens hem is het onmogelijk om van mening te verschillen over het ‘beginsel van de fundamenteelste betekenis onder alle beginselen’: iemand kan niet, op dezelfde wijze op hetzelfde moment, zeggen dat een ding iets is en dat het iets niet is. Maar Aristoteles besefte ook dat het niet mogelijk is om dit te bewijzen. Daarom vindt hij dat vragen om een bewijs getuigt van een gebrek aan intelligentie. Het is dus niet alleen onbewezen, maar ook onbewijsbaar, constateert Mulisch. We moeten geloven dat het zo is. Het is dus een dogma en een verbod (men mag er niet aan twijfelen) ineen. Zo bewijst Mulisch dat geloof en moraal het fundament van de logica vormen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Filosoferen wil uiteindelijk niets anders zeggen dan beginneling zijn.

Martin Heidegger, geciteerd in Rüdiger Safranski, Heidegger en zijn tijd (1994, 1995)

Toen hij dit in 1928 in een brief schreef aan het voormalige hoofd van het seminarie in Konstanz, waar hij een jaar op school had gezeten, was Martin Heidegger (1889-1976) net ‘doorgebroken’ als filosoof met Sein und Zeit (1927). Hij meende dat filosoferen niet alleen een voortdurend (opnieuw) beginnen is, maar dat de filosofie ook bewijst dat de mens dat telkens moet doen. Zijn biograaf Safranski laat zien hoe Heidegger op verschillende manieren op zoek is naar de ‘aanvang’. Hij probeerde de aanvang van het denken te vinden in het oude Griekenland van de presocratici, en hij probeert het te vinden in het leven van de enkeling.

En als je probeert te bepalen waar wij beginnen met denken, dan is dat niet met een bewuste gedachte, maar met een stemming, zoals angst, verwondering, bezorgdheid, nieuwsgierigheid of jubel. Zijn eigen stemming legde Heidegger volgens Safranski de volgende woorden in de mond: het ‘menselijk bestaan (Dasein) is geworpen’ en het zijn heeft zich ‘als last geopenbaard’, want ‘heeft ooit een menselijk bestaan er als zichzelf vrij over beslist … of het al dan niet in het “bestaan” wil komen?’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Zij echter die het ware gebruik van het geld hebben leren kennen en de mate van hun welstand afmeten naar hun behoeften, kunnen met weinig in tevredenheid leven.

Benedictus de Spinoza in Ethica (1678)

In zijn jonge jaren moest Spinoza de kwakkelende handelsonderneming van zijn overleden vader overnemen, maar uiteindelijk weigerde hij die erfenis. Intussen had hij bij de schuldeisers genoeg gezien van de Hollandse handelsgeest om te constateren dat het geldbeginsel in de maatschappij een verwoestende rol vervult. De meeste mensen kunnen zich volgens Spinoza ‘moeilijk enige vorm van genoegen indenken die niet gepaard gaat met de voorstelling van het geld als oorzaak daarvan’. Het geldprincipe verlaagt in zijn ogen de denkende mens, die zijn verstand niet langer gebruikt om edelmoedig te zijn, maar ‘allerlei kunstgrepen’ toepast ‘om winst te behalen en zich daarop nog te beroemen ook’. Wie inziet wat geld bij anderen en bij zichzelf teweegbrengt, zo meent Spinoza, bepaalt zijn werkelijke behoeften en zal dan in de meeste gevallen inzien dat hij een rijk mens is.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Probeer je plicht te doen en je weet meteen wat je in je mars hebt.

Johann Wolfgang von Goethe in Wilhelm Meisters leerjaren (1821)

In het hoofdstuk ‘Beschouwingen in de zin van de wandelaar’ gaat Goethe in op de klassieke opdracht (van het Orakel van Delphi): ‘Ken uzelve.’ Maar hoe gaat dat, vraagt Goethe zich af, jezelf leren kennen? Als je het voorbeeld van Socrates zou volgen, zou je vooral veel nadenken en gesprekken voeren, en vele filosofen hebben hem daarin gevolgd. Goethe meent echter dat je jezelf nooit door ‘beschouwelijkheid’ kunt leren kennen, maar wel door te handelen.

Als je het zo strikt zou proberen te doen, kom je echter in de problemen. Ja, je moet handelen om te zien ‘wat je in je mars hebt’ en wat je leuk en belangrijk vindt, maar als je nooit je handelen overdenkt, kom je daar nooit achter. En ja, je moet jezelf ‘beschouwen’, maar ook af en toe handelen, anders kun je alleen nog maar reflecteren op je reflecteren (en dan ben je academisch filosoof …). In het werkelijke leven is het dus een kwestie van je moment voor beide kiezen.

Tevens verschenen op de Levenskunstkalender © Veen Media

Het is verbazingwekkend hoe veel de patiënt weet en hoe betrekkelijk weinig onbewust is, als je de patiënt niet dit gemakkelijke excuus geeft om de verantwoordelijkheid te weigeren.

Otto Rank in Will therapy (1929-1931)

De toen nog gymnasiast Otto Rank (1884-1939) was de eerste betaalde kracht van de psychoanalytische beweging en was twintig jaar lang Sigmund Freuds rechterhand. Hij studeerde filosofie, maar werd psychoanalyticus en was een van de zogenaamde ‘ringdragers’, die de psychoanalyse moesten beschermen tegen de boze buitenwereld. Uiteindelijk kon hij zich echter niet vinden in het psychische determinisme van Freud, die meende dat de mens het betrekkelijk willoze resultaat van onbewuste krachten was.

Volgens Rank en andere critici kon je echter niet zonder een homunculus (klein mensje) dat in ons de lakens uitdeelt. Die instantie noemde hij ‘de wil’: ‘een positieve, richtinggevende organisatie die creatief gebruikmaakt van de instinctieve driften en die remt en beheerst.’

Dit had grote consequenties voor zijn psychotherapeutische praktijk. Hij was er namelijk van overtuigd dat het blootleggen van invloeden op de patiënt uit het verleden en het onbewuste, maakte dat die het nemen van verantwoordelijkheid kon vermijden. Daarmee werd zijn handelingsvermogen juist kleiner, in plaats van groter.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Denkers

Thema's