Skip to content

Gedachten

Paradox

Een van hun eigen profeten, zelf een Kretenzer, heeft gezegd: ‘Kretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, gemene beesten, vadsige vreters.’ Dát is pas een waar woord!

Paulus in De brief aan Titus 1:12-13

De ‘profeet’ die apostel Paulus in zijn brief citeert is de Griekse ziener, dichter en filosoof Epimenides van Knossos (6e eeuw v.Chr.). Paulus lijkt met zijn toevoeging ‘zelf een Kretenzer’ te willen benadrukken dat Epimenides iemand is die het kan weten (dat Kretenzers ‘onverbeterlijke leugenaars, gemene beesten, vadsige vreters’ zijn). Het is niet bekend of Paulus zich ervan bewust is dat hij met zijn formulering de beroemde ‘paradox van Epimenides’ oproept. Want letterlijk genomen staat er dat een Kretenzer zegt dat alle Kretenzers liegen. Dat is een paradox, want als de uitspraak ‘Alle Kretenzers liegen’ waar is, is hij tegelijk niet waar, want dan is de Kretenzische Epimenides een tegenvoorbeeld.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De toetssteen voor een superieure intelligentie is het vermogen om tegelijkertijd twee tegengestelde overtuigingen te koesteren en toch te blijven functioneren.

F. Scott Fitzgerald in ‘The Crack-Up’, Esquire Magazine (februari 1936)

Op de door een zware commissie van literatoren samengestelde lijst met beste Engelstalige romans van de twintigste eeuw moest The Great Gatsby van Francis Scott Key Fitzgerald (1896–1940) alleen Ulysses van James Joyce voor laten gaan. Fitzgeralds andere meesterwerk, Tender is the Night, kwam terecht op plaats 28.
Fitzgerald kreeg al snel erkenning als groot schrijver, maar zijn levensstijl maakte dat hij uit geldnood ook veel aan ‘broodschrijverij’ moest doen in tijdschriften als The Saturday Evening Post en Esquire. In dat laatste blad verschijnt in 1936 een buitengewoon openhartig drieluik waarin hij zijn ‘crack-up’ (zenuwinzinking) beschrijft. Als je leest welke symptomen hij heeft, zou je het nu een ‘burn-out’ noemen.
Het citaat komt uit het begin van het stuk, waarin hij uitlegt dat intelligente mensen bijvoorbeeld in staat zouden moeten zijn om aan de ene kant in te zien dat iets hopeloos is, en aan de andere kant toch vastbesloten blijven om het te veranderen. In zijn jeugd ging hem dat prima af, maar na verloop van tijd stortte hij in. Wat je dan verliest is je ‘vitaliteit’, die volgens Fitzgerald van alle natuurkrachten de meest ‘onverwoordbare’ is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat geweldig dat we op een paradox zijn gestuit. Nu mogen we tenminste enige hoop koesteren dat we vooruitgang zullen boeken.

Niels Bohr, geciteerd in Niels Bohr: The Man, His Science, & the World They Changed (1966) van Ruth Moore

In eerste instantie lijkt de aantrekkelijkheid van wetenschappelijk onderzoek erin gelegen te zijn dat je op basis van theoretische kennis juiste voorspellingen over de toekomst kunt doen. Maar voor een wetenschapper is een bevestiging van wat hij al weet eigenlijk heel oninteressant. De wetenschapsfilosoof Karl Popper legde dat zo uit: stel dat je hypothese is dat alle zwanen wit zijn. Dan kun je je de rest van je leven gaan bezighouden met het zoeken van witte zwanen die je hypothese bevestigen, maar daarmee kun je nooit bewijzen dat je stelling waar is, alleen maar dat er weer één observatie is die haar bevestigt. In plaats daarvan moet je je best doen om een zwarte zwaan te vinden. Als je er zo een vindt, weet je niet alleen iets zeker (namelijk: ‘niet alle zwanen zijn wit’), maar je weet ook iets nieuws over zwanen, iets wat je nog niet wist, namelijk dat ze ook zwart kunnen zijn. In het licht van je theorie is dat een tegenstrijdigheid, en om die op te lossen zul je een nieuwe theorie moeten ontwikkelen, die beide feiten (dat zwanen wit en zwart kunnen zijn) in zich opneemt. En dat is vooruitgang, zo wist ook de natuurkundige en Nobelprijswinnaar Niels Bohr (1885–1962).

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Men kan zich niet níét gedragen

Paul Watzlawick, Janet Helmick Beavin & Don D. Jackson, De pragmatische aspecten van de menselijke communicatie (1967, 1970)

Volgens Paul Watzlawick (1921-2007) en zijn collega’s is dit kenmerk van gedrag, namelijk dat het geen tegenstelling heeft, een eigenschap

‘die nauwelijks fundamenteler zou kunnen zijn en derhalve vaak over het hoofd wordt gezien’. Er bestaat dus niet zoiets als ‘niet-gedrag’. Nu kun je stellen dat elke gedraging in een situatie waar interactie plaatsvindt, een ‘berichtwaarde’ heeft. Ook degene die in een druk café, alleen aan een tafeltje, zijn ogen sluit, stuurt daarmee een bericht de wereld in: ‘ik wil niet gestoord worden’ (of juist wel, dat weet je niet). Dat betekent volgens de genoemde auteurs dat het niet mogelijk is om níét te communiceren. Of wij ons daar nu bewust van zijn of niet, of we het willen of niet, wij zenden altijd boodschappen uit, alleen maar door in de buurt van anderen te zijn. De auteurs verklaren vervolgens de ‘vreemde boodschappen’ van schizofrene mensen als evenzoveel manieren om precies dát te doen: niet-communiceren.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Er zijn geen kamers vrij, maar we kunnen u er wel een geven.

Hilberts paradox van het Grand Hotel, geciteerd in ‘Logische en onlogische paradoxen’ (Nicholas Falletta, 1989)

Voor een gewoon hotel, met een eindig aantal kamers, geldt ‘vol is vol’. Als iemand dan nog een kamer wil, is dat een probleem maar geen paradox. Maar dat is anders voor een hotel met een oneindig aantal kamers, het Grand Hotel van wiskundige David Hilbert (1862-1943). Als het oneindige aantal kamers van dit hotel bezet is, kan een vermoeide reiziger er toch nog een krijgen. Hilbert stelde namelijk voor om de gast uit kamer 1 te verhuizen naar kamer 2, die van kamer 2 naar kamer 3 enzovoort, zodat er voor de nieuwe gast ruimte ontstaat in kamer 1.
Maar wat als er nu de volgende dag een oneindig aantal nieuwe gasten op de stoep staat? Als je dan weer die oplossing zou gebruiken, zou iedere gast oneindig vaak moeten verhuizen. Volgens Hilbert kan het eenvoudiger: de gast van kamer 1 verhuist naar kamer 2, de gast van kamer 2 naar kamer 4, die van 3 naar kamer 6 enzovoort. Er komt dan ruimte in de oneven kamers voor het oneindige aantal nieuwe gasten.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als u denkt dat u heeft begrepen wat ik zei, dan heb ik blijkbaar niet duidelijk gemaakt wat ik bedoel.

Alan Greenspan, voormalig voorzitter van de Amerikaanse centrale bank

Zal er ooit een literair werk worden geschreven over de gebeurtenissen die in de tweede helft van het jaar 2008 plaatsvonden onder de noemer van de kredietcrisis? De elementen zijn aanwezig voor een grote tragedie met Griekse trekken. De voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, Alan Greenspan, stond in de jaren waarin de economische zeepbel nog niet was doorgeprikt op Capitol Hill bekend als ‘het Orakel’. Senator Tom Harkin zei ooit dat als Greenspan sprak, hij de indruk wekte altijd precies te weten waar hij het over had. Hij kon de dingen zo zeggen dat niemand kritische vragen wilde stellen, alsof hij alles wist. Uit het citaat op de voorkant blijkt dat Greenspan ook een goed gevoel voor de werking van de paradox had. Overigens is moeilijk na te gaan wat hij nu precies heeft gezegd en wanneer. Maar vaststaat dat er sprake is van een onoplosbare tegenstrijdigheid. Maar misschien mogen we daar verder niets over zeggen, want dan zou het lijken of wij deze uitspraak over zijn uitspraken wel begrepen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Het tweede gebod: Als je goed doet, zal men je van bijbedoelingen beschuldigen. Toch moet je goed doen.

Kent M. Keith in De paradoxale geboden. Zingeving vinden in een dolgedraaide wereld (2002)

De 19-jarige Kent Keith, dan tweedejaars student op Harvard, schrijft eind jaren zestig ‘de paradoxale geboden voor leiderschap’ op, als onderdeel van een boekje waarvan in die tijd ongeveer 30.000 exemplaren werden verkocht. Dertig jaar later bezoekt Keith een bijeenkomst van zijn eigen Rotaryafdeling waar aandacht wordt besteed aan het overlijden van Moeder Teresa. De spreker leest ‘een gedicht van Moeder Teresa’ voor, dat vrijwel woordelijk overeenkomt met wat Keith destijds had geschreven. De volgende dag spoedt hij zich naar de boekwinkel en vindt de woorden terug in een boek over de overleden heilige. Eronder staat geen auteur, maar alleen dat het afkomstig is van een ‘wandtegel aan de muur van Shishu Bhavan, het kindertehuis in Calcutta’. Het is bepaald niet de enige keer dat Keith op een onverwachte plek zijn eigen woorden terugvindt of -hoort, maar het is wel het moment waarop ‘de rillingen’ hem ‘over de rug’ lopen.
Het tweede gebod appelleert aan de ervaring van iedereen die wel eens in een onbewaakt ogenblik iets onzelfzuchtigs heeft gedaan en stuitte op mensen die dat nooit doen. Het cynisme van de zelfzuchtigen is onweerlegbaar. Je kunt maar twee dingen doen: je teleurgesteld bij hen aansluiten, of … je houden aan het paradoxale gebod.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Scroll To Top