Gedachten

Praat nooit met een filosoof over geluk.

Jeanette Winterson in Passie (1987)

Volgens Henri, een van de hoofdpersonen in Passie van Jeanette Winterson (1959), is ‘gelukkig’ een woord voor volwassenen. Aan een kind zie je direct of het gelukkig is of niet. Volwassenen praten er over omdat ze het over het algemeen niet zijn. Praten over geluk is net zoiets als ‘proberen de wind te vangen’. De filosofen zeggen wel dat ze kunnen spreken over de zaken van het hart, maar ze ‘hebben geen hartstocht in zich’. Misschien gaat hij hier wat kort door de bocht. Natuurlijk zijn er (veel) filosofen met hartstocht in zich. Daarnaast zijn er (veel) bescheiden filosofen die nooit zullen zeggen dat ze kunnen spreken over de zaken van het hart (maar bijvoorbeeld alleen over het spreken over het spreken over het hart). Maar misschien moet je inderdaad – als je gelukkig bent – niet met een filosoof gaan praten … waar dan ook over.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Hij zei altijd dat hij de zaken niet onderzocht met behulp van argumenten, maar argumenten met behulp van feiten; de feiten dankten immers hun bestaan niet aan de argumenten, maar de argumenten aan de feiten.

Diogenes Laërtius (over Myson) in Leven en leer van beroemde filosofen

Over Myson, die leefde in de 6de eeuw v.Chr. is niet veel bekend. Volgens Plato (Protagoras) was hij een van de Zeven Wijzen van Griekenland. Diogenes Laërtius vertelt dat Anacharsis toen hij het orakel consulteerde, te horen kreeg dat ‘een zekere Myson van Chen op de Oeta is geboren, die in wijsheid van ’t hart u zelf nog overtreft’. Toen Anacharsis hem daar ging opzoeken, trof hij Myson aan terwijl die een schaar aan zijn ploeg aan het vastmaken was. Het was hartje zomer en Anacharsis wees hem erop dat dat niet de tijd was om te ploegen. ‘Maar wel om zich erop voor te bereiden’, kreeg hij als antwoord.
Aristoxenus zegt dat Myson veel leek op Timon en Apemantus, omdat hij ook een mensenhater was. Dat blijkt volgens Diogenes Laërtius uit het feit dat ‘iemand in Sparta’ hem ooit zag lachen terwijl hij helemaal alleen was. Toen deze hem benaderde en vroeg, waarom hij ‘in alle eenzaamheid’ aan het lachen was, antwoordde Myson: ‘Juist daarom’.
Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

‘En u,’ zei ik met kinderlijke vrijpostigheid, ‘maakt u nooit vergissingen?’ ‘Dikwijls’ antwoordde hij. ‘Maar in plaats van er één te concipiëren, bedenk ik er vele, zodoende word ik van geen enkele de slaaf.’

Umberto Eco in De naam van de roos (1980)

De historische misdaadroman De naam van de roos van de Italiaanse taalgeleerde Umberto Eco zit vol met filosofische verwijzingen en grapjes. In een middeleeuws klooster wordt een aantal moorden gepleegd die verband houden met een manuscript van Aristoteles. Hoofdpersoon William van Baskerville (in de film gespeeld door Sean Connery) ontpopt zich als een soort modern-wetenschappelijke superspeurder.
Dat hij het beter vindt om vele gissingen te doen, waarvan er vele vergissingen zullen zijn, zou gezegd kunnen zijn door de wetenschapsfilosoof sir Karl Popper. Volgens hem is het uiteindelijk onmogelijk om van iets vast te stellen dat het waar is door steeds naar bevestigingen van je ‘gissingen’ te zoeken. Ook al heb je inmiddels duizend witte zwanen gezien, dat zegt nog niets over de mogelijkheid dat de volgende zwart zal zijn. De kennis wordt alleen vergroot als je er in slaagt je gissing te verwerpen. Alleen in dat geval weet je iets zeker, namelijk dat niet het geval is wat je dacht. Volgens Popper boekt de wetenschap alleen vooruitgang door trial and error.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Mensen zijn niet om over te praten, maar om mee te praten.

B.J. Kouwer in Existentiële psychologie (1973)

Aan de ene kant kun je over het bewustzijn spreken alsof het een soort ding is, aan de andere kant moet je bewustzijn altijd al vooronderstellen als je het er met elkaar over hebt. Voor de Nederlandse psycholoog Benjamin Jan Kouwer (1921-1968) was dit ‘rare’ karakter van het bewustzijn aanleiding om alle bestaande psychologische theorieën over de mens af te wijzen. Hij deed dat in een zeer geestig boek, waarin hij onder de titel Het spel van de persoonlijkheid (1963) alle belangrijke persoonlijkheidstheorieën uit de geschiedenis licht belachelijk maakt.
Kouwer was sterk beïnvloed door zijn lezing van Het Zijn en het Niet (1943) van Jean-Paul Sartre, dat hij al in de oorlog op zijn onderduikadres las. Na zijn existentialistische nawoord in Het spel van de persoonlijkheid werd het voor Kouwer als psycholoog erg moeilijk om nog een eigen ‘positieve’ psychologie te ontwikkelen. Hij publiceerde in de laatste vijf jaar van zijn leven geen nieuw werk. In welke richting Kouwers gedachten gingen, weten we alleen uit de door zijn Groningse leerlingen postuum uitgegeven college-aantekeningen in het boekje Existentiële psychologie (1973) . Hij gaat ‘het gesprek’ nemen als elementaire eenheid van onderzoek, en niet langer gedrag of psyche van het individu.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Als ik mij afvraag waaruit ik kan opmaken of een bepaald probleem voorrang verdient boven een ander, dan luidt mijn antwoord dat wij moeten afgaan op de daden waar het ons toe aanzet.

Albert Camus in De myte van Sisyfus. Een essay over het absurde (1942)

Albert Camus (1913-1960) kende niemand die bereid was zijn leven te geven voor het ontologische godsbewijs of de vraag of de zon om de aarde draait of andersom. Hij opent zijn ‘essay’ met de stelling dat de filosofie maar ‘één werkelijk serieus probleem’ kent, namelijk de zelfmoord. De vraag naar ‘de zin van het leven’ is daarom voor hem de belangrijkste vraag van de filosofie. En er staat voor Camus ook nogal wat op het spel, want hij heeft van Nietzsche begrepen dat een filosoof uiteindelijk alleen een achtenswaardig denker is als hij zelf het goede voorbeeld geeft.
Zelfmoord kan vele redenen hebben, en we hoeven van Camus niet alleen te denken aan de voor de hand liggende, zoals het verteerd worden door verdriet. Misschien heeft een vriend van de wanhopige op de dag van de zelfmoord wel op een onverschillige toon tegen hem gesproken. In ieder geval is suïcide een bekentenis van een individu, namelijk dat hij het leven een ‘bespottelijke gewoonte’ is gaan vinden. Daarmee is een verband gelegd tussen zelfmoord en het absurde. Dat laatste omschrijft Camus onder andere als het gevoel een vreemdeling te zijn in een duister universum waar je geen enkele illusie meer rest.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Ik, Prediker, was koning van Israël in Jeruzalem. Ik heb met heel mijn hart elke vorm van wijsheid onderzocht, want ik wilde alles wat onder de hemel gebeurt doorgronden. Het is een trieste bezigheid. Een kwelling is het, die de mens door God wordt opgele

Prediker 1:13 (Nieuwe Bijbelvertaling)

Als je naar het olijke gezicht kijkt van een medewerker van de Evangelische Omroep zou je het niet zeggen, maar de Bijbel is soms van een deprimerende zwartgalligheid. Een bij veel niet-christenen zeer populair Bijbelboek is Prediker (de vertaling van de Hebreeuwse titel Kohelet, die sinds Luther als titel in zwang is). Het boek behoort tot de zogenaamde wijsheidsliteratuur, samen met Job en Spreuken. Prediker is vooral bekend om de uitspraak dat alles ‘ijdelheid’ is. In de Nieuwe Bijbelvertaling is dat overigens ‘leegte’ geworden.
De kwelling die het zoeken naar wijsheid volgens Prediker is, komt voort uit twee ervaringen. Ten eerste blijkt wanneer je alles onderzoekt ‘alles onder de zon’ niet meer te zijn dan ‘lucht en najagen van wind’. En ten tweede blijkt dat zoeken zelf ook weer ‘enkel najagen van wind’. Want in welke vertaling je dit Bijbelboek ook leest, steeds weer lees je dat ‘wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Wat het solipsisme bedoelt, is helemaal juist, het laat zich alleen niet zeggen, maar het toont zich.

Ludwig Wittgenstein in Tractatus Logico-Philosophicus (1921)

Iedereen die op feestjes met filosoferen begint, bedenkt wel een keer een variant van het solipsisme, de overtuiging dat alleen het eigen subjectieve bewustzijn echt bestaat en dat al het andere alleen maar ‘in je hoofd zit’. Daarbij moet je nog oppassen want volgens Schopenhauer behoren mensen die een radicaal solipsisme aanhangen in het gekkenhuis te zitten. Overigens zou Schopenhauer weleens gelijk kunnen hebben, in zoverre dat een psychose vaak samengaat met hallucinaties of wanen, ervaringen of gedachten die niet echt bestaan, maar alleen voor de psychoticus zelf.
Voor veel filosofen is een theorie per definitie onjuist als daar een solipsisme in aan te wijzen of uit af te leiden is. Maar Wittgenstein zegt dat het solipsisme waar is. Volgens hem vallen de grenzen van de wereld samen met de grenzen van de taal en aangezien het míjn taal is, zit de wereld dus in mijn hoofd. Het denken van Wittgenstein wordt vaak in twee delen gesplitst. Je zou kunnen zeggen dat de gedachte dat een taal in één hoofd kan zitten, behoort bij de Wittgenstein uit de eerste periode. Later zal Wittgenstein steeds meer gaan beseffen dat taal alleen te begrijpen is als gebaseerd op een gedeelde levensvorm.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Voor de weinigen die nog in de archieven rondkijken, dringt zich het idee op dat ons leven het warrige antwoord is op vragen waarvan we vergeten zijn waar ze gesteld werden.

Peter Sloterdijk in Regels voor het mensenpark (1999)

Dit zijn de laatste woorden van een geruchtmakende rede van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk (1947). Er was een ‘affaire’ geboren toen een aantal, volgens Sloterdijk door Habermas gesouffleerde, journalisten en denkers hem verweten een soort pleidooi voor eugenetica te hebben gevoerd. In doorgaans serieuze media werd gesteld dat Sloterdijk had gepleit voor een doelbewuste genetische selectie en manipulatie van mensen, onder leiding van een filosofische elite. Het merkwaardige is dat Sloterdijk nu juist uitgaat van het feit dat de ‘antropotechnieken’ al overal worden toegepast – en dat het dus voor filosofen zaak is om daar over na te denken. En – zoals het een filosoof betaamd – stelt hij dat onze oude denkcategorieën niet meer voldoen, en introduceert hij een paar nieuwe. Zo denkt hij dat de tijd van de humanisten – en hun boeken als ‘dikke brieven aan vrienden’ – voorbij is en dat de tijd van de archivarissen is aangebroken. Uit zijn lezing blijkt dat Sloterdijk zelf Plato nog wel op zijn nachtkastje heeft liggen.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Nooit komt er een einde aan de voortdurende wisseling van de elementen, die nu eens door Liefde allemaal tot één samenkomen en dan weer, stuk voor stuk, door de vijandschap van Haat van elkaar wegvliegen.

Empedokles in De Elementen 24 (17)

Omstreeks 492 v.Chr. werd in Akragas (tegenwoordig Agrigento) op Sicilië de arts-filosoof Empedokles geboren. Hij speelde in zijn geboortestad ook een politieke rol en werd daarin zo populair dat hij het koningschap aangeboden kreeg, dat hij overigens weigerde.
Hij is vooral beroemd geworden omdat hij na Thales (water), Herakleitos (vuur), Anaximenes (lucht) en Xenofanes (aarde) meende dat de wereld is opgebouwd uit alle vier deze elementen. Door de Liefde (Filotes) worden deze elementen met elkaar verbonden en zo ontstaan alle dingen, maar ook levende wezens als ‘mengingen’ van de elementen. Zo bestaan de beenderen van mensen uit vier delen vuur, twee delen water en twee delen aarde. De Haat daarentegen brengt alle dingen weer tot hun elementen terug.
De Liefde heeft ook in de lichamen van mensen ‘een vaste woonplaats’. Daar zorgt ze dat mensen een ‘vriendelijke gezindheid’ hebben en ‘daden van verbondenheid’ verrichten. Maar sommige fragmenten suggereren dat Liefde in de elementen zit en het bijzondere aan de leer van Empedokles is dan ook dat volgens hem alle dingen door Liefde ontstaan.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Een psychoot doorleeft vragen die andere mensen alleen bij wijze van kroeggesprek hebben of waarmee filosofen zich beroepshalve bezighouden: hoe weet ik dat er iets buiten deze isoleercel bestaat? Leef ik alleen in mijn eigen droomwereld? Moet hier voor e

Wouter Kusters in Twentsche Courant Tubantia, 19 juni 2005

De dan twintigjarige Wouter Kusters krijgt een psychose en gaat daarna op zoek naar beschrijvingen en duidingen van de ervaring van waanzin. Tot zijn teleurstelling vindt hij zelfs bij Louis Althusser, de Franse filosoof die in een vlaag van gekte zijn vrouw vermoordde, niet eens een beschrijving van de gebeurtenis zelf, laat staan een werkelijke doordenking van de psychotische ervaring. Althusser beperkt zich tot een psychoanalytische zelfanalyse. ‘Dan moet ik zelf maar beschrijven wat die ervaring inhoudt,’ denkt Kusters. Het resultaat is Pure waanzin (2004), waarin hij op nuchtere wijze zoekt naar ervaringsverslagen en filosofische interpretaties van wat een psychoot doorleeft. Het boek bevat bovendien naast elkaar reconstructies van zijn eigen ervaringen en de verslagen van zijn verzorgers en behandelaars. Zo beschrijft hij een extatische belevenis in de isoleercel: ‘Ik word overspoeld door de aanwezigheid van alles en raak in verrukking; sprakeloos en woordeloos. Uit deze verrukking word ik losgerukt als een ploegje verplegers langskomt.’ Later leest hij in zijn dossier dat die verplegers op dat moment van bewustzijnsverbreding over hem schrijven dat hij juist een bewustzijnsvernauwing heeft.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

De mens is een schobbejak! … En een schobbejak is hij, die hem daarom een schobbejak noemt.

Fjodor Michajlovitsj Dostojevski in Misdaad en straf (1866; vertaling Jan Meijer)

F.J.J. Buytendijk (1887-1974), een van de pioniers van de Nederlandse psychologie, raadde zijn studenten aan om niet te veel academisch-psychologische boeken te lezen. Er werd gefluisterd dat hij dat zelf ook niet deed. Om inzicht te krijgen in de mens was het volgens hem veel beter om veel (goede) romans te lezen, waarbij Dostojevski als een van de grootsten gold. Voor Buytendijk is de bron van ‘werkelijk psychologisch inzicht en psychologische vorming’ dezelfde als die van de goede roman. In De psychologie van de roman – studies over Dostojevski (1962) noemt hij deze bron ‘de ervaring omtrent de mens’. Het begrip ‘ervaring’ heeft zich volgens Buytendijk in de ontwikkeling van de ‘wetenschappelijke’ psychologie verengt tot het toepassen van methoden en technieken die vooral geschikt zijn voor ‘geïsoleerde psychologische processen’. Buytendijk wil echter, net als romanschrijvers als Dostojevski, de mens begrijpen vanuit ‘de eenheid van de persoonlijkheid en het wijsgerig inzicht in het wezen van de mens’. Overigens komt die wens voort uit wat hij de ‘nood’ van de mens in de praktijk van het leven noemt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Denkers

Thema's