Aandacht
Aansprakelijkheid
Aanvaarding
Aarde
Absolutisme
Absurde
Afrika
Agnosticisme
Alchemie
Alleen-zijn
Amerika
Analyse
Ander
Angst
Antropoceen
Antropologie
Aporie
Arbeid
Architectuur
Argumenten
Armoede
Art deco
Ascese
Atheïsme
Authenticiteit
Autobiografie
Autonomie
Autopoïese
Bedrijfsleven
Begeerte
Begrijpen
Begrippen
Behaviorisme
Belangeloosheid
Belangen
Beschaving
Bescheidenheid
Bestaan
Bestemming
Betekenis
Beweging
Bewustzijn
Bezinning
Bezonnenheid
Bibliotheek
Bibliotherapie
Bijbel
Bildung
Biologie
Blijmoedigheid
Blinde vlek
Boeddhisme
Boeken
Boosheid
Brein
Bulverisme
Burgerschap
Burn-out
Categorische imperatief
Chaos
Christendom
Coaching
Cogito
Cognitie
Communicatie
Communisme
Computer
Concentratie
Conditionering
Constructivisme
Consumeren
Contemplatie
Creativiteit
Cultuur
Cultuurfilosofie
Cybernetica
Cynisme
Dagelijks leven
Darwinisme
Definitie
Definitie van de situatie
Democratie
Denkbeelden
Denken
Depressie
Deskundigheid
Determinisme
Deugden
Deugdenethiek
Deugdzaamheid
Dialoog
Dierenrechten
Dilemma
Ding-in-zichzelf
Diplomatie
Discipline
Dood
Doodsangst
Dorst
Drogredenen
Dromen
Dubbelzinnigheid
Dunning-Kruger-effect
Duurzaamheid
Dwaasheid
Ecologie
Economie
Eenzaamheid
Eerlijkheid
Eeuwigheid
Egoïsme
Eigenbelang
Eigenheid
Eigenliefde
Eindigheid
Elementen
Emergentie
Emoties
Empathie
Empirisme
Epicurisme
Epistemologie
Erotiek
Ervaring
Essay
Esthetiek
Ethiek
Eudaimonia
Euthanasie
Evangelie
Evolutie
Existentialisme
Existentie
Experiment
Faidros
Falen
Fanatisme
Feiten
Fenomenologie
Filosofen
Filosoferen in organisaties
Filosoferen met kinderen
Filosofie
Filosofisch café
Filosofisch consult
Filosofische praktijk
Filosofische vraag
Fortitudo
Frankrijk
Fundamentalisme
Fysiologie
Gebed
Gebod
Geboorte
Gedachten
Gedrag
Gedragswetenschap
Geest
Geestelijke gezondheid
Geesteswetenschappen
Geheugen
Gelatenheid
Geld
Geloof
Geluk
Gelukzaligheid
Gematigdheid
Gemeenschap
Gemeenschappelijkheid
Gemoedsrust
Genot
Geschiedenis
Gesprek
Geven
Gevoelens
Geweld
Gewoonten
Gezondheid
Gnostiek
God
Goed
Goede leven
Grondeloosheid
Haat
Handelen
Hartstochten
Hebben
Heden
Hedonisme
Held
Helpen
Hermes
Hilberts paradox
Hoop
Humanisme
Huwelijk
Hybris
Hypothese
Idealen
Idealisme
Ideeën
Identiteit
Ik
Illocutionaire handelingen
Individualisme
Individualiteit
Instinct
Integratie
Integriteit
Interpretatie
Intersubjectiviteit
Introspectie
Inzicht
Ironie
Isolement
Iustitia
Jaïnisme
Jodendom
Jona
Kapitalisme
Karakter
Kennis
Keuzes
Kijken
Kitsch
Koningschap
Kredietcrisis
Kritiek
Kunst
Kwaad
Kwaliteit
Kwantumfysica
Kwetsbaarheid
Leefregels
Leibniz
Leiderschap
Leren
Leugen
Leven
Levensbeschouwing
Levensfilosofie
Levenskunst
Levensvorm
Levenszorgen
Lezen
Lichaam
Liefde
Lijden
Literatuur
Logica
Logos
Logotherapie
Luisteren
Maaltijd
Maatschappij
Macht
Markt
Marktdenken
Marxisme
Massa
Massamedia
Materialisme
Medelijden
Mediatie
Meerduidigheid
Meesterschap
Mens
Mens en dier
Mens-zijn
Mensapen
Menselijkheid
Mensenkennis
Mensheid
Metafysica
Methode
Midlifecrisis
Minderwaardigheidscomplex
Mindfulness
Missie
Mode
Modernisering
Moderniteit
Moed
Moedeloosheid
Monniken
Moraal
Moraliteit
Mystiek
Naastenliefde
Namen
Nataliteit
Nationalisme
Natuur
Natuurwetenschap
Nazisme
Nederigheid
Neoplatonisme
Neurofilosofie
Niets
Noodlot
Nut
Object
Objectiviteit
Offer
Oidipous
Onbewuste
Onderscheiding
Onderwijs
Oneindigheid
Ongemak
Onmenselijkheid
Onsterfelijkheid
Onthaasting
Onthechting
Ontologie
Ontroering
Ontspanning
Onverschilligheid
Onwetendheid
Onzekerheid
Oorlog
Oprechtheid
Optimisme
Opvoeding
Orde
Organisaties
Organismen
Ouderen
Paradigma
Paradigmawisseling
Paradox
Perfectie
Persoon
Persoonlijkheid
Pessimisme
Phaedrus
Pijn
Placebo-effect
Plichtethiek
Poëzie
Politici
Politiek
Politieke filosofie
Positivisme
Postmodernisme
Pragmatiek
Pragmatisme
Praktische filosofie
Principes
Procesfilosofie
Procestheologie
Profeet
Prudentia
Psychiaters
Psychiatrie
Psychoanalyse
Psychofarmaca
Psychologen
Psychologie
Psychose
Psychotherapie
rationalisme
Rationaliteit
Rationeel-emotieve therapie
Realisme
Rechtschapenheid
Rechtvaardigheid
Reclame
Rede
Redelijkheid
Reductie
Reductionisme
Reflectie
Reflexiviteit
Regels
Relativisme
Relativiteit
Religie
Respect
Retorica
Revolutie
Ritme
Ruimte
Salutogenese
Samenleving
Samenwerking
Samoerai
Scepsis
Scepticisme
Schaamte
Schilderkunst
Schizofrenie
Scholing
School
Schoonheid
Schrift
Schrijven
Schuldgevoel
Sciëntisme
Seksualiteit
Sereniteitsgebed
Slaap
Sociaal contract
Socialisme
Sociologie
Socratisch gesprek
Solipsisme
Solutionisme
Speculatie
Speltheorie
Spijt
Spiritualiteit
Staat
Sterfelijkheid
Sterven
Stoa
Stoelgang
Stoïcisme
Strategie
Stress
Subject
Subjectiviteit
Taal
Taalspel
Tao
Taoïsme
Techniekfilosofie
Technologie
Tegenslag
Televisie
Temperantia
Terre des Hommes
Theodicee
Theologie
Theorie
Therapie
Thomas
Tijd
Timemanagement
Toekomst
Tolerantie
Totalitarisme
Transcendente meditatie
Transcendentie
Twijfel
Utilitarisme
Utopie
Vaderschap
Veerkracht
Veiligheid
Verandering
Verantwoordelijkheid
Verbeelding
Verbijstering
Verdriet
Vergelijking
Vergeving
Vergevingsgezindheid
Vergissen
Verlangen
Verleden
Verlichting
Verliefdheid
Vernietiging
Verslaving
Verstand
Verstrooiing
Vertalen
Vertrouwen
Verveling
Verwachtingen
Verwondering
Vijand
Visie
Volkomenheid
Voltooiing
Volwassenheid
Voortreffelijkheid
Vorming
Vragen
Vrede
Vriendschap
Vrije tijd
Vrije wil
Vrijheid
Vrijheid van meningsuiting
Vrouwenemancipatie
Waanzin
Waarde
Waarden
Waarheid
Waarneming
Wachten
Walging
Wandelen
Wanhoop
Wantrouwen
Ware weg
Wereld
Werk
Werkelijkheid
Wet
Weten
Wetenschap
Wetenschapsfilosofie
Wetenschapssociologie
Wijsgerige antropologie
Wijsheid
Wil
Wilskracht
Wiskunde
Woe wei
Woede
Wolf
Wonder
Woorden
Wraak
Zekerheid
Zelf
Zelfbeheersing
Zelfbewustzijn
Zelfkennis
Zelfmoord
Zelfoverschatting
Zelfvertrouwen
Zelfzorg
Zelfzuchtigheid
Zen
Zenboeddhisme
Ziekte
Ziel
Zien
Zijn
Zin
Zinloosheid
Zintuigen
Zitten
Zonde
Zwaardvechten
Zwaarmoedigheid
Zwaartekracht

De existentiële aard van de menselijke werkelijkheid maakt broeders en zusters van ons allemaal.

Irvin D. Yalom in Existential Psychotherapy (1980)

Nadat de Amerikaanse existentieel psychotherapeut Irvin D. Yalom (1931) er tien jaar aan gewerkt had, verscheen in 1980 van zijn hand een standaardwerk, Existential Psychotherapy, waarin hij de ideeën van een groot aantal filosofen, grote schrijvers (als Dostojevski, Tolstoi en Kafka) en psychotherapeuten op systematische wijze bij elkaar bracht aan de hand van vier zogenaamde ‘levenszorgen’. Deze liggen volgens hem ten grondslag aan veel problemen van zijn patiënten, maar ook aan onze angsten en sombere buien. Ten eerste wordt ieder mens geconfronteerd met de zekerheid van zijn eigen sterfelijkheid. Ten tweede is ieder individu absoluut vrij, wat een kwellende verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Ten derde betekent die eindigheid en verantwoordelijkheid dat we in een existentieel isolement verkeren. En ten slotte wordt ieder mens daardoor geplaagd door een onleefbaar besef van zinloosheid.
Omdat deze gegevenheden van het bestaan voor iedereen gelden, brengt het besef daarvan ons dichter bij de neuroticus en ‘zelfs’ bij de schizofreen. De afweerreacties tegen de angst voor de dood zijn bij de laatstgenoemde misschien meer bizar, extreem en invaliderend, maar met die angst moeten we allemaal zien te leven.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Reacties

Van september tot november a.s. geef ik in Zwolle een cursus over 'De filosofie van Irvin D. Yalom' in het kader van ISVW in 't land.

Irvin D. Yalom (1931) wordt beroemd met zijn boeken over existentiële psychotherapie en groepstherapie. Als therapeut is hij sterk beïnvloed door de existentiefilosofie van o.a. Heidegger, Sartre en Camus. Op latere leeftijd wordt hij een bestsellerauteur met zijn ‘teaching novels’, waaronder Nietzsches tranen, De Schopenhauerkuur en Het raadsel Spinoza.


Centraal in Yaloms denken staan vier ‘levenszorgen’ die volgens hem ten grondslag liggen aan veel problemen van zijn patiënten, maar ook aan onze angsten en sombere buien. Ten eerste wordt ieder mens geconfronteerd met de zekerheid van zijn eigen sterfelijkheid. Ten tweede is ieder individu absoluut vrij, wat een kwellende verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Ten derde betekent die eindigheid en verantwoordelijkheid dat we in een existentieel isolement verkeren. En ten slotte wordt ieder mens daardoor geplaagd door een onleefbaar besef van zinloosheid.

In acht bijeenkomsten verdiepen we ons in Yaloms opvattingen over psychotherapie en deze vier levenszorgen. We gaan in op het werk van de genoemde denkers, maar ook bijvoorbeeld Epicurus. We zetten daar ook alternatieve visies tegenover van o.a. Arendt, Fromm en Frankl. Elke bijeenkomst omvat een werkcollege over het huiswerk en een hoorcollege waarin een nieuw thema wordt ingeleid.

Zie voor meer informatie en inschrijving https://isvw.nl/cursussen/filosofie-irvin-d-yalom/.

Reacties

De meeste comedy komt voort uit ongemak. Het is een onderschatte emotie.

Julia Louis-Dreyfus in 'Zoeken naar Elaine' (VARAGIDS, 15, 2015)

Volgens sommigen is Julia Louis-Dreyfus (geb. 1961) momenteel de grappigste vrouw ter wereld. Zij werd bekend door wat volgens dezelfde mensen de beste comedyserie aller tijden is: Seinfeld. Louis-Dreyfus speelt daarin de ex-geliefde en goede vriendin van Jerry Seinfeld. In het begin was haar rol maar klein, en zij vond hem ook niet grappig genoeg. Dat veranderde pas toen producent Larry David tegen de schrijvers van de serie zei: ‘Schrijf voor Elaine alsof je voor een man schrijft ...’
Naar eigen zeggen is Seinfeld ‘a show about nothing’. Maakt die karakterisering het al formeel een beetje existentialistisch, dat geldt ook voor de fundamentele ervaringen waar alles in dit programma om draait. Wijzen andere existentialisten op ‘grote gevoelens’ als angst, vervreemding, zelftwijfel en sterfelijkheid als karakteristiek voor de mens, bij Seinfeld gaat het om de alledaagse kleinheid, die voor de meeste mensen ook tamelijk kenmerkend is. Het is niet de bestaansangst waar Seinfeld mee speelt maar de alledaagse angsten. In Seinfeld gebeurt altijd precies waar je de hele tijd bang voor bent. Als je bijvoorbeeld de waarheid hebt verdraaid, komt dat altijd uit. In het uitbeelden van het pijnlijke ongemak waarmee dat gepaard gaat, is Julia Louis-Dreyfus ongeëvenaard.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media


Reacties

Onze wil hoeft maar een klein beetje te wankelen, en onze gevoelens hoeven slechts heel weinig te verschuiven of te veranderen, of daar gaat onze werkelijkheid.

Luigi Pirandello in Iemand, niemand en honderdduizend (1926)

De Italiaanse Nobelprijswinnaar Luigi Pirandello (1867–1936) geldt als een van de grote existentialistische auteurs. Iemand, niemand en honderdduizend begint met een schijnbaar onschuldige opmerking van de vrouw van Vitangelo Moscarda tegen haar man: ‘Je neus staat scheef.’ Omdat hij zich daar zelf in het geheel niet van bewust was, is dat voor Moscarda een enorme schok: ‘Ik verdiepte me onmiddellijk in de gedachte dat ik – hoe is het mogelijk – zelfs mijn eigen lichaam niet goed kende, de dingen waar ik het meest vertrouwd mee was.’ Al malend over deze ervaring komt hij tot diepe twijfel aan zichzelf: ‘Als ik volgens de anderen niet degene was die ik tot dan toe voor mezelf had gedacht te zijn, wie was ik dan?’ Vanaf dan gaat het van kwaad tot erger. Om zich te onttrekken aan het vanzelfsprekende oordeel van de ander, gaat Moscarda zich steeds vreemder gedragen. Hij kost hem zijn vrouw en al zijn geld. Dat is dus het gevaar als je je identiteit ontleent aan de mensen in je omgeving: je verliest je grip op de werkelijkheid. Pirandello komt uiteindelijk tot de conclusie dat niets ons kan redden dan ‘wilskracht’: ‘Standvastigheid. Weest u sterk en standvastig, anders duikt u in het niets en komt u voor onaangename verrassingen te staan.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Reacties

Mijn lichaam dat voor mijn denken bestaat, houdt op het mijne te zijn.

Gabriel Marcel in Journal métaphysique (1914–1923)

De in Parijs geboren en gestorven Franse filosoof Gabriel Marcel (1889–1973) wordt wel een (christelijke) existentialist genoemd, maar zelf wilde hij zich niet vereenzelvigen met het denken van bijvoorbeeld Jean-Paul Sartre. Hij gaf daarom de voorkeur aan de term ‘filosofie van de existentie’ om zijn denken te karakteriseren. Overigens schreef Marcel net als Sartre toneelstukken waarin zijn filosofie op een andere wijze naar buiten komt.
Voor Marcel is het een onbetwijfelbaar feit dat ik mijn lichaam ben, maar dat is niet het lichaam zoals dat verschijnt in de theorieën van artsen of biologen. Hij maakt daarom een onderscheid tussen het-lichaam-als-subject en het-lichaam-als-object. In dat verband wijst hij ook wel op het onderscheid in de Duitse taal tussen Körper (lichaam) en Leib (lijf). Wat hem in ieder geval onderscheidt van veel andere existentialisten is dat hij op latere leeftijd katholiek wordt, en meent dat het dit lichaam-als-subject is dat het lichaam-als-object overleeft en waaraan wederopstanding is beloofd.


Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

Laten we trachten de fundamentele dubbelzinnigheid van ons bestaan bewust te aanvaarden.

Simone de Beauvoir in Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid – Ontwerp van een existentialistische ethiek (1947, 1958)

Net als haar ‘levensgezel’ Jean-Paul Sartre was Simone-Lucie-Ernestine-Marie Bertrand (Simone) de Beauvoir (1908–1986) niet alleen schrijfster van romans en toneel, maar ook een vooraanstaand filosofe. Haar denken karakteriseerde ook zij als ‘existentialisme’. Haar pleidooi voor een moraal van de dubbelzinnigheid gaat uit van de ‘tragische ambivalentie’ van ons bestaan, die zij uitgedrukt ziet in een citaat van Montaigne: ‘Ons leven is een voortdurend bouwen aan de dood.’ Dieren en planten ondergaan dit slechts, maar de mens is zich hiervan bewust, en daarmee ‘dringt een nieuwe paradox haar bestaan binnen’. Want met dit besef ‘verheft’ de mens zich boven haar natuurlijke staat, maar zij kan zich daar niet aan onttrekken. We zijn ons bewust van de wereld, maar maken daar ook deel van uit.
De geschiedenis van de filosofie is één lange poging om deze dubbelzinnigheid op te heffen, door de geest te reduceren tot de materie of andersom. Het heeft de mens echter niet geholpen, en De Beauvoir ziet dat haar tijdgenoten zich ‘pijnlijker dan ooit’ bewust zijn van de paradox van ons bestaan. Zij pleit er daarom voor die dubbelzinnigheid als uitgangspunt te nemen en daaraan de kracht en de motieven te ontlenen om het leven aan te gaan.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

Van alle belachelijke dingen komt me als het allerbelachelijkste voor het druk te hebben in de wereld, een rappe eter te zijn en een rappe werker.

Søren Kierkegaard in Of/of – Een levensfragment uitgegeven door Victor Eremita (1843, 2000)

Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813–1855) staat erom bekend dat hij graag een spel speelde met pseudoniemen, en zijn officiële debuut Of/of is daarvan een fraai voorbeeld. Het boek is samengesteld door ‘uitgever’ Victor Eremita, wat te vertalen is als de ‘overwinnende kluizenaar’, waarbij bedoeld is dat hij door zijn eenzaamheid gewonnen heeft. Deze uitgever vertelt in een voorwoord dat hij de teksten die de rest van het boek uitmaken, aangetroffen heeft in een antiquarische secretaire die hij jaren eerder op de kop had getikt. Volgens Victor Eremita zijn de teksten geschreven door twee verschillende personen, die hij aanduidt met A en B. Het boek begint vervolgens met een aantal korte beschouwingen en aforismen, ‘tussenpsalmen’ genoemd, waarvan later kon worden vastgesteld dat ze overeenkwamen met dagboekteksten van Kierkegaard zelf.

In het stukje over de belachelijkheid van het druk-zijn, vertelt de auteur dat hij altijd moet ‘schudden van het lachen’ als hij ziet dat er op de neus van zo’n ‘bedrijvig man’ een vlieg gaat zitten of als hij wordt ‘natgespat door een rijtuig dat hem in nog grotere haast passeert’. Hij vergelijkt de druktemakers met die vrouw die toen haar huis in brand stond in alle consternatie alleen de ‘haardtang’ redde. ‘Wat redden die lieden eigenlijk meer uit de grote brand des levens?’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Reacties

Objectiviteit is een afspraak van mensen waardoor ze niet altijd hoeven te zeggen waar ze het over hebben.

B.J. Kouwer in Existentiële psychologie (1973)

Het ‘rare’ aan de psychologie is dat wat behoort tot het onderwerp van deze wetenschap, zoals denken, bewustzijn, kenvermogen en waarneming, tegelijk vooronderstelling is van het doen aan wetenschap. Voor de Nederlandse psycholoog Benjamin Jan Kouwer (1921-1968) was deze merkwaardige aard van het bewustzijn aanleiding om alle vigerende theorieën over de mens af te wijzen. Door het paradoxale karakter van de psychologie had hij vervolgens wel veel moeite om zelf tot een eigen theorie te komen. Hoe die er ongeveer uit zou zijn gaan zien, weten we uit de door zijn Groningse leerlingen postuum uitgegeven college-aantekeningen in het genoemde boekje.
Hij gaat ‘het gesprek’ nemen als elementaire eenheid van onderzoek, en niet langer gedrag of psyche van het individu. Een van de lastige kwesties waar de psychologie mee te maken had, was het feit dat er aan de ene kant gestreefd werd naar ‘objectieve’ kennis van de mens, terwijl psychologen tegelijkertijd alleen maar konden vaststellen dat ieder individu door en door ‘subjectief’ is. In het gespreksperspectief wordt dit elegant opgelost: objectief zijn die dingen waar we het over eens zijn, subjectief die zaken waarover we dat niet zijn.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

De mens is wat hij van zichzelf maakt.

Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1965)

In het boekje waarin hij zijn filosofie presenteert aan het grote publiek, legt Jean-Paul Sartre (1905-1980) dit eerste beginsel van het existentialisme uit met een stelling die voor hem zo vanzelfsprekend is, dat hij haar verder niet toelicht of onderbouwt: ‘de mens heeft een grotere waardigheid dan een steen of een tafel.’ Maar het kon wel eens principieel onjuist zijn (en/of zeer gevaarlijk) om het existentialisme te beperken tot de mens.
Veel filosofen met hem claimen voor zichzelf en ons allemaal een bepaalde waardigheid op basis van een ‘wezenskenmerk’ van de mens (in dit geval zijn ‘wezenloosheid’), omdat zij bang zijn dat wij anders net zo (mogen) worden behandeld als wij met dieren en dingen omgaan (intensieve veehouderij, wegwerpproducten). Het probleem is dat zodra wetenschappers of anderen dan aantonen dat wij in vele opzichten een ding (informatieverwerkend systeem) of dier (een evolutionair bepaald zenuwstelsel in een ‘zak met bloed en botten’ (Vroman)) zijn, die ‘menselijke’ waardigheid ons niet meer toekomt! Maar om de werkelijkheid echt recht te doen, moet je misschien, zoals Bruno Latour dat heeft voorgesteld, het existentialisme uitbreiden naar dingen: ook bij hen gaat hun existentie vooraf aan hun essentie. En ook zij verdienen democratische vertegenwoordiging.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

Wat de mens is, is hij door de zaak die hij tot de zijne maakt.

Karl Jaspers in Über meine Philosophie. Logos 24 (1941)

De Duitse, later Zwitserse, psychiater Karl Theodor Jaspers (1883–1969) is in eerste instantie beroemd als schrijver van een standaardwerk over psychopathologie. Maar daarnaast hield hij zich naar eigen zeggen ook bezig met ‘existentiefilosofie’, wat hij scherp onderscheidde van het ‘existentialisme’ in de zin van Sartre. Jaspers was met name afkerig van diens fundamentele ‘walging’ waar het de wereld en de andere mens betrof, en het idee dat we gedoemd zijn tot de vrijheid. Voor Jaspers bestaat er geen vrijheid als wij niet op een of andere wijze betrokken zijn bij iets wat ons overstijgt (‘transcendentie’).
Toch blijkt uit het citaat ook een grote verwantschap. Waar Sartre stelt dat wij ertoe veroordeeld zijn om in alle vrijheid van ons leven een project te maken, beweert ook Jaspers dat de mens niet op zichzelf kan staan, geen ‘in zichzelf gesloten wezen’ is, maar nog moet worden wat hij zal zijn door zich aan een (goede) zaak te wijden.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

Ik ga je een groot geheim verklappen, mon cher: wacht niet op het Laatste Oordeel. Dat vindt elke dag plaats.

Albert Camus in De val (1956)

Het ‘Laatste Oordeel’, ook wel ‘de dag des oordeels’ of ‘de jongste dag’ genoemd, is een begrip dat zowel voor joden, christenen als islamieten verwijst naar de dag waarop God van alle mensen zal bepalen of zij het recht hebben om daarna eeuwig in de hemel te wonen, of dat zij gedoemd zullen zijn voor altijd in de hel te lijden. Deze toekomstverwachting is voor de gelovigen een bron van vreugde, maar natuurlijk ook van angst.
In zijn laatste fictiewerk, La chute (De val), laat de Franse absurdist Albert Camus (1913–1960) zijn antiheld Jean-Baptiste Clamence zijn naamloze, zwijgzame gesprekspartner bezweren dat die spannende dag niet in de verre toekomst ligt, maar iedere dag plaatsvindt. De novelle speelt zich af in een koud en nat Amsterdam, waarvan de hoofdpersoon vindt dat de grachten zijn als de cirkels van de hel. Daar is de voorheen succesvolle advocaat Clamence beland na zijn ‘zondeval’ uit het paradijselijke Parijs. Camus’ intellectuele rivaal Jean-Paul Sartre vond het ‘misschien wel zijn mooiste en minst begrepen boek’.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

Wie kiest, kiest voor allen.

Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1945)

Bij iedere keuze die je maakt die consequenties heeft voor hoe je leeft, hoe je bent, maak je volgens Sartre (1905–1980) een keuze voor bepaalde waarden, en toon je dat je andere waarden minder belangrijk vindt. Waarden kun je bovendien niet als subjectief beschouwen, want anders zijn het geen echte waarden. Als je ervoor kiest om niemand te doden, bijvoorbeeld omdat een mensenleven heilig is, dan kies je er ook voor dat de doodstraf afgeschaft moet worden of blijven. Het kan niet zo zijn dat je vindt dat iedereen zelf moet weten of hij iemand anders doodt, maar dat jij het nou eenmaal niet ‘cool’ vindt (subjectivisme).
Je zou kunnen zeggen dat Sartre hier van de positieve formulering van de categorische imperatief (men moet alleen handelen volgens die maxime waarvan men tegelijkertijd kan willen dat ze een algemene wet wordt), een existentieel of meta-ethisch gegeven maakt: het is geen gebod, maar de logische consequentie van het ‘eerste beginsel van het existentialisme’: dat de mens is wat hij van zichzelf maakt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

Waar het op aankomt is een waarheid te vinden die een waarheid voor mij is, de idee te vinden waarvoor ik wil leven en sterven.

Søren Kierkegaard in Dagboeken (1 augustus 1835)

Even overweegt Kierkegaard (1813-1855) om zich af te keren van filosofie en theologie, om zo wat rust te krijgen, maar dan realiseert hij zich dat de onrust terug zal keren, ‘als een koortsaanval na het drinken van koud water’. En dan formuleert hij een besef dat leidt tot de ‘existentialistische wending’ in de filosofie. Het gaat niet meer om die ene kantiaanse vraag naar het epistemologische fundament van kennis (‘wat kan ik weten?’), maar om die andere vraag: ‘wat moet ik doen?’ De existentialistische filosoof verliest zich niet in het construeren van het beeld van een wereld waarin hij niet leeft, maar die hij alleen aan anderen voorhoudt, maar wil helderheid ten aanzien van zichzelf, wil weten wat zijn eigen bestemming is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

Voor de existentialist bestaat er geen werkelijke liefde buiten de liefde die men opbouwt.

Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1946, 1967)

In L’existentialisme est un humanisme (vertaald als Over het existentialisme) wil Jean-Paul Sartre (1905-1980) het existentialisme verdedigen tegen een aantal verwijten die ertegen zijn gemaakt. In dit qua omvang kleine boek vinden we enkele beroemde uitspraken, die voor velen de kern uitmaken van deze stroming, zoals ‘we zijn veroordeeld tot de vrijheid’ en ‘de existentie gaat vooraf aan de essentie’. Kernachtig is ook de titel van de paragraaf waar het citaat uit afkomstig is: ‘De mens is wat hij doet’.
Deze uitspraak is gericht tegen de houding van mensen die zich neerleggen bij wat ze zien als de talenten, het charisma of het genie van anderen. Mensen die ontevreden zijn met hun leven, hebben volgens Sartre vaak maar één middel om hun ongeluk te dragen, namelijk de gedachte dat zij nu eenmaal de omstandigheden niet mee hebben gehad, geen tijd hadden om mooie boeken te schrijven, niet de juiste man of vrouw zijn tegengekomen om een grote liefde mee te beleven. Nee, als de ware zich had aangediend, zoals aangekondigd door ‘een heel speciaal gevoel van binnen’, dan hadden zij wel een eeuwig paar gevormd, en misschien ook kinderen gekregen. Voor de existentialist zijn dat smoesjes: ‘er is geen andere mogelijkheid tot liefde dan die welke zich in een liefde manifesteert.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Reacties

De filosoof lijkt in zijn existentiële verwondering en zoeken naar nieuwe paden op de psychoot in zijn conventieloosheid.

Wouter Kusters in Pure waanzin (2004)

Volgens Kusters betekent deze gelijkenis tussen het begerig zoeken naar wijsheid en het loslaten van de conventies van de massa, dat waanzin onder filosofen ‘een relatief groot beroepsrisico is’. Overigens blijft dit risico voor de meeste professionele filosofen beperkt, omdat die alleen van negen tot vijf filosoferen.
Vanwege eigen ervaringen zoekt Kusters naar het wezen van het denken van de psychoticus. Een belangrijk kenmerk hiervan is volgens hem dat de conventionele, alledaagse bevindingen niet langer als de basis worden aangenomen. Velen geloven dat je dit denken als ‘magisch’ kunt karakteriseren, maar hij geeft de voorkeur aan de term ‘eigenwijsheid’. Kusters meent dat de huidige psychologie, met name het cognitieve denken, bij waanzin niet zoveel verder komt, doordat zij als model voor de mens de ideale wetenschapper neemt. Een van de manieren om wel meer van psychotici te begrijpen is het creëren van een context waarin diens gedrag begrijpelijk wordt. Het creëren van een context doe je als je met iemand in gesprek bent. Hij erkent dat wat een psychoticus zegt vaak heel lastig te duiden is, maar dat ‘betekent alleen dat het zoeken naar een context moeizaam verloopt’, niet dat psychotische taal ‘intrinsiek onbegrijpelijk’ is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Reacties

Uit de verlatenheid vloeit voort dat wijzelf ons wezen kiezen.

Jean-Paul Sartre in Over het existentialisme (1965)

Aan de hand van concrete voorbeelden legt Sartre in dit op verzoek geschreven boekje zijn belangrijkste existentialistische ideeën uit. Een van zijn leerlingen was hem in de oorlog om raad komen vragen. Zijn vader had zijn moeder verlaten en neigde naar collaboratie en zijn oudste broer was bij de Duitse inval gesneuveld. De student zat vol wraakgevoelens en wilde eigenlijk naar Engeland vluchten en zich bij de Vrije Fransen aansluiten. Hij wist echter dat hij nog de enige zin was van het leven van zijn moeder en dat ze wanhopig zou zijn als hij weg zou gaan. Bij de moraal kon hij geen uitsluitsel vinden. Welke waarde zou immers in zijn geval de doorslag moeten geven? Zelf denkt de student dat hij zijn ‘gevoel’ moet volgen, maar Sartre meent dat de kracht van zijn gevoel (voor moeder of vaderland) alleen achteraf bepaald kan worden: ‘Ik kan zeggen: ik houd genoeg van mijn moeder om bij haar te blijven, maar alleen als ik inderdaad bij haar ben gebleven.’ Zelfs de eventuele raad die Sartre hem zou geven, heft de eenzaamheid van de ‘veroordeling tot de vrijheid’ niet op: ‘als men een raadsman kiest, engageert men zich wederom.’

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

De minnaar wil voor alles dat de vrijheid zelf ertoe besluit liefde te worden en dat niet alleen in het begin van het avontuur, maar ieder ogenblik.

Jean-Paul Sartre in Schemeroorlog (1983)

Volgens Sartre zijn we ‘veroordeeld tot de vrijheid’. In de liefde zijn we dan ook niet op zoek naar onderwerping of hartstocht, maar we willen juist dat iemand in vrijheid voor ons kiest. Voor een minnaar is niets zo waardevol als wat hij ‘de autonomie van de liefde bij het beminde wezen’ noemt. Het verlangen om bemind te worden heeft volgens hem tot doel dat de ander het fundament voor ons eigen bestaan wordt. Omdat we absoluut vrij zijn, kunnen we daar niet zelf voor zorgen. Normaal gesproken zijn we bovendien overgeleverd aan de ‘blik van de ander’. We hopen dat we dit ‘zijn-voor-de-ander’ kunnen ‘terugwinnen’ als we door de ander worden bemind, ‘door zo te handelen dat de vrijheid van de ander zichzelf aan banden legt tegenover de weerloze naaktheid die wij voor die vrijheid zijn’. Vanzelfsprekend is een dergelijk verlangen volgens Sartre inauthentiek. Authenticiteit is de ‘doorleefde erkenning’ dat je je bestaan uiteindelijk alleen op jezelf kunt baseren, in het gelijktijdige besef dat die basis zich nooit laat institutionaliseren. Je kunt nooit ‘teren op’ je authenticiteit. De vraag is dan of er ook een authentieke liefde mogelijk is, bijvoorbeeld doordat ze steeds vernieuwd wordt.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Reacties

‘Want toen de aarde niet draaide ...’ / ‘Kom nou! Ze heeft toch altijd gedraaid!’ / ‘Dat is niet waar. De mens wist het niet en dus was het alsof ze niet draaide ...’

Luigi Pirandello in Wijlen Mattia Pascal (1904)

Luigi Pirandello geldt als een van de grote existentialistische schrijvers. Net als andere existentialisten beperkt hij het belang van het individuele bestaan echter tot de mens. Ook bij bijvoorbeeld Sartre zien we een grote nadruk op het verschil tussen mens en dier, tussen geest en lichaam. Die nadruk komt voort uit de angst dat voor het dier, het lichaam wel geldt wat voor de mens of voor zijn geest absoluut niet mag gelden: dat het precies dat is wat de wetenschap erover zegt – een volledig mechanisch gebeuren. Dan verliezen we immers onze vrijheid, onze moraal, en uiteindelijk de zin van ons leven. Een volledig evolutionair perspectief op de mens is voor een kinderloze filosoof als Sartre natuurlijk ondenkbaar. De eerste filosoof die de uitdaging van het sciëntisme – het geloof dat de werkelijkheid alleen voor de wetenschap toegankelijk is – rechtstreeks aangaat is Bruno Latour. Hij ‘breidt het existentialisme uit tot de dingen’. Voor alles geldt dat het bestaan vooraf gaat aan de essentie. De overtuiging dat de aarde altijd al draaide is een ‘respectabel geloof’. Zoals ook het geloof van de Bimin-Kuskumin van Nieuw-Guinea dat zij de hele mensheid zijn, respectabel is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Reacties

Ontkennen dat liefde de biologische basis is van intermenselijk contact, met alle ethische consequenties van dien, zou een ontkenning betekenen van alles wat onze drieëneenhalf miljard jarige geschiedenis als levende wezens heeft opgeleverd.

Humberto R. Maturana en Francisco J. Varela in De boom der kennis – Hoe wij de wereld door onze eigen waarneming creëren (1989)

Veel wetenschappers houden zich bezig met de ‘biologische basis’ van de liefde, door te speuren naar stofjes die vrijkomen als we onze geliefde zien, de geuren die we verspreiden of waarnemen, of de hersengebieden ‘die betrokken zijn bij’ de erotiek. Critici proberen dan nog iets te redden van wat wij in onze relaties met anderen beleven, door te zeggen dat liefde ‘niet reduceerbaar’ is tot een chemisch proces. Het zijn allemaal achterhoedegevechten, want niemand bekritiseert de onderliggende aanname dat het lichaam als ‘een zak met bloed en botten’ (Vroman) voor onderzoeksdoeleinden te scheiden is van wat het individuele, biologische leven inhoudt. Zo niet Maturana en Varela. Zij ontwikkelen een soort ‘existentiële biologie’ waarin zij zich rekenschap geven van het feit dat als biologie zelf een menselijke activiteit is, het ook een biologisch proces moet zijn. En dat betekent niet dat zij de bestaande biologie gebruiken om de wetenschap te reduceren tot een soort evolutionair product. Nee, voor hen is het aanleiding om een hele nieuwe biologie te ontwikkelen waarin het uitgangspunt is dat het onderscheidende kenmerk van een levend wezen autonomie is.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media

Reacties

Mensen zijn niet om over te praten, maar om mee te praten.

B.J. Kouwer in Existentiële psychologie (1973)

Aan de ene kant kun je over het bewustzijn spreken alsof het een soort ding is, aan de andere kant moet je bewustzijn altijd al vooronderstellen als je het er met elkaar over hebt. Voor de Nederlandse psycholoog Benjamin Jan Kouwer (1921-1968) was dit ‘rare’ karakter van het bewustzijn aanleiding om alle bestaande psychologische theorieën over de mens af te wijzen. Hij deed dat in een zeer geestig boek, waarin hij onder de titel Het spel van de persoonlijkheid (1963) alle belangrijke persoonlijkheidstheorieën uit de geschiedenis licht belachelijk maakt.
Kouwer was sterk beïnvloed door zijn lezing van Het Zijn en het Niet (1943) van Jean-Paul Sartre, dat hij al in de oorlog op zijn onderduikadres las. Na zijn existentialistische nawoord in Het spel van de persoonlijkheid werd het voor Kouwer als psycholoog erg moeilijk om nog een eigen ‘positieve’ psychologie te ontwikkelen. Hij publiceerde in de laatste vijf jaar van zijn leven geen nieuw werk. In welke richting Kouwers gedachten gingen, weten we alleen uit de door zijn Groningse leerlingen postuum uitgegeven college-aantekeningen in het boekje Existentiële psychologie (1973) . Hij gaat ‘het gesprek’ nemen als elementaire eenheid van onderzoek, en niet langer gedrag of psyche van het individu.

Tevens verschenen op de Filosofiekalender © Veen Media
Reacties

Meer gedachten


Logo mini

begeleiding bij bezinning

filosofisch consult

socratisch gesprek

moreel beraad